RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-257109-24 (P)
Uitspraakdatum: 1 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
thans uit andere hoofde gedetineerd in DC Rotterdam.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.E. Bauduin en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Heerlen) naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland, op 31 januari (feit 1), 4 maart (feit 2) en 11 april (feit 3) 2024 te Schiphol. Subsidiair is dit telkens tenlastegelegd als het (over een langere periode voorafgaand aan genoemde data) plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de invoer.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 3, omdat medeverdachte Virginie hier niet voor wordt vervolgd en de verdachte wel, terwijl zij een vergelijkbare rol hebben gehad.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geeft het openbaar ministerie de bevoegdheid zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Deze beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op de grond dat het instellen van het hoger beroep onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (waaronder het gelijkheidsbeginsel). Dat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen de medeverdachte niet te vervolgen voor feit 3 brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat daarmee het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de officier van justitie heeft toegelicht dat medeverdachte [medeverdachte] al voor drie andere feiten werd vervolgd en het openbaar ministerie bij meerdere strafbare feiten keuzes moet maken ten aanzien van welk feit vervolging wordt ingesteld. Daarmee heeft de officier van justitie voldoende toegelicht dat geen sprake is geweest van willekeur. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van dit feit, evenals de andere twee feiten.
De overige voorvragen
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat er daadwerkelijk cocaïne is ingevoerd en dat de verdachte daar een wezenlijke bijdrage aan heeft gehad. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bij dit vonnis.
Bewijsmotivering feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair
De rechtbank stelt voor alle feiten het volgende voorop. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij de inzet van drugskoeriers via Schiphol, zij doorgaans pas kort voor vertrek vanuit een bronland de verdovende middelen door iemand vanuit de organisatie overhandigd krijgen om deze te vervoeren in een koffer, die veelal vanuit de organisatie aan de koerier wordt verstrekt en dat zij vervolgens hun contactpersoon op de hoogte houden van het verloop van hun reis en zij door iemand van de organisatie worden opgehaald kort na aankomst in Nederland, zodat de koffer met drugs kan worden overgedragen. Curaçao geldt daarbij als een bronland. De koffer is veelal geprepareerd, bijvoorbeeld met een dubbele bodem. De koerier krijgt betaald na een succesvolle overdracht van (de koffer met) de drugs in Nederland. Verder is het de rechtbank ambtshalve bekend dat het boeken van de vliegtickets van de koerier door of in nauw overleg met een contactpersoon uit de organisatie plaatsvindt, terwijl de vliegtickets doorgaans door de organisatie worden betaald. De personen die betrokken zijn bij dergelijke drugstransporten gebruiken versluierde taal om met elkaar te communiceren. Ten slotte is de rechtbank er ambtshalve mee bekend dat cocaïne in pastavorm kan worden ingevoerd en dat die moet worden gedroogd voordat het gebruikt of verkocht kan worden.
Hieronder zal de rechtbank eerst de gebruikers van de telefoonnummers vaststellen om vervolgens per feit de feiten en omstandigheden uiteen te zetten, die – gegeven de hiervoor geschetste gebruikelijke gang van zaken bij drugstransporten – de conclusie kunnen dragen dat de verdachte samen met de medeverdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne.
3.3.2.1 De gebruikers van de telefoonnummers
Na de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) is er onderzoek gedaan naar zijn inbeslaggenomen telefoon met het telefoonnummer +[telefoonnummer A] (hierna: +[telefoonnummer A]). De medeverdachte heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat hij de enige gebruiker is van de onder hem in beslag genomen telefoon. De rechtbank stelt dan ook vast dat de medeverdachte de gebruiker was van het nummer +[telefoonnummer A].
Uit het onderzoek naar het communicatieverkeer van de medeverdachte is het telefoonnummer +[telefoonnummer B] (hierna: [telefoonnummer B]), opgeslagen onder de naam ‘[contactnaam B]’ in beeld gekomen. Gebleken is dat het telefoonnummer [telefoonnummer B] op naam staat van de verdachte.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten dient te worden aangemerkt als de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer B].
3.3.2.2 Feit 2 (invoer op 4 maart 2024)
Op 4 maart 2024 is [koerier A] (zijnde de zus van de verdachte, hierna: [koerier A]) met haar zoontje aangekomen op Schiphol vanuit Curaçao. Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte op 19 en 21 februari 2024 opties voor vliegtickets naar de medeverdachte doorstuurt. Een dag later, op 22 februari 2024, stuurt de verdachte aan de medeverdachte een reservering door voor [koerier A] en haar zoontje voor de vlucht op 3 maart 2024 van Curaçao naar Amsterdam. De medeverdachte heeft in drie delen in totaal € 1.050,- overgemaakt naar [koerier A]. Gelet op de hoogte van dit bedrag en de hoogte van de prijzen van de vliegtickets, gaat de rechtbank ervan uit dat dit een vergoeding voor haar vliegtickets betrof.
Op 3 maart 2024, de dag van de vlucht, vraagt de medeverdachte aan de verdachte een adres, omdat ‘hij’ (een onbekend gebleven derde) zijn broer naar laat kijken en hij de straatnaam niet heeft, waarop de verdachte aan de medeverdachte een adres ([adres A]) doorgeeft, naar de rechtbank aanneemt zijnde een adres op Curaçao.
De daaropvolgende nacht houden de verdachte en de medeverdachte contact met elkaar over de reis die [koerier A] met haar zoontje van Curaçao naar Schiphol maakt. De verdachte stuurt een foto door aan de medeverdachte met de tekst “Corendon, welkom aan boord”. Hierop reageren ze beiden met meerdere vreugdestickers. De medeverdachte geeft aan dat hij vervoer zal regelen en ze spreken af om “samen te gaan” en dat ze “alleen even moeten kijken hoe laat het land”. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte en de medeverdachte met elkaar vieren dat [koerier A] een geslaagde vlucht lijkt te gaan maken en dat ze haar samen zullen ophalen van Schiphol.
Op de telefoon van de medeverdachte zijn een tweetal foto’s gevonden, gemaakt op 4 maart 2024 om 15:25 en 15:31 uur, te weten enkele uren na de landing van [koerier A] op Schiphol. Op één van deze foto’s is een koffer met een dubbele bodem te zien, alsook een schoen. Die schoen lijkt sterk op de schoen die de medeverdachte bij zijn aanhouding aanhad, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het de medeverdachte is die naast deze koffer staat en daarover beschikte. Op de andere foto is de opengeslagen dubbele bodem van deze koffer met daarin een witte substantie te zien.
Gelet op het korte tijdsbestek tussen het afhalen van [koerier A] van Schiphol door de verdachte en de medeverdachte, het door hen uitbundig vieren van haar geslaagde incheck bij vertrek vanaf Curaçao, alsook dat er kort voor haar vertrek een adres is uitgewisseld, dat aan een derde is doorgegeven, leidt de rechtbank af dat de koffer die op deze foto’s te zien is, een door [koerier A] vanuit Curaçao meegebrachte koffer betreft. Deze koffer is kennelijk na haar aankomst op Schiphol op enig moment overhandigd aan de medeverdachte, nadat ze daar is opgehaald door de verdachte en de medeverdachte.
De medeverdachte heeft rondom 4 maart 2024 ook nauw contact gehad met een persoon genaamd [persoon A]. De medeverdachte stuurt de foto van “Corendon, welkom aan boord” die hij had ontvangen van de verdachte door aan [persoon A] met daarbij een sticker van een saluerende soldaat en met duimpjes omhoog. [persoon A] reageert hierop op 4 maart 2024 om 15:27 uur met de tekst “voordat je open bel mij”.
Op 5 maart 2024 stuurt de medeverdachte aan de verdachte dat “het ding wel goed gaat”. De verdachte vraagt de medeverdachte “of het harder wordt”, waarop de medeverdachte reageert: “we kunnen nog 6 uur zitten in de bioscoop popcorn verkopen”.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [koerier A] op 4 maart 2024 als koerier is ingezet. Haar reis werd in nauw overleg met de verdachte en de medeverdachte georganiseerd en door de medeverdachte betaald. Zij hield hen op de hoogte van haar reis, waarop de verdachte en de medeverdachte haar geslaagde vertrek onderling uitbundig vierden. Vervolgens werd zij door hen afgehaald van Schiphol en blijkt uit de door de medeverdachte gemaakte foto’s dat de medeverdachte daarop beschikte over een koffer met dubbele bodem, gevuld met een witte substantie, die pas door hem mocht worden geopend na telefonisch contact met iemand uit de organisatie. Vervolgens heeft de medeverdachte foto’s gemaakt waarop de koffer met dubbele bodem en de inhoud daarvan (een witte substantie) is vastgelegd. De dag erop hebben de verdachte en de medeverdachte het over het harder worden daarvan en dat dit droogproces nog even zal duren. De rechtbank leidt hieruit af dat de witte substantie in de koffer met de dubbele bodem cocaïne (vermoedelijk in pastavorm) betrof, en dat uit het gesprek tussen de verdachte en de medeverdachte over het drogen volgt dat de verdachte dit wist. Met dit alles acht de rechtbank bewezen dat op 4 maart 2024 sprake is geweest van een geslaagde invoer van cocaïne via Schiphol.
