RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaatsen Haarlemmermeer en Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.142916.21
Uitspraakdatum: 10 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 mei 2026 (Haarlemmermeer) en 27 mei 2026 (Haarlem) in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren [in] 1991 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.F. Hof, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
feit 1
in of omstreeks de periode van 18 april 2021 tot en met 2 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine(olie), zijnde methamfetamine en/of amfetamine(olie) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
op of omstreeks 3 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 630 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en/of ongeveer 100 liter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(olie), zijnde methamfetamine en/of amfetamine(olie) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3
op of omstreeks 3 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten hagelgeweer (met daarbij horende munitie), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe (kort samengevat) betoogd dat op basis van het dossier kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen vanaf 18 april 2021 in een drugslaboratorium in een bedrijfspand in Wormer metamfetamine heeft vervaardigd (feit 1) en op 3 mei 2021 in dat drugslaboratorium ruim 100 liter vloeistof bevattende metamfetamine aanwezig heeft gehad (feit 2). Het onder feit 2 ten laste gelegde verwijt dat de verdachte samen met anderen ook nog 630 gram materiaal bevattende metamfetamine aanwezig heeft gehad, vindt de officier van justitie niet bewezen. Zij heeft gerekwireerd tot vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging. De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot vrijspraak van feit 3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Het verweer voor de feiten 1 en 2 komt er in de kern op neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de conclusie dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het drugslaboratorium en de daar aanwezige vloeistoffen bevattende metamfetamine, laat staan dat hij daarbij als medepleger betrokken is geweest en een bijdrage heeft geleverd aan het productieproces om metamfetamine te vervaardigen. De observaties bij het bedrijfspand en de vingersporen en het DNA-bewijs vindt de verdediging hiervoor onvoldoende redengevend. Daarom moet vrijspraak volgen.
De verdediging heeft zich verder aangesloten bij de standpunten van de officier van justitie over de feiten 2 (voor zover het gaat om de 630 gram materiaal bevattende metamfetamine) en 3 en bepleit dat de verdachte bij gebrek aan bewijs van deze feiten wordt vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak bezit 630 gram metamfetamine (feit 2 partieel) en bezit wapen (feit 3)
De rechtbank is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een bakje met daarin 630 gram materiaal bevattende metamfetamine (feit 2 partieel) en het voorhanden hebben van een hagelgeweer met bijbehorende munitie (feit 3). De politie heeft deze voorwerpen op 3 mei 2021 aangetroffen in de bedrijfsruimte van het pand in Wormer waarin zich een drugslaboratorium bevond. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte een meer of mindere mate van bewustheid had dat het bakje met drugs en het wapen in die bedrijfsruimte lagen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van deze verwijten.
Vrijspraak vervaardigen en bezit metamfetamine(olie) (feiten 1 en 2)
Drugslaboratorium in bedrijfspand
Op 3 mei 2021 heeft de politie een drugslaboratorium aangetroffen in een bedrijfspand aan de [adres] in Wormer. Dat laboratorium bevond zich in de bedrijfsruimte op de begane grond van het pand. Daar stond op een werkbank een destillatieopstelling met kolven van twintig liter om vloeistoffen met daarin metamfetamine(olie) te zuiveren ten behoeve van het verdere productieproces tot het eindproduct crystal meth. Het drugslaboratorium was tijdens de politie-inval niet in werking, maar gelet op wat de politie aantrof, kan worden vastgesteld dat op enig moment voorafgaand aan de inval materiaal met daarin metamfetamine(olie) in het laboratorium is vervaardigd. Zo was de destillatieopstelling in het drugslaboratorium aangesloten op water en elektriciteit en bevond zich in één van de kolven nog ongeveer zeven liter olieachtige vloeistof met daarin metamfetamine. De politie vond in het drugslaboratorium meerdere emmers en vaten, waarin in totaal meer dan 109 liter vloeistof bevattende metamfetamine(olie) zat. Verder lagen er in het drugslaboratorium allerlei (gebruikte) laboratoriummaterialen, grondstoffen en chemicaliën die nodig zijn voor het productieproces van synthetische drugs als metamfetamine.
Bij de inval in het bedrijfspand trof de politie één persoon aan: [medeverdachte D]. Hij bevond zich in de bedrijfsruimte waar ook het drugslaboratorium werd aangetroffen. De politie deed al langer onderzoek naar [medeverdachte D]. Lopende dat onderzoek bleek dat [medeverdachte D] gebruikmaakte van een witte bestelbus en kwam in april 2021 het bedrijfspand in Wormer bij de politie in beeld. Dat was voor de politie reden om het bedrijfspand te observeren. Tijdens deze observaties in de ten laste gelegde periode heeft de politie een aantal personen bij het bedrijfspand gezien. Eén van hen was de verdachte. Hij heeft het bedrijfspand in de ten laste gelegde periode meerdere keren betreden.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of op grond van het dossier kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het vervaardigen en/of het aanwezig hebben van materiaal bevattende metamfetamine(olie) in het drugslaboratorium in het bedrijfspand, waarvan zijn vader eigenaar was. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank vindt deze feiten onvoldoende bewezen. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte hiervan zal vrijspreken. De rechtbank zet hieronder uiteen hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Observaties
Op basis van de observaties bij het bedrijfspand kan worden vastgesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode op vier dagen bij het bedrijfspand is geweest en dat pand heeft betreden. Het gaat om de dagen van 30 april tot en met 3 mei 2021. Op 30 april 2021 was de verdachte minimaal vier uren in het bedrijfspand en verliet hij dat pand om 17.32 uur via de algemene toegangsdeur. Op 1 mei 2021 arriveerde de verdachte om 13.08 uur met zijn motor bij het pand. De verdachte betrad via de toegangsdeur het pand en kwam na een paar minuten weer naar buiten via dezelfde deur. De verdachte sleutelde vervolgens even aan zijn motor, betrad weer het pand via de toegangsdeur en verliet het pand enkele minuten later om daarna met zijn motor weg te rijden. Op 2 mei 2021 was de verdachte weer kort bij het bedrijfspand. Hij kwam om 19.40 uur aan bij het pand, ging via de toegangsdeur naar binnen en vertrok een minuut later alweer. Op 3 mei 2021 was de verdachte voor het laatst bij het bedrijfspand. Hij kwam daar om 12.39 uur aan, betrad het pand via de toegangsdeur en vertrok ongeveer een half uur later.
De verdachte heeft op de zitting (kort samengevat) verklaard dat zijn vader in de ten laste gelegde periode de eigenaar was van het bedrijfspand en hij de bedrijfsruimte gebruikte voor opslag van zijn speedboot en om die speedboot op te knappen. Op de bovenverdieping van het pand bevond zich een woongedeelte. Daar werd in de ten laste gelegde periode geklust door de verdachte en [medeverdachte D]. Verder gebruikte de verdachte een bergruimte op de bovenverdieping om gereedschappen te bewaren. De verdachte heeft erkend dat hij op de vier momenten bij het pand is geweest. Op 30 april 2021 was de verdachte in het pand om te klussen in de keuken op de bovenverdieping. Op de andere dagen was de verdachte maar kort bij het pand om gereedschappen uit de bergruimte te halen en aan zijn motorfiets te sleutelen. De verdachte heeft ontkend dat hij deze dagen in de bedrijfsruimte is geweest, noch dat hij wetenschap had van het drugslaboratorium daar.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte een legitieme reden had om in de ten laste gelegde periode bij het bedrijfspand van zijn vader te zijn. Zijn enkele (soms zeer korte) aanwezigheid bij dat pand acht de rechtbank daarom niet zonder meer redengevend voor het bewijs van de wetenschap van de verdachte van het drugslaboratorium in het pand en zijn betrokkenheid bij het productieproces in dat laboratorium. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de verdachte tijdens de observaties gebruik heeft gemaakt van de algemene toegangsdeur van het pand en niet van de roldeur die direct toegang gaf tot de bedrijfsruimte. De algemene toegangsdeur van het bedrijfspand leidde (via een kleine hal) naar zowel het woongedeelte op de bovenverdieping als de bedrijfsruimte op de begane grond. Omdat er geen bewijs is dat de verdachte ook de roldeur heeft gebruikt, geeft dit geen uitsluitsel over de vraag of de verdachte zich in de ten laste gelegde periode in de bedrijfsruimte heeft bevonden. In die zin kan het door de verdediging geschetste scenario, dat de verdachte in de ten laste gelegde periode alleen op de bovenverdieping is geweest, naar het oordeel van de rechtbank niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven.
DNA-bewijs
Dit leidt tot de vraag of het dossier ander bewijs bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het drugslaboratorium en bij het productieproces in dat drugslaboratorium betrokken was. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De politie heeft in een asbak in de keuken op de bovenverdieping een sigaret aangetroffen. Uit de bemonstering van deze sigaret is een DNA-profiel van één persoon verkregen, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit profiel. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte donor is geweest van het DNA op de sigaret. Dit resultaat past echter bij het door de verdediging geschetste scenario, dat de verdachte in de ten laste gelegde periode alleen op de bovenverdieping is geweest en daar een sigaret heeft gerookt en zegt niets over zijn wetenschap dan wel betrokkenheid bij het drugslaboratorium.
De politie heeft verder in de bedrijfsruimte bij de destillatieopstelling een map gevonden met daarin wat losse pagina’s en een notitieblok. De politie heeft beschreven dat op enkele pagina’s aantekeningen stonden over het productieproces van synthetische drugs, zoals metamfetamine. Op de voorzijde van het tweede vel van het notitieblok zijn twee vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij het notitieblok mogelijk tijdens het klussen op de bovenverdieping heeft aangeraakt of gebruikt, waarna het door een ander is verplaatst. De rechtbank is van oordeel dat nu het gaat om een verplaatsbaar voorwerp, waarop bovendien geen DNA van de verdachte is aangetroffen, maar wel DNA van anderen, niet buiten redelijke twijfel kan worden uitgesloten dat het notitieblok door een ander dan de verdachte naar het drugslaboratorium is verplaatst. De rechtbank acht het aantreffen van de vingerafdrukken van de verdachte op een vel papier van het notitieblok daarom in dit geval van onvoldoende gewicht om hem in het drugslaboratorium te plaatsen en voor het bewijs van zijn wetenschap en betrokkenheid. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat onduidelijk is gebleven wat de aantekeningen op de pagina’s precies inhielden en op welke pagina’s die aantekeningen precies stonden, in het bijzonder of er ook belastende aantekeningen over het productieproces van metamfetamine op de pagina met de vingerafdrukken van de verdachte stonden.
Slotsom
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het drugslaboratorium en als medepleger betrokken was bij het vervaardigen van metamfetamine(olie) in dat drugslaboratorium (feit 1) of het daar aanwezig hebben van meer dan 100 liter vloeistof met daarin metamfetamine(olie) (feit 2). De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden geven weliswaar te denken en kunnen belastend worden uitgelegd, maar zonder nader bewijs, dat ontbreekt, zijn deze feiten en omstandigheden onvoldoende specifiek om daaruit conclusies te kunnen trekken over de wetenschap en (de mate van) de betrokkenheid van de verdachte. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de verdachte van de feiten 1 en 2 zal vrijspreken.
4. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder de feiten 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juni 2026.