RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-173311-24 (P)
Uitspraakdatum: 1 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],
feitelijk verblijvende te [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S.E. Bauduin en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman (mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam) naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1: het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland op 27 mei 2024 te Schiphol, subsidiair het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de periode daaraan voorafgaand ten behoeve van die invoer;
Feit 2: het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland op 5 mei 2024 te Schiphol;
Feit 3: het medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland op 4 maart 2024 te Schiphol, subsidiair het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de periode daaraan voorafgaand ten behoeve van die invoer.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd ten aanzien van het medeplegen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de invoer op 27 mei 2024 (het onder feit 1 primair ten laste gelegde) op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de koerier [koerier A] en de verdachte. Ook is er onvoldoende bewijs dat de verdachte zich als pleger schuldig heeft gemaakt aan de invoer. De raadsman heeft ook vrijspraak verzocht ten aanzien van de voorbereidingshandelingen (het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde), omdat de verdachte hier niet bij betrokken is geweest.
Ten aanzien van de invoer op 5 mei 2024 (feit 2) en de invoer op 4 maart 2024 (het onder feit 3 primair ten laste gelegde) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat sprake is geweest van een geslaagde invoer van cocaïne. Daarnaast is er volgens de raadsman geen sprake van medeplegen.
Ook van de voorbereidingshandelingen die onder feit 3 subsidiair ten laste zijn gelegd dient de verdachte te worden vrijgesproken omdat hij hier geen betrokkenheid bij heeft gehad.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bij dit vonnis.
Bewijsmotivering feiten 1 primair, 2 en 3 primair
Hieronder zal de rechtbank eerst de gebruikers van de telefoonnummers vaststellen om vervolgens per feit de feiten en omstandigheden uiteen te zetten, die de conclusie kunnen dragen dat de verdachte (samen met (in elk geval) één medeverdachte) zich schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne.
3.3.2.1 De gebruikers van de telefoonnummers
Na de aanhouding van de verdachte is er onderzoek gedaan naar de onder hem inbeslaggenomen telefoon met het telefoonnummer +[telefoonnummer A] (hierna: [telefoonnummer A]). De verdachte heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat hij de enige gebruiker is van deze telefoon. De rechtbank stelt daarom vast dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer A] was.
Uit het onderzoek naar het communicatieverkeer van de verdachte is het telefoonnummer [telefoonnummer B] (hierna: [telefoonnummer B]), opgeslagen onder de naam ‘[contactpersoon B]’ in beeld gekomen. Gebleken is dat het telefoonnummer [telefoonnummer B] op naam staat van [medeverdachte] en hij als de gebruiker van dat telefoonnummer moet worden aangemerkt.
3.3.2.2 Feit 1 (invoer op 27 mei 2024)
Op 27 mei 2024 heeft [koerier A] vanuit Curaçao cocaïne in Nederland ingevoerd, door onder haar kleding ter hoogte van haar borsten een duwersbol met cocaïne te dragen. In een dubbele bodem van haar koffer is daarnaast een pakket met cocaïne in pastavorm aangetroffen. Het gaat om ongeveer 1,5 kilogram netto cocaïne in totaal. De vraag is of de verdachte als medepleger bij deze invoer van cocaïne betrokken is geweest.
Uit onderzoek naar de telefoons van [koerier A] en de verdachte is gebleken dat de twee nauw in contact stonden voorafgaand en tijdens de reis. Op 20 mei 2024 heeft [koerier A] de verdachte gevraagd of hij het hotel de nacht voor vertrek naar Curaçao wil betalen. Op 22 mei 2024 in de nacht meldt [koerier A] aan de verdachte dat zij is aangekomen.
Op 27 mei 2024 om 06:58 uur geeft [koerier A] aan dat zij is aangekomen (op Schiphol) en reageert de verdachte dat hij onderweg is. Diezelfde dag omstreeks 10:00 uur is de verdachte aangehouden op Schiphol, waarbij hij heeft verklaard dat hij [voornaam koerier A] (de voornaam van [koerier A]) kwam ophalen. Uit het onderzoek naar zijn telefoon is daarnaast gebleken dat de verdachte op 18 mei 2024 aan zijn contact ‘[contactpersoon B]’ een reisschema heeft doorgestuurd dat overeenkomt met de reis die [koerier A] heeft gemaakt. Ook heeft de verdachte contact gehad met een persoon genaamd ‘[persoon A]’, waarbij de verdachte op 27 mei via spraakberichten heeft gevraagd of “zij het kan wegstoppen” en de verdachte dat “ze het tussen haar borsten heeft gestopt”.
De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande blijkt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [koerier A] bij de invoer van cocaïne in Nederland. De verdachte heeft gedurende de reis contact met [koerier A] onderhouden, haar instructies gegeven en haar in contact gebracht met anderen. Ook is hij naar Schiphol gereisd om haar op te halen. Hij heeft voorafgaand aan haar reis haar reisschema gedeeld met een derde en heeft, zo interpreteert de rechtbank de spraakberichten, met weer een ander gesproken over de verstopplek bij [koerier A] van de duwersbol. Zijn verklaring dat hij [koerier A] wilde ophalen vanwege een seksafspraak en verder niets wist van de invoer van cocaïne wordt, gelet op het voorgaande, als ongeloofwaardig ter zijde geschoven.
De rechtbank acht de rol van de verdachte, gelet op het belang daarvan bij het organiseren van het drugstransport door [koerier A] naar Nederland, van dusdanig gewicht dat sprake is van medeplegen en komt daarom tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. De rechtbank gaat daarbij uit van de totale hoeveelheid cocaïne die is aangetroffen bij [koerier A] (dus zowel de duwersbol als de koffer). Het is immers zeer onaannemelijk dat [koerier A] naast de duwersbol – waarover de verdachte specifiek communiceerde – voor zichzelf of een andere organisatie een pakket cocaïne in haar koffer meenam. De rechtbank rekent dit pakket dan ook toe aan de organisatie waar de verdachte deel van uit heeft gemaakt.
3.3.2.3 Feit 2 (invoer op 5 mei 2024)
Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte en zijn vrouw [naam echtgenote] op 5 mei 2024 op de luchthaven Schiphol zijn aangekomen. Op de telefoon van de verdachte is een screenshot aangetroffen van het reisschema voor een vlucht van Curaçao naar Amsterdam op 4 mei 2024 en een foto van de verdachte en zijn vrouw [naam echtgenote] in een vliegtuig, gemaakt op 4 mei 2024 om 23:07 uur. Op de camerabeelden van Schiphol is te zien dat de verdachte en zijn vrouw op 5 mei om 08.35 uur door de douanecontrole op Schiphol lopen met twee grote en twee kleine koffers. De verdachte heeft rondom 5 mei 2024 telefonisch contact onderhouden met ‘[persoon A]’. De verdachte heeft om 08:49 uur, dus vlak na het passeren van de douanecontrole op Schiphol, juichende stickers gestuurd naar [persoon A]. Om 18:16 uur stuurde de verdachte [persoon A] foto’s van twee opengeslagen koffers en van een doorzichtige ovenschaal met daarin een witte substantie. Op de foto van de koffers is een schoen te zien die overeenkomt met de schoenen die de verdachte aan had bij zijn aankomst op Schiphol en die hij ook aan had bij zijn aanhouding
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte op 5 mei 2024 op zijn reis van Curaçao naar Amsterdam verdovende middelen heeft ingevoerd. Gelet op de witte substantie die te zien is op de foto en de juichende stickers die hij uitwisselt met [persoon A] vlak na aankomst op Schiphol, gaat de rechtbank ervan uit dat dit cocaïne betreft. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de verdachte onder feit 1 is veroordeeld voor het enkele weken later medeplegen van de invoer van cocaïne vanuit eveneens Curaçao naar Amsterdam en dus kennelijk over een netwerk beschikte dat cocaïne ter beschikking kon stellen (waarbij de naam [persoon A] bij beide feiten terugkomt).
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen biedt dat er bij deze invoer sprake is geweest van medeplegen. Weliswaar blijkt uit het onderzoek dat de verdachte de reis samen met zijn vrouw [naam echtgenote] heeft gemaakt en het slagen van het drugstransport direct deelde via berichten met een ander, maar deze omstandigheden zijn op zichzelf van onvoldoende gewicht om vast te kunnen stellen dat de verdachte nauw en bewust met (een van) hen heeft samengewerkt. Om die reden spreekt de rechtbank de verdachte vrij ten aanzien van het medeplegen.
3.3.2.4 Feit 3 (invoer op 4 maart 2024)
De rechtbank stelt voor feit 3 het volgende voorop. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij de inzet van drugskoeriers via Schiphol, zij doorgaans pas kort voor vertrek vanuit een bronland de verdovende middelen door iemand vanuit de organisatie overhandigd krijgen om deze te vervoeren in een koffer, die veelal vanuit de organisatie aan de koerier wordt verstrekt en dat zij vervolgens hun contactpersoon op de hoogte houden van het verloop van hun reis en zij door iemand van de organisatie worden opgehaald kort na aankomst in Nederland, zodat de koffer met drugs kan worden overgedragen. Curaçao geldt daarbij als een bronland. De koffer is veelal geprepareerd, bijvoorbeeld met een dubbele bodem. De koerier krijgt betaald na een succesvolle overdracht van (de koffer met) de drugs in Nederland. Verder is het de rechtbank ambtshalve bekend dat het boeken van de vliegtickets van de koerier door of in nauw overleg met een contactpersoon uit de organisatie plaatsvindt, terwijl de vliegtickets doorgaans door de organisatie worden betaald. De personen die betrokken zijn bij dergelijke drugstransporten gebruiken versluierde taal om met elkaar te communiceren. Ten slotte is de rechtbank er ambtshalve mee bekend dat cocaïne in pastavorm kan worden ingevoerd en dat die moet worden gedroogd voordat het gebruikt of verkocht kan worden.
Op 4 maart 2024 is [koerier B] (zijnde de zus van de medeverdachte, hierna: [koerier B]) met haar zoontje aangekomen op Schiphol vanuit Curaçao. Uit het procesdossier blijkt dat de medeverdachte op 19 en 21 februari 2024 opties voor vliegtickets naar de verdachte doorstuurt. Een dag later, op 22 februari 2024, stuurt de medeverdachte aan de verdachte een reservering door voor [koerier B] en haar zoontje voor de vlucht op 3 maart 2024 van Curaçao naar Amsterdam. De verdachte heeft in drie delen in totaal € 1.050,- overgemaakt naar [koerier B]. Gelet op de hoogte van dit bedrag en de hoogte van de prijzen van de vliegtickets, gaat de rechtbank ervan uit dat dit een vergoeding voor haar vliegtickets betrof.
Op 3 maart 2024, de dag van de vlucht, vraagt de verdachte aan de medeverdachte een adres, omdat ‘hij’ (een onbekend gebleven derde) zijn broer naar “laat kijken” en hij de straatnaam niet heeft, waarop de medeverdachte aan de verdachte een adres ([adres B]) doorgeeft, naar de rechtbank aanneemt zijnde een adres op Curaçao.
De daaropvolgende nacht houden de verdachte en de medeverdachte contact met elkaar over de reis die [koerier B] met haar zoontje van Curaçao naar Schiphol maakt. De medeverdachte stuurt een foto door aan de verdachte met de tekst “Corendon, welkom aan boord”. Hierop reageren ze beiden met meerdere vreugdestickers. De verdachte geeft aan dat hij vervoer zal regelen en ze spreken af om “samen te gaan” en dat ze “alleen even moeten kijken hoe laat het land”. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte en de medeverdachte met elkaar vieren dat [koerier B] een geslaagde vlucht lijkt te gaan maken en dat ze haar samen zullen ophalen van Schiphol.
Op de telefoon van de verdachte zijn een tweetal foto’s gevonden, gemaakt op 4 maart 2024 om 15:25 en 15:31 uur, te weten enkele uren na de landing van [koerier B] op Schiphol. Op één van deze foto’s is een koffer met een dubbele bodem te zien, alsook een schoen. Die schoen lijkt sterk op de schoen die de verdachte bij zijn aanhouding aanhad, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het de verdachte is die naast deze koffer staat en daarover beschikte. Op de andere foto is de opengeslagen dubbele bodem van deze koffer met daarin een witte substantie te zien.
Gelet op het korte tijdsbestek tussen het afhalen van [koerier B] van Schiphol door de verdachte en de medeverdachte, het door hen uitbundig vieren van haar geslaagde incheck bij vertrek vanaf Curaçao, alsook dat er kort voor haar vertrek een adres is uitgewisseld, dat aan een derde is doorgegeven, leidt de rechtbank af dat de koffer die op deze foto’s te zien is, een door [koerier B] vanuit Curaçao meegebrachte koffer betreft. Deze koffer is kennelijk na haar aankomst op Schiphol op enig moment overhandigd aan de verdachte, nadat ze daar is opgehaald door de verdachte en de medeverdachte.
De verdachte heeft rondom 4 maart 2024 ook nauw contact gehad met een persoon genaamd [persoon B]. De verdachte stuurt de foto van “Corendon, welkom aan boord” die hij had ontvangen van de medeverdachte door aan [persoon B] met daarbij een sticker van een saluerende soldaat en met duimpjes omhoog. [persoon B] reageert hierop op 4 maart 2024 om 15:27 uur met de tekst “voordat je open bel mij”.
Op 5 maart 2024 stuurt de verdachte aan de medeverdachte dat “het ding wel goed gaat”. De medeverdachte vraagt de verdachte “of het harder wordt”, waarop de verdachte reageert: “we kunnen nog 6 uur zitten in de bioscoop popcorn verkopen”.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [koerier B] op 4 maart 2024 als koerier is ingezet. Haar reis werd in nauw overleg met de verdachte en de medeverdachte georganiseerd en door de verdachte betaald. Zij hield hen op de hoogte van haar reis, waarop de verdachte en de medeverdachte haar geslaagde vertrek onderling uitbundig vierden. Vervolgens werd zij door hen afgehaald van Schiphol en blijkt uit de door de verdachte gemaakte foto’s dat hij daarop beschikte over een koffer met dubbele bodem, gevuld met een witte substantie, die pas door hem mocht worden geopend na telefonisch contact met iemand uit de organisatie. Vervolgens heeft de verdachte foto’s gemaakt waarop de koffer met dubbele bodem en de inhoud daarvan (een witte substantie) is vastgelegd. De dag erop hebben de verdachte en de medeverdachte het over het harder worden daarvan en dat dit droogproces nog even zal duren. De rechtbank leidt hieruit af dat de witte substantie in de koffer met de dubbele bodem cocaïne (vermoedelijk in pastavorm) betrof, en dat uit het gesprek tussen de verdachte en de medeverdachte over het drogen volgt dat de verdachte dit wist. Met dit alles acht de rechtbank bewezen dat op 4 maart 2024 sprake is geweest van een geslaagde invoer van cocaïne via Schiphol.
Medeplegen
Uit het voorgaande blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte bij de invoer van cocaïne. Zo zocht de medeverdachte in nauw contact met de verdachte naar geschikte vliegtickets voor [koerier B] en gebruikte de verdachte de medeverdachte als contactpersoon tussen hem en [koerier B]. Hij haalde haar samen met de medeverdachte op van Schiphol en was aldus betrokken bij het in ontvangst nemen van de koffer en daarmee de cocaïne. Vervolgens had de verdachte contact met de medeverdachte over het drogen van de cocaïne. De samenwerking met de medeverdachte bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1 primair:
hij, op 27 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne;
Feit 2:
hij op 5 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne;
Feit 3 primair:
hij, op 4 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en feit 3:
Telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet langer dan de duur van het voorarrest op te leggen. Daarbij verzoekt de raadsman om de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, in combinatie met een forse taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drie maanden samen met anderen bezig gehouden met de invoer van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland. De rechtbank gaat ervan uit dat dit in totaal ongeveer 2,8 kilogram betrof. Bij de invoer van 27 mei 2024 is in totaal ongeveer 1,5 kilogram cocaïne aangetroffen. Bij de invoer van 5 mei en 4 maart 2024 was telkens sprake van een geslaagde invoer en werd geen cocaïne onderschept. In het voordeel van de verdachte zal de rechtbank voor het bepalen van de strafmaat voor deze transporten aansluiten bij het gewicht dat wordt genoemd in een andere zaak van de medeverdachte (zaaksdossier C3, betreffende een invoer op 11 april 2024), te weten 700 gram, nu de modus operandi in alle zaaksdossiers grote gelijkenissen vertoont.
De cocaïne werd door verschillende koeriers vervoerd. De verdachte heeft bij twee van de drie transporten anderen als koerier ingezet voor zijn eigen financiële gewin. De verdachte liep op die manier een aanzienlijk minder risico dan de koeriers. Naar het oordeel van de rechtbank vervulde de verdachte een belangrijke rol in de organisatie, zo blijkt uit het berichtenverkeer. De verdachte was betrokken bij het boeken en betalen van de vliegtickets van de koeriers en had daarover contact met iemand in de organisatie, betaalde reiskosten en hij en de medeverdachte hielden elkaar op de hoogte over de reizen van de koeriers en het in handen krijgen van de koffer met verdovende middelen. De verdachte was ook betrokken bij het afleveren van de cocaïne op het adres van de koeriers op Curaçao vlak voor hun vertrek naar Nederland.
De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was dusdanig groot, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, zoals levensdelicten en witwassen. De rechtbank weegt daarnaast mee dat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en daarmee geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 13 april 2026, waaruit blijkt dat hij één keer eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Het betreft een oudere veroordeling, wat maakt dat de rechtbank deze niet in het nadeel van de verdachte mee zal wegen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 december 2025. Hieruit volgt dat de reclassering mogelijke risicofactoren ziet in de financiële situatie en het sociale netwerk van de verdachte. De leefgebieden huisvesting, partnerrelatie en dagbesteding zijn stabiel. De reclassering beschikt over onvoldoende informatie om het recidiverisico in te kunnen schatten. De reclassering adviseert bij een voorwaardelijk strafdeel meerdere bijzondere voorwaarden op te leggen.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. Als dat niet lukt en die termijn wordt overschreden, dan kan de rechtbank bepalen dat de straf wordt verminderd.
De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 mei 2024, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon hij ervan uitgaan dat hij zou worden vervolgd. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en vijf dagen verstreken.
De verdachte heeft wel enige tijd in voorarrest gezeten, maar is vanaf 20 januari 2025 op vrije voeten gekomen en heeft dus vooral in vrijheid op de behandeling van zijn strafzaak gewacht. Het uitgangspunt is dan dat de redelijke termijn 24 maanden is. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn met vijf dagen is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is zeer beperkt. Dit leidt daarom niet tot een lagere straf.
De op te leggen straf
De aard en de ernst van de feiten en de hoeveelheid ingevoerde cocaïne rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarbij heeft zij in het bijzonder gekeken naar het gewicht van de cocaïne zoals hiervoor benoemd en de rol van de verdachte in de organisatie (categorie 2). Ook heeft de rechtbank gelet op de straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd.
De rechtbank gaat, zoals hiervoor overwogen, uit van een lagere hoeveelheid cocaïne dan de officier van justitie heeft aangehouden bij het bepalen van haar strafeis. Dit leidt dan ook tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank ziet voor het overige geen aanleiding af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten en evenmin voor een voorwaardelijk strafdeel met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals bepleit door de verdediging. De verdachte heeft zelf geen directe hulpvragen en de voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering kunnen, indien hier te zijner tijd behoefte aan bestaat, ook aan een voorwaardelijke invrijheidsstelling worden verbonden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 20 januari 2025 geschorst tot en met de einduitspraak. De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, dan wel de verdachte opnieuw te schorsen. De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis toe, omdat er niet langer gronden zijn die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. De enige grond die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag lag, betreft de ernstig geschokte rechtsorde. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval om oude feiten (die ruim twee jaar geleden zijn gepleegd) dat niet meer gesteld kan worden dat de rechtsorde ernstig is geschokt als de verdachte een eventueel in te stellen hoger beroep in vrijheid zou mogen afwachten. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de verdachte al geruime tijd is geschorst en die schorsing zonder problemen is verlopen. Om die reden zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.
artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2026.
Bijlage I
1
Primair hij, op of omstreeks 27 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Subsidiair
hij, in of omstreeks de periode van 5 mei 2024 tot en met 27 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of ‘s-Gravenhage, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid vande Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- een koerier, te weten [koerier A], op te halen van het vliegveld en/of- met die [koerier A] contact te onderhouden en/of afspraken te maken omtrent de reis en/of- met één of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)(n)(en) contact te onderhouden en/of instructies te geven over de invoer van de verdovende middelen en/of de reis van die [koerier A] en/of het ophalen van die [koerier A];
2 hij op of omstreeks 5 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
Primair hij, op of omstreeks 4 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wetSubsidiairhij, in of omstreeks de periode van 22 februari 2024 tot en met 4 maart 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of‘s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door- door met of één of meer medeverdachte(n) en/of perso(o)(n)(en) contact te onderhouden en/of instructies te geven en/of informatie uit te wisselen over de reis van [koerier B] en/of de invoer van de verdovende middelen en/of- door die [koerier B] instructies te geven en/of contact te onderhouden over de invoer van de verdovende middelen en/of de reis en/of de overdracht van de verdovende middelen en/of- die [koerier B] na de invoer van de verdovende middelen af te (laten) halen.