Medeplegen
Uit het voorgaande blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte bij de invoer van de cocaïne. Zo zocht de verdachte in nauw contact met de medeverdachte naar geschikte vliegtickets voor [koerier A] en fungeerde hij vervolgens als contactpersoon tussen de medeverdachte en de [koerier A]. Hij haalde haar met de medeverdachte op van Schiphol en was aldus betrokken bij het in ontvangst nemen van de koffer en daarmee de cocaïne. Vervolgens had de verdachte contact met de medeverdachte over het drogen van de cocaïne. De samenwerking met de medeverdachte bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
3.3.2.3 Feit 3 (invoer van 11 april 2024)
Op 11 april 2024 is [koerier A] wederom vanuit Curaçao naar Amsterdam gevlogen met haar zoontje. Uit het berichtenverkeer tussen de medeverdachte en de verdachte blijkt dat de verdachte op 27 maart 2024 opnieuw een Corendon reservering heeft doorgestuurd aan de medeverdachte, met als datum 10 april 2024 en met een totale prijs van € 648,-. De verdachte stuurt de reservering nogmaals naar de medeverdachte, maar dit keer met daarbij de passagiersgegevens doorgestreept, met daarbij de instructie: “dit stuur je dan naar je vriend”. De medeverdachte heeft op 15 april 2024 tweemaal € 238,50 overgemaakt naar [koerier A], waarmee hij kennelijk (een deel van) de reis van [koerier A] betaalde. De reservering met de doorgestreepte passagiersgegevens heeft de medeverdachte doorgestuurd aan [persoon A]. Ook worden er foto’s gedateerd 11 april 2024 op de telefoon van de medeverdachte aangetroffen van een koffer met dubbele bodem en witte sealbags die nog in de bodem van de koffer zitten. De verdachte vraagt op 14 april 2024 om een foto aan de medeverdachte. De medeverdachte stuurt een foto terug van vermoedelijk brokken cocaïne.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [koerier A] ook op 11 april 2024 verdovende middelen, te weten cocaïne, heeft ingevoerd vanuit bronland Curaçao en dat de verdachte hierbij betrokken is geweest. Wederom heeft de verdachte het vliegticket voor [koerier A] en haar zoontje geregeld, heeft hij de medeverdachte hiervan op de hoogte gesteld en heeft de medeverdachte geld overgemaakt naar [koerier A] als vergoeding voor haar reis. De medeverdachte heeft de verdachte, op zijn verzoek, enkele dagen na de invoer een foto gestuurd van een substantie waarvan de rechtbank aanneemt dat dit witte brokken cocaïne betreft. Ook zijn op de telefoon van de medeverdachte foto’s aangetroffen gedateerd van 11 april 2024 waarop witte sealbags in een koffer met dubbele bodem te zien zijn. Ook nu wordt [persoon A] op de hoogte gehouden over deze reis van [koerier A]. De rechtbank gaat er gelet op voorgaande vanuit dat [koerier A] (ook op 11 april 2024) cocaïne heeft ingevoerd en dat de cocaïne met medeweten van de verdachte is overgedragen aan de medeverdachte.
Medeplegen
Uit voorgaande vaststellingen blijkt dat [koerier A] op 11 april 2024 heeft gefungeerd als koerier in een drugstransport en dat de verdachte samen met de medeverdachte actief betrokken is geweest bij het regelen van haar reis. Er is hierbij sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte: zij hebben contact over de boeking van de vlucht van de koerier, zorgen dat een derde van de organisatie ([persoon A]) op de hoogte is van deze vlucht, hebben onderling contact over de betaling daarvan en op een later moment over de ingevoerde cocaïne. De samenwerking met de medeverdachte bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering.
De rechtbank komt daarom tot bewezenverklaring van het onder 3 primair ten laste gelegde feit.
3.3.2.4 Feit 1 (invoer op 31 januari 2024)
Op 31 januari 2024 is [koerier B] aangekomen op Schiphol vanuit Curaçao. Zij werd op 24 juni 2024 aangehouden in het onderhavige onderzoek naar vermeende drugstransporten uit Curaçao. Haar telefoon is in beslag genomen en vervolgens onderzocht. Zij heeft meerdere berichten gewisseld met de verdachte. Uit die berichten blijkt dat zij in november 2024 met de verdachte afspreekt in Rotterdam. Op 22 november 2024 stuurt [koerier B] de verdachte een foto met daarop een reservering van een vlucht naar Amsterdam met vertrek vanuit Curaçao op 30 januari 2024. De verdachte reageert hierop met een vreugdesticker. De van [koerier B] ontvangen foto stuurt de verdachte vervolgens door naar de medeverdachte.
Kort voor haar vertrek van Curaçao naar Schiphol, stuurt [koerier B] aan de verdachte een bericht dat ze aan het wachten is “dat ze me melden zodat ik kom, maar stil man”, waarop de verdachte antwoordt: “ze gaan contact met je opnemen. Kijk naar je telefoon”, waarop [koerier B] een duimpje stuurt (emoticon). Kennelijk moest er kort voor de vlucht nog iets bij [koerier B] worden afgeleverd en verliep het contact daarover vanuit de organisatie naar [koerier B] via de verdachte.
Op 30 januari 2024 bericht [koerier B] aan de verdachte dat ze van huis is weggegaan om naar het vliegveld (Hato) te gaan. Op 31 januari 2024 houdt [koerier B] de verdachte verder op de hoogte over haar vlucht en de aankomsttijd op Schiphol. Op 31 januari 2024 om 03:57 uur vraagt de medeverdachte aan de verdachte of het 1-0 is voor hen. De verdachte reageert bevestigend en ze sturen elkaar meerdere vreugdestickers, waaronder een spuitende bus WD40 met de tekst “dit loopt gesmeerd”. In de ochtend van 31 januari 2024 deelt de medeverdachte een foto met de verdachte van de vertraagde vlucht van [koerier B]. Om 14:04 uur stuurt de verdachte naar de medeverdachte: “2-0 hermano”. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat de verdachte en medeverdachte blij zijn en het als ‘gescoord’ zien dat [koerier B] een geslaagde vlucht maakt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze vreugde niet de persoon [koerier B] betreft, maar dat wat zij meeneemt naar Nederland en kort voor haar vertrek vanaf Curaçao met tussenkomst van de verdachte overhandigd heeft gekregen. Dat het de verdachte te doen is om de (inhoud van de) koffer van [koerier B], blijkt bovendien uit het navolgende.
Uit de tussen de verdachte en [koerier B] uitgewisselde berichten op 31 januari 2024 blijkt dat [koerier B] in overleg met de verdachte vanaf Schiphol met de trein naar Rotterdam is gereisd en dat de verdachte haar treinkaartje middels een tikkie heeft betaald. Ook stuurt [koerier B] dat “ze de wiel van de koffer hebben verkloot”, waarop de verdachte reageert: “als het ding zelf niet verkloot is het goed”. De verdachte spreekt vervolgens met [koerier B] af voor het station Rotterdam.
Een dag later vraagt de verdachte aan de medeverdachte om advies over het aanschaffen van een doorzichtige ovenschaal.
De dagen na aankomst hebben [koerier B] en de verdachte nog steeds contact, onder andere over dat [koerier B] nog geld zou moeten krijgen. Op 1 februari 2024 stuurt ze de verdachte het bericht: “als jullie klaar zijn voor mij, laat mij weten zodat we ontmoeten” en spreekt ze een voicemailbericht voor de verdachte in, waarin ze zegt dat ze niets van hem hoort en dat ze wil dat hij haar vandaag van de hand doet, zodat ze klaar zijn. Hierop antwoordt de verdachte haar dat [bijnaam medeverdachte] contact met haar gaat opnemen. [bijnaam medeverdachte] is de naam die de verdachte gebruikt voor de medeverdachte (zie hiervoor p. 44 van het zaaksdossier C4&C5). [koerier B] schrijft op 9 februari 2024 aan de verdachte “ik zou nog 200 euro krijgen toch, ik bracht 700 mee, ik krijg 3300”.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [koerier B] op 31 januari 2024 verdovende middelen vanaf bronland Curaçao heeft ingevoerd op Schiphol en dat zij daarvoor € 3.300,- betaald zou krijgen en dat de verdachte haar contactpersoon was voor haar koeriersdiensten. Hoewel er in tegenstelling tot de hiervoor bewezen verklaarde feiten geen foto’s zijn aangetroffen van een koffer (met een dubbele bodem) met daarin een witte substantie of andere foto’s van bijvoorbeeld brokstukken die lijken op cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat vastgesteld kan worden dat sprake is van invoer van cocaïne. Uit de vaststellingen van de hiervoor bewezen verklaarde feiten 2 en 3 blijkt namelijk dat de verdachte meermaals betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne, met telkens weer dezelfde personen. De verdachte was iedere keer betrokken bij het boeken en het betalen van de vlucht, onderhield contact met de koerier over het verloop van de vlucht en koppelde dit terug aan de medeverdachte. Dit is ook het geval geweest bij de invoer door [koerier B] op 31 januari 2024. Uit de juichende stickers, die de verdachte ook bij de feiten 2 en 3 bewezen invoeren gebruikte, en de tekst “2-0 hermano” blijkt volgens de rechtbank dat sprake is geweest van een geslaagde invoer. Net als bij feit 2, blijkt bovendien ook bij dit feit 1 dat de koerier met tussenkomst van de verdachte, kort voor haar vertrek naar vliegveld Hato bezoek heeft gehad van een derde uit de organisatie, kennelijk om de verdovende middelen bij de koerier af te leveren. Daarbij valt op dat de cocaïne(pasta) in de transporten uitgevoerd door [koerier A] (feiten 2 en 3) blijkens de foto’s in het dossier in glazen ovenschalen werden gelegd (zo de rechtbank begrijpt, om te drogen) en ook in deze zaak de ovenschaal terugkomt, namelijk omdat de verdachte in deze zaak, nadat hij [koerier B] met haar koffer heeft afgehaald van het treinstation Rotterdam, advies vraagt over het aanschaffen van een ovenschaal. Hieruit leidt de rechtbank af dat er op het treinstation te Rotterdam een overdacht van de door [koerier B] ingevoerde verdovende middelen aan de verdachte moet zijn geweest.
De verklaring van de verdachte dat de berichten tussen hem en [koerier B] gingen over door [koerier B] verrichte cateringwerkzaamheden op Curaçao, blijkt niet uit de inhoud van deze berichten en is verder op geen enkele wijze concreet gemaakt door de verdachte en wordt daarom als ongeloofwaardig ter zijde geschoven.
Medeplegen
Uit voorgaande vaststellingen blijkt dat wederom sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte bij de invoer van de cocaïne, gelet op de tussen hen gewisselde berichten rond de geslaagde reis van de koerier en de betaling van de reis en de koerier. Dit leidt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij, op 31 januari 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne.
Feit 2:
hij, op 4 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne.
Feit 3:
hij, op 11 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair:
telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet langer dan de duur van het voorarrest op te leggen. Daarbij verzoekt de raadsvrouw om de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, in combinatie met een forse taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier maanden samen met anderen bezig gehouden met de invoer van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland. Er was telkens sprake van een geslaagde invoer, waardoor geen cocaïne werd onderschept. Gelet op de overeenkomende modus operandi bij de transporten en de omstandigheid dat bij de invoer van feit 1 door de koerier werd gesproken over, zo de rechtbank begrijpt, een hoeveelheid van 700 gram, gaat de rechtbank bij het bepalen van de straf uit van 700 gram cocaïne per transport. Dit betekent een totale hoeveelheid van ongeveer 2,1 kilogram.
De cocaïne werd door twee verschillende koeriers vervoerd in hun koffer. De verdachte heeft iedere keer anderen als koerier ingezet voor zijn eigen financiële gewin en heeft daarbij onder meer tweemaal gebruik gemaakt van zijn zus, die beide keren haar jonge zoontje meenam. De verdachte liep op die manier een aanzienlijk minder risico dan de koeriers die hij inzette. Naar het oordeel van de rechtbank vervulde de verdachte een belangrijke rol in de organisatie, zo blijkt uit het berichtenverkeer. De verdachte onderhield contact met de koeriers, was betrokken bij het boeken en betalen van de vliegtickets en hij en de medeverdachte hielden elkaar op de hoogte over de reizen van de koeriers en het in handen krijgen van de koffer met verdovende middelen. De verdachte was ook betrokken bij het afleveren van de cocaïne op het adres van de koeriers op Curaçao vlak voor hun vertrek naar Nederland.
De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was dusdanig groot, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, zoals levensdelicten en witwassen. De rechtbank weegt daarnaast mee dat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en daarmee geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 12 september 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 december 2025. Hieruit volgt dat de gelet op de aard van het ten laste gelegde delict eventuele risico verhogende factoren gelegen kunnen zijn in de leefgebieden sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de verdachte een cognitieve vaardigheidstraining volgen. De reclassering kan geen inschatting maken van het recidiverisico, nu de verdachte niets wenst te zeggen over de tenlastelegging. De reclassering adviseert om bij een voorwaardelijk strafdeel meerdere bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf
De aard en de ernst van de feiten en de hoeveelheid ingevoerde cocaïne rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) Daarbij heeft zij in het bijzonder gekeken naar het gewicht van de cocaïne zoals hiervoor benoemd en de rol van de verdachte in de organisatie (categorie 2). Ook heeft de rechtbank gelet op de straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd.
De rechtbank gaat, zoals hiervoor overwogen, uit van een lagere hoeveelheid cocaïne dan de officier van justitie heeft aangehouden bij het bepalen van haar strafeis. Dit leidt dan ook tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank ziet voor het overige geen aanleiding af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten en evenmin voor een voorwaardelijk strafdeel met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals bepleit door de verdediging. De voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering kunnen, indien hier te zijner tijd behoefte aan bestaat, ook aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling worden verbonden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 3 maart 2025 geschorst tot en met de einduitspraak. De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, dan wel de verdachte opnieuw te schorsen. De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis toe, omdat er niet langer gronden zijn die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. De gronden die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag lagen, betreffen de ernstig geschokte rechtsorde en de recidivegrond. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval om oude feiten (die ruim twee jaar geleden zijn gepleegd), dat niet meer gesteld kan worden dat de rechtsorde ernstig is geschokt als de verdachte een eventueel in te stellen hoger beroep in vrijheid zou mogen afwachten Er is nadien geen sprake geweest van recidive ten aanzien van soortgelijke feiten. Om die reden kan op dit moment ook de recidivegrond niet langer worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte al geruime tijd is geschorst en die schorsing zonder problemen is verlopen. De rechtbank zal daarom het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2026.
Bijlage I
1
Primair
hij, op of omstreeks 31 januari 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair
hij, in of omstreeks de periode van 22 november 2023 tot en met 31 januari 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Rotterdam, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
- door met of één of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)(n)(en) contact te onderhouden en/of instructies te geven en/of informatie uit te wisselen over de reis van [koerier B] en/of de invoer van de verdovende middelen en/of
- door die [koerier B] instructies te geven en/of contact te onderhouden over de invoer van de verdovende middelen en/of de reis en/of de overdracht van de verdovende middelen en/of
- die [koerier B] na de invoer van de verdovende middelen af te (laten) halen;
2
Primair
hij, op of omstreeks 4 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair
hij, in of omstreeks de periode van 22 februari 2024 tot en met 4 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Rotterdam, althans in Nederland,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
- door met of één of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)(n)(en) contact te onderhouden en/of instructies te geven en/of informatie uit te wisselen over de reis
van [koerier A] en/of de invoer van de verdovende middelen en/of
- door die [koerier A] instructies te geven en/of contact te onderhouden over de invoer van de verdovende middelen en/of de reis en/of de overdracht van de
verdovende middelen en/of
- die [koerier A] na de invoer van de verdovende middelen af te (laten) halen;
3
Primair
hij, op of omstreeks 11 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair
hij, in of omstreeks de periode van 26 maart 2024 tot en met 11 april 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Rotterdam, althans in Nederland om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
- door met of één of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)(n)(en) contact te onderhouden en/of instructies te geven en/of informatie uit te wisselen over de reis van [koerier A] en/of de invoer van de verdovende middelen en/of
- door die [koerier A] instructies te geven en/of contact te onderhouden over de invoer van de verdovende middelen en/of de reis en/of de overdracht van de verdovende middelen en/of
- die [koerier A] na de invoer van de verdovende middelen af te (laten) halen.