ECLI:NL:RBNHO:2026:6893

ECLI:NL:RBNHO:2026:6893

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 10-06-2026
Zaaknummer 15.143161.21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden voor het vervaardigen van metamfetamine(olie) in een drugslaboratorium op locatie 1 (feit 1) en het daar aanwezig hebben van meer dan 100 liter vloeistof met daarin metamfetamine(olie) (feit 2). Vrijspraak van het bezit van 630 gram metamfetamine kristallen (feit 2) en een hagelgeweer met bijbehorende munitie (feit 5) op die locatie. Ook vrijspraak van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen tot het plegen van Opiumwetfeiten (feit 3) en het aanwezig hebben van diverse harddrugs (feit 4) ten aanzien van locatie 2.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaatsen Haarlemmermeer en Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.143161.21 (P)

Uitspraakdatum: 10 juni 2026

Tegenspraak ex artikel 279 Sv

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 mei 2026 (Haarlemmermeer) en 27 mei 2026 (Haarlem) in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [in] 1990 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.F. Hof, en van wat de gemachtigd raadsman van de verdachte, mr. W. van Vliet, advocaat te Diemen, naar voren heeft gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

feit 1

in of omstreeks de periode van 18 april 2021 tot en met 2 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine(olie), zijnde methamfetamine en/of amfetamine(olie) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

op of omstreeks 3 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 630 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en/of ongeveer 100 liter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(olie), zijnde methamfetamine en/of amfetamine(olie) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3

in of omstreeks de periode van 6 april 2021 tot en met 2 mei 2021 te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een aantal goederen/middelen voorhanden heeft gehad, (waaronder onder meer)

• een plastic emmer, wit (inhoudende 2 schenkbekers en/of 2 blauwe Multi scheppen en/of 2 houten stokken met witte uitslag en/of een staafmixer en/of

• een jerrycan methanol (helder) en/of

• een zak actieve kool en/of

• een emmer met hexamethylenetetramine en/of

• een groene krat, merk Evers (met diverse chemicaliën bestaande uit 4 flessen isopropanol en/of een fles merkloos tekst IRA en/of 2 flessen tetrahydrofuran en/of een zak Sodium iodide 99% en/of natriumthiosulfat pentahydrat en/of lithium aluminium hydride) en/of

• diverse erlenmeyers (laboratorium glaswerk, waaronder erlenmeyer groot en/of erlenmeyer middelgroot 3000 ml en/of erlenmeyer klein 500 ml en/of erlenmeyer klein 1000 ml),

voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

feit 4

op of omstreeks 3 mei 2021 te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocïne, ongeveer 2,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde MDMA en/of cocaïne en/of methamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 5

op of omstreeks 3 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten hagelgeweer (met daarbij horende munitie), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe (kort samengevat) betoogd dat op basis van het dossier kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen vanaf 18 april 2021 in een drugslaboratorium in een bedrijfspand in Wormer metamfetamine heeft vervaardigd (feit 1) en op 3 mei 2021 in dat drugslaboratorium ruim 100 liter vloeistof bevattende metamfetamine aanwezig heeft gehad (feit 2). Het onder feit 2 ten laste gelegde verwijt dat de verdachte samen met anderen ook nog 630 gram materiaal bevattende metamfetamine aanwezig heeft gehad, vindt de officier van justitie niet bewezen. Zij heeft gerekwireerd tot vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging. De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot vrijspraak van de feiten 3, 4 en 5.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Het verweer voor de feiten 1 en 2 komt er in de kern op neer dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de conclusie dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het drugslaboratorium en de daar aanwezige vloeistoffen bevattende metamfetamine, laat staan dat hij daarbij als medepleger betrokken is geweest en een bijdrage heeft geleverd aan het productieproces om metamfetamine te vervaardigen. De observaties bij het bedrijfspand en het DNA-bewijs vindt de verdediging hiervoor onvoldoende redengevend. Daarom moet vrijspraak volgen.

De verdediging heeft zich verder aangesloten bij de standpunten van de officier van justitie over de feiten 2 (voor zover het gaat om de 630 gram materiaal bevattende metamfetamine), 3, 4 en 5 en bepleit dat de verdachte bij gebrek aan bewijs van deze feiten wordt vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak strafbare voorbereidingshandelingen en bezit harddrugs (feiten 3 en 4)

De rechtbank is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder de feiten 3 en 4 ten laste is gelegd. De verdachte wordt onder deze feiten verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen tot het plegen van Opiumwetfeiten (feit 3) en tevens het aanwezig hebben van diverse harddrugs (feit 4) in een woning in Halfweg. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende concrete feiten en aanknopingspunten bevat voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten. Het dossier bevat dan ook onvoldoende bewijs voor de conclusie dat de verdachte zich aan voorbereidingshandelingen en het aanwezig hebben van de harddrugs heeft schuldig gemaakt. De rechtbank zal de verdachte daarom hiervan vrijspreken.

Vrijspraak bezit 630 gram metamfetamine (feit 2 partieel) en bezit wapen (feit 5)

De rechtbank is, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat ook niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een bakje met daarin 630 gram materiaal bevattende metamfetamine (feit 2 partieel) en het voorhanden hebben van een hagelgeweer met bijbehorende munitie (feit 5). De politie heeft deze voorwerpen op 3 mei 2021 aangetroffen in de bedrijfsruimte van het pand in Wormer waarin zich een drugslaboratorium bevond. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte een meer of mindere mate van bewustheid had dat het bakje met drugs en het wapen in die bedrijfsruimte lagen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van deze verwijten.

Bewezenverklaring vervaardigen en bezit metamfetamine(olie) (feiten 1 en 2)

Drugslaboratorium in bedrijfspand

Op 3 mei 2021 heeft de politie een drugslaboratorium aangetroffen in een bedrijfspand aan de [adres] in Wormer. Dat laboratorium bevond zich in de bedrijfsruimte op de begane grond van het pand. Daar stond op een werkbank een destillatieopstelling met kolven van twintig liter om vloeistoffen met daarin metamfetamine(olie) te zuiveren ten behoeve van het verdere productieproces tot het eindproduct crystal meth. Het drugslaboratorium was tijdens de politie-inval niet in werking, maar gelet op wat de politie aantrof, kan worden vastgesteld dat op enig moment voorafgaand aan de inval materiaal met daarin metamfetamine(olie) in het laboratorium is vervaardigd. Zo was de destillatieopstelling in het drugslaboratorium aangesloten op water en elektriciteit en bevond zich in één van de kolven nog ongeveer zeven liter olieachtige vloeistof met daarin metamfetamine. De politie vond in het drugslaboratorium meerdere emmers en vaten, waarin in totaal meer dan 109 liter vloeistof bevattende metamfetamine(olie) zat. Verder lagen er in het drugslaboratorium allerlei (gebruikte) laboratoriummaterialen, grondstoffen en chemicaliën die nodig zijn voor het productieproces van synthetische drugs als metamfetamine.

Bij de inval in het bedrijfspand trof de politie één persoon aan: [medeverdachte D]. Hij bevond zich in de bedrijfsruimte waar ook het drugslaboratorium werd aangetroffen. De politie deed al langer onderzoek naar [medeverdachte D]. Lopende dat onderzoek bleek dat [medeverdachte D] gebruikmaakte van een witte bestelbus en kwam in april 2021 het bedrijfspand in Wormer bij de politie in beeld. Dat was voor de politie reden om het bedrijfspand te observeren. Tijdens deze observaties in de ten laste gelegde periode heeft de politie een aantal personen bij het bedrijfspand gezien. Eén van hen was de verdachte. Hij heeft het bedrijfspand in de ten laste gelegde periode meerdere keren betreden.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of op grond van het dossier kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het vervaardigen en/of het aanwezig hebben van materiaal met daarin metamfetamine(olie) in het drugslaboratorium in het bedrijfspand. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en komt tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis. De rechtbank zet hieronder uiteen hoe zij tot deze conclusie is gekomen.

Observaties

Op basis van de observaties bij het bedrijfspand kan worden vastgesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode op drie dagen bij het bedrijfspand is geweest, dat pand heeft betreden, bij laad- en losactiviteiten betrokken was en elk van die dagen enige tijd binnen is geweest voordat hij het pand weer verliet en vertrok. Het gaat om de dagen van 30 april, 1 mei en 3 mei 2021, kort voor de politie-inval. Uit de observaties van deze dagen blijkt voor de verdachte het volgende.

Op 30 april 2021 zag de politie dat de verdachte rond het middaguur met de witte bestelbus naar het bedrijfspand reed en daar parkeerde bij de roldeur die direct toegang gaf tot de bedrijfsruimte waar het drugslaboratorium zich bevond. Vervolgens werd eerst de roldeur geopend en daarna door de verdachte van binnenuit de achterdeur van de bestelbus, waarna er enkele minuten laad- en losactiviteiten plaatsvonden. Tijdens dat laden en lossen verliet de verdachte de bestelbus niet. [medeverdachte D] kwam hierbij wel in beeld en sloot na het laden en lossen de achterdeur van de bestelbus en ook de roldeur van de bedrijfsruimte. De verdachte reed daarna met de bestelbus achtereenvolgens naar locaties in Zwanenburg, Amsterdam en Zaandijk, om uiteindelijk rond 16.30 uur terug te keren bij het bedrijfspand. Daar parkeerde hij de bestelbus en betrad hij het pand via de algemene toegangsdeur, die van binnenuit voor hem werd geopend. De verdachte was hierna bijna anderhalf uur in het bedrijfspand en vertrok uiteindelijk weer via de toegangsdeur.

Op 1 mei 2021 zag de politie dat de verdachte rond 9.15 uur met een zware tas aankwam bij het bedrijfspand en dat pand betrad via de voor hem geopende toegangsdeur. Even later, om 9.57 uur, verlieten de verdachte, [medeverdachte D] en een onbekende man het bedrijfspand via de toegangsdeur en liepen zij naar de witte bestelbus, die voor het bedrijfspand stond geparkeerd. Vervolgens vonden er vier minuten lang laad- en losactiviteiten plaats. Daarbij bleef [medeverdachte D] dit keer in de bestelbus en brachten de verdachte en de onbekende man vanuit de bestelbus voorwerpen het bedrijfspand binnen. Na dit laden en lossen sloot [medeverdachte D] de toegangsdeur van het bedrijfspand af en vertrokken de drie mannen in de bestelbus en een personenauto.

Op 3 mei 2021 arriveerde de verdachte rond 6.00 uur bij het bedrijfspand en betrad hij het pand weer via de voor hem geopende toegangsdeur. Ruim een uur later, om 7.08 uur, zag de politie dat de roldeur van de bedrijfsruimte opende en een man vandaaruit naar de witte bestelbus liep en deze bestelbus achteruit de bedrijfsruimte inreed, waarna de roldeur weer sloot. Ruim twee uren later, om 9.22 uur, opende de roldeur weer en reed de verdachte de witte bestelbus naar buiten, parkeerde hij deze voor het pand en stapte hij uit. Een minuut later verliet [medeverdachte D] het bedrijfspand via de toegangsdeur en vertrok hij met de bestelbus. Om 10.35 uur keerde [medeverdachte D] terug met de bestelbus bij het bedrijfspand en betrad hij via de toegangsdeur het pand. Een fractie later arriveerde ook de verdachte weer bij het pand en ging hij via de toegangsdeur naar binnen. Kort daarna, om 10.43 uur, vertrok de verdachte via de toegangsdeur en bleef [medeverdachte D] in het pand achter.

Bij het gebruik van deze observaties en de waardering ervan voor de bewijsvoering komt voor de rechtbank betekenis toe aan het feit dat de verdachte geen enkele reden had om aanwezig te zijn bij het bedrijfspand. De verdachte heeft daarvoor geen verklaring gegeven, niet bij de politie en ook niet tijdens de zitting. De rechtbank betrekt in dit verband bij de bewijsvoering tevens dat de verdachte niet alleen gebruik heeