RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11676895 \ CV EXPL 25-2830
Uitspraakdatum: 8 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser], pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kind, [minderjarige],
beiden wonende te [plaats] (Verenigde Staten)
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de buitenlandse vennootschap
Swiss International Air Lines AG Swiss International Air Lines SA Swiss International Air Lines Ltd
gevestigd te Basel (Zwitserland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij en mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een ‘ramp congestion’. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 9 juli 2023 vervoeren van John F. Kennedy International Airport, New York (Verenigde Staten), via Zurich Airport (Zwitserland), naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtnummers LX17 en LX724.
De vervoerder heeft vlucht LX17 van New York naar Zurich (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. Hierdoor hebben de passagiers de overstap gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waardoor zij met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2023, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de vlucht vertraagd is uitgevoerd door de late aankomst van de voorgaande vlucht (code 93) en een gebrek aan luchthavenfaciliteiten (code 87Y). De vervoerder doet alleen een beroep op buitengewone omstandigheden voor het gedeelte van de vertraging veroorzaakt door een gebrek aan luchthavenfaciliteiten. Na de betwisting van de passagiers bij conclusie van repliek heeft de vervoerder bij conclusie van dupliek het een en ander opgehelderd. De vervoerder heeft bij conclusie van dupliek aangevoerd dat het toestel werd verhinderd bij vertrek vanwege de drukte op het platform. Er was onvoldoende ruimte voor het toestel was om zich te bewegen van en naar de afhandelingsplaats (de gate) op luchthaven in New York. Er was geen ruimte voor een veilige ‘push back’, aldus de vervoerder. Dit verweer heeft de vervoerder voor het eerst bij conclusie van dupliek naar voren gebracht. De vervoerder heeft niet toegelicht waarom hij dit voor het eerst in dupliek heeft ingenomen en gesteld noch gebleken is dat hij dit niet al bij conclusie van antwoord naar voren heeft kunnen brengen. Hiertoe is hij op grond van de in artikel 128 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde vereiste concentratie van verweer gehouden. Nu hij dat heeft nagelaten, is dit verweer tardief. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer voorbij gaan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vervoerder heeft onvoldoende toegelicht en aangetoond dat de vlucht is vertraagd door een buitengewone omstandigheid. Weliswaar heeft hij een vluchtrapport overgelegd, waaruit blijkt dat de vlucht door een ‘ramp congestion’ vertraagd werd. Echter heeft hij, gelet op de gemotiveerde betwisting van de passagiers, onvoldoende inzicht gegeven over wat de omstandigheden rondom de ‘ramp congestion’. De vervoerder heeft ook geen verweer gevoerd tegen de stelling van passagiers over de mogelijke invloed van de late aankomst van de voorgaande vlucht op het niet beschikbaar zijn een ramp. Er kan daarom niet geconcludeerd worden dat de vertraging het gevolg is van een buitengewone omstandigheid. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De kantonrechter komt derhalve niet toe aan de bespreking van de overige verweren en alle redelijke maatregelen. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van €1.417,80 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 10 juli 2023, en over € 217,80 vanaf 3 februari 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 217,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter