RECHTBANK NOORD-HOLLAND
beslissing
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/378752 KG RK 26/419
Beslissing van 10 juni 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] ,procederend in persoon,hierna te noemen: verzoekers.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. J.W. Moors
hierna te noemen: de rechter.
1. Procesverloop
Verzoekers hebben bij e-mailbericht van 4 juni 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de volgende twee zaken:(i) de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton en Bewind, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/361369 HA ZA 25-47, (hierna te noemen: hoofdzaak 1);(ii) de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton en Bewind, locatie Alkmaar aanhangig geweest zijnde zaak met als zaaknummer C/15/352111 / HA ZA 24-252 (hierna: hoofdzaak 2).
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2. De beoordeling
Op verzoek van een partij kan een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Uit de hiervoor geciteerde wettelijke bepaling volgt dat: (i) een rechter kan worden gewraakt als deze belast is met de behandeling van een zaak en (ii) een rechter kan worden gewraakt tot het moment dat hij in die zaak einduitspraak heeft gedaan. Na de einduitspraak is de zaak niet meer aanhangig en niet meer onder behandeling bij de betreffende rechter.
Het in de twee hoofdzaken gedane wrakingsverzoek voldoet niet aan deze voorwaarden. De wrakingskamer legt per hoofdzaak uit waarom.
hoofdzaak 1
De rechter tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, is niet belast met de behandeling van hoofdzaak 1. Deze zaak wordt behandeld door mr. J.S. Reid. Voor zover verzoekers veronderstellen dat de rechter als president van de rechtbank kan beslissen over (de voortgang van) hoofdzaak 1, is dit onjuist. De president van de rechtbank heeft geen enkele inhoudelijke bemoeienis met de behandeling van individuele zaken, tenzij hij in een zaak zelf de behandeld rechter is. Omdat de rechter niet met de behandeling van de zaak is belast, kan hij niet worden gewraakt.
hoofdzaak 2
Hoofdzaak 2 is niet meer bij de rechtbank aanhangig, omdat in die zaak op 18 maart 2026 einduitspraak is gedaan. Nog afgezien daarvan was de rechter tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, evenmin belast met de behandeling van hoofdzaak 2.slotsom
Het voorgaande brengt mee dat de wrakingskamer niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het in beide hoofdzaken gedane wrakingsverzoek. De wrakingskamer zal verzoekers daarom niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.
Hoewel in de beide hoofdzaken verplichte procesvertegenwoordiging geldt, ziet de wrakingskamer geen aanleiding verzoekers een termijn te geven om het verzoek door een advocaat te laten ondertekenen. Het voorgaande kan namelijk niet tot een ander oordeel leiden als het verzoek alsnog door een advocaat zou worden ondertekend.wrakingsverbod
De wrakingskamer ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vijfde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door een wrakingsverbod aan verzoekers op te leggen in hoofdzaak 1. De wrakingskamer legt uit waarom zij dit doet. Op 12 mei 2026 hadden verzoekers ook een wrakingsverzoek ingediend in hoofdzaak 1 en de wrakingskamer heeft hen op 2 juni 2026 niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek. Verzoekers hebben nu voor de tweede keer in hoofdzaak 1 gebruik gemaakt van het wrakingsmiddel en dit ingezet tegen een rechter die niet eens belast is met de behandeling van de zaak. Verzoekers hebben aldus het wrakingsmiddel lichtzinnig gebruikt dan wel maken daarvan misbruik.
3. Beslissing
De rechtbank
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek,
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekers in hoofdzaak 1 niet in behandeling wordt genomen,
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de rechter en de wederpartijen in de hoofdzaken een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. W.C. Oosterbroek en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.