RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378879 / JU RK 26-909
Datum uitspraak: 9 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 juni 2026.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft op een crisisplek.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] woonde bij haar vader. [de minderjarige] heeft aangegeven dat er bij haar vader sprake was van structureel verbaal en fysiek geweld naar haar toe. Om deze reden is [de minderjarige] weggelopen van huis en verblijft ze sinds 13 mei 2026 op een crisisplek. Daarnaast heeft [de minderjarige] suïcidale gedachtes en heeft ze een suïcidepoging gedaan. [de minderjarige] heeft moeder pas sinds kort weer contact met haar moeder. Ze kan niet bij haar moeder wonen. De vader herkent de zorgen over de suïcidaliteit van [de minderjarige] niet en kan zich niet vinden in de uitspraken van [de minderjarige] over huiselijk geweld. De vader geeft geen toestemming voor een langer verblijf van [de minderjarige] op de crisisplek. De plaatsing op de crisisplek loopt af op 9 juni 2026. [de minderjarige] wil en kan niet naar huis en er zijn op dit moment geen mogelijkheden voor plaatsing in het eigen netwerk of bij de moeder. Er is nog niks veranderd in de onveiligheid (die [de minderjarige] ervaart) bij de vader thuis. [de minderjarige] geeft aan niet terug te willen naar vader en bang voor hem te zijn. Hier moet verder onderzoek naar worden gedaan. De machtiging uithuisplaatsing is nodig om haar verblijfplek te kunnen borgen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de Raad om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De Raad, de GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 9 juni 2026 tot 9 september 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 juni 2026 tot 7 juli 2026;
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
roept de Raad en de GI op voor de zitting van mr. B.M.A. Bataille op [datum] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door
mr. E.G. van Roest, kinderrechter, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.