RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11623491 \ CV EXPL 25-2146
Uitspraakdatum: 15 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
buitenlandse vennootschap
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. J. Nooij en mr. N. van der Graaf (Russell advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de gemiste overstap op de aansluitende vlucht is veroorzaakt door het toedoen van de passagiers. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 17 maart 2023 vervoeren van Ministro Pistrani Airport, Buenos Aires (Argentinië), via Frankfurt International Airport (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtnummers LH511 en LH992.
De vervoerder heeft vlucht LH511 van Buenos Aires naar Frankfurt (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hierdoor de aansluitende vlucht gemist. De vervoerder heeft hen omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waardoor de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2023, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder voert aan dat de passagiers de overstap hebben gemist door hun eigen toedoen. Uit het vluchtrapport blijkt dat vlucht LH511 oorspronkelijk om 10:10 uur UTC zou landen op luchthaven Frankfurt, maar de vlucht is uiteindelijk, met 6 minuten vertraging, om 10:16 uur UTC geland. De passagiers hadden daardoor 54 minuten om de overstap te halen. De minimale connectietijd (MCT) op luchthaven Frankfurt is 45 minuten. Uit het vluchtrapport van vlucht LH922 blijkt dat de deuren om 11:42 uur UTC sloten. Dat betekent dat de passagiers om 11:01 uur UTC, ruim voordat de deuren sloten, in het vliegtuig hadden kunnen zitten. De gemiste overstap is daarom niet te wijten aan de vervoerder. De vordering dient daarom afgewezen te worden, aldus de vervoerder.
De passagiers betwisten dit. De MCT van 45 minuten was niet van toepassing op de passagiers en de vervoerder heeft haar stellingen met betrekking tot de MCT ook niet onderbouwt. Er bestaat niet zoiets als een standaard MCT. Het hangt namelijk af van verschillende factoren, zoals de terminals waar je op overstapt, of je door de douane moet en meer. Er zijn een aantal omstandigheden die kunnen leiden tot een MCT van 45 minuten, maar de passagiers zouden overstappen van een intercontinentale vlucht op een intra-Europese vlucht. In dit geval was er in maart 2023 een MCT van 60 minuten van toepassing. De passagiers hebben een overzicht van Lennoc overgelegd waaruit dit blijkt. Daarnaast hebben de passagiers een artikel Lufthansa Group overgelegd. In dit artikel staat dat vluchten met een standaard MCT van 45 of 50 minuten een andere MCT zullen krijgen. Hieronder valt niet vluchten met een overstap van een intercontinentale vlucht op een intra-Europese vlucht, zoals in dit geval. De stelling dat de passagiers een MCT hadden van 45 minuten is daarom onjuist. De vervoerder heeft daarnaast niet aangetoond met stukken hoe laat de deuren van vlucht LH511 zijn geopend. Ook niet hoe laat de gate van vlucht LH992 is gesloten. De passagiers hebben er alles aan gedaan om de overstap te halen, maar gelet op de vertraging van vlucht LH511 en de korte MCT is het hen niet gelukt. De vervoerder heeft geen buffertijd ingepland, aangezien de werkelijke MCT 60 minuten was, aldus de passagiers.
Bij conclusie van dupliek heeft de vervoerder aangevoerd dat de MCT, zoals passagiers stellen, inderdaad 60 minuten was. Uit navraag blijkt dat het boarden om 12:33 uur (lokale tijd) sloot. Dit betekent dat zij 1 uur en 17 minuten hadden om de aansluitende vlucht te halen. Volgens de vervoerder moet er niet gekeken worden naar de geplande tijd, maar naar de werkelijke tijd. In dit geval hadden de passagiers 1 uur en 17 minuten overstaptijd en dat was voldoende om de aansluitende vlucht te halen. Het missen van de aansluitende vlucht is dus door de passagiers zelfs veroorzaakt.
De kantonrechter overweegt dat niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen dan wel te beperken. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de vervoerder in zijn vluchtplanning redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op een eventuele vertraging. Daarbij moet in een bepaalde reservetijd worden voorzien. De kantonrechter acht een buffer van ten minste 20 minuten noodzakelijk. De vervoerder heeft bij conclusie van dupliek aangegeven dat de minimale connectietijd op luchthaven Frankfurt inderdaad 1 uur was. De overstaptijd tussen de twee vluchten van de passagiers was ook 1 uur. Overigens heeft de vervoerder nagelaten om aan te tonen hoe laat de deuren van vlucht LH511 waren geopend. Dit had, gelet op de betwisting van de passagiers, op de weg gelegen van de vervoerder. Daarmee is vast komen te staan dat hij onvoldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen dan wel te beperken. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, namelijk € 217,80 (inclusief btw).
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.417,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 17 maart 2023, en over € 217,50 vanaf 19 december 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 434,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter