RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
raadkamernummer : 26-002819
datum : 1 juni 2026
beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E.G.S. Rozestraten, advocaat te Utrecht (Kruisstraat 307, 3581 GK Utrecht),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de veroordeelde bij vonnis van 23 juli 2019 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 82.243,83 (hierna: betalingsverplichting). Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
De veroordeelde heeft tot 26 januari 2026, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van € 29.292,40 afbetaald.
Procedure
Op 26 januari 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoek van de veroordeelde tot kwijtschelding, althans vermindering, van de aan hem opgelegde betalingsverplichting ontvangen.
Op 20 maart 2026 heeft het CJIB schriftelijk gereageerd op het door de veroordeelde ingediende verzoek.
De rechtbank heeft op 18 mei 2026 het verzoek op de openbare terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie (mr. M. Duin), de veroordeelde en zijn raadsvrouw (mr. E.G.S. Rozestraten) gehoord.
Verzoek
Inhoud verzoek van de veroordeelde
In het verzoekschrift en ter zitting heeft de raadsvrouw namens de veroordeelde aangevoerd dat uit de overlegde stukken blijkt dat de veroordeelde nu en in de toekomst niet voldoende draagkracht heeft om het resterend te betalen bedrag van € 52.951,43 te voldoen. Hoewel er wel degelijk sprake is van welwillendheid bij de veroordeelde om het nog openstaande bedrag te voldoen, is er sprake van betalingsonmacht. Na een langdurige detentie kwam de veroordeelde met lege handen te staan. De veroordeelde heeft in de schuldhulpverlening gezeten, wat in juni 2024 is afgelopen. Hij heeft zijn overige schulden volledig afgelost. Sinds de veroordeelde uit de schuldhulpverlening is, heeft het CJIB betalingsregelingen voorgesteld (circa € 300,- per maand en het volledige vakantiegeld) die niet haalbaar zijn.
De raadsvrouw heeft ter zitting aanvullende stukken overlegd, te weten een aantal rekeningen over de periode 2024 tot en met 2026. Zij heeft onder verwijzing naar deze stukken aangevoerd dat de veroordeelde nog meer uitgaven heeft dan wat blijkt uit het kostenoverzicht zoals bijgevoegd bij het verzoekschrift. De veroordeelde zou maandelijks wel iets kunnen aflossen en heeft hiertoe ook een voorstel gedaan bij het CJIB om het maandbedrag te stellen op € 100,-. Het CJIB was hier niet mee akkoord.
Standpunt van het CJIB
Volgens het CJIB gaat de veroordeelde in zijn verzoekschrift met name in op de hoogte van het termijnbedrag in de hem toegekende betalingsregeling, maar de rechter kan geen betalingsregelingen toekennen of de hoogte van het termijnbedrag bepalen. De veroordeelde kan zich opnieuw wenden tot het CJIB om een betalingsregeling af te spreken. Verder merkt het CJIB op dat de veroordeelde nu pas een relatief korte periode daadwerkelijk afbetaalt. Van een langdurige periode waarin de veroordeelde naar maximaal vermogen betaalt, is volgens het CJIB dus nog geen sprake. Om die reden zijn de aangedragen gronden geen reden om tot kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting over te gaan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het verzoek in zijn geheel af te wijzen. De veroordeelde heeft niet voldoende onderbouwd dat zijn huidige en toekomstige draagkracht ontoereikend is om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen en het daarom moet worden kwijtgescholden of verminderd. De officier van justitie heeft daartoe allereerst opgemerkt dat de veroordeelde maandelijks een inkomen heeft. De veroordeelde heeft een uitgavenoverzicht overlegd, waaruit blijkt waar zijn inkomsten aan worden besteed. Hier staan niet noodzakelijke kosten op, zoals sigaretten en een Netflix-abonnement. Ook heeft de veroordeelde recht op toeslagen, die door hem niet worden meegenomen in zijn berekening. Er kan niet worden gesteld dat de draagkracht van de veroordeelde ontoereikend is om aan de betalingsverplichting te voldoen.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter die een betalingsverplichting heeft opgelegd op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de veroordeelde de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij hem geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de veroordeelde nu en in de toekomst in het geheel geen betalingen zou kunnen verrichten. Nog afgezien van de omstandigheid dat de veroordeelde een vast maandelijks inkomen ontvangt, heeft hij zelf aangegeven dat hij in staat is om maandelijks een bedrag aan het CJIB te voldoen (maar dat dit bedrag lager moet zijn dan voorgesteld door het CJIB). De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om de betalingsverplichting in zijn geheel kwijt te schelden. Het primaire verzoek van de raadsvrouw wijst de rechtbank daarom af.
Ook het subsidiaire verzoek tot vermindering van de betalingsverplichting wijst de rechtbank af. Voor de rechtbank is op basis van de overgelegde stukken onvoldoende inzichtelijk (i) wat de afloscapaciteit van de veroordeelde is en (ii) of dit onvoldoende is om aan de gehele betalingsverplichting te voldoen. Op zitting is gebleken dat het overgelegde kostenoverzicht zowel ten aanzien van de uitgaven als de inkomsten onvolledig is. Ten aanzien van de uitgaven heeft de verdediging betoogd dat niet alle relevante kostenposten zijn meegenomen en in dit verband ter zitting nog aanvullende stukken overgelegd (die overigens deels op 2024 zien). Ten aanzien van de inkomsten geldt dat de veroordeelde kennelijk in 2026 geen huur- en zorgtoeslag meer heeft aangevraagd, omdat hij dit in eerdere jaren gedeeltelijk moest terugbetalen. Of de veroordeelde in het geheel geen aanspraak kan maken op deze voorzieningen is de rechtbank echter niet gebleken, zodat zij aanneemt dat de veroordeelde recht heeft op deze toeslagen.
Ook anderszins kan de rechtbank niet zonder meer aannemen dat de afloscapaciteit van de veroordeelde – mede gelet op de jaren die hij tot zijn pensioengerechtigde leeftijd nog heeft te gaan – onvoldoende zal zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen. De veroordeelde heeft immers in het kader van zijn schuldenregeling substantiele bedragen aan het CJIB afgelost (die neerkomen op een hoger bedrag dan € 100 per maand) en heeft daarbij tegelijkertijd ook zijn andere schulden kunnen afbetalen.
Concluderend stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem onvoldoende draagkracht aanwezig is en zal zijn om te voldoen aan de betalingsverplichting. De rechtbank heeft op grond van het verhandelde ter zitting de indruk dat de veroordeelde financieel in een moeilijke situatie verkeert. De rechtbank geeft de veroordeelde in overweging om zich opnieuw te wenden tot het CJIB en daarbij alle relevante financiële stukken tijdig en volledig in te sturen, zodat het CJIB op basis van die stukken opnieuw een afweging kan maken en een haalbaar maandbedrag kan vaststellen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het primaire verzoek tot kwijtschelding af;
- wijst het subsidiaire verzoek tot vermindering af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. S.J. de Vries, voorzitter,
mr. A.K. Korteweg en mr. I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. W.S. Speelman, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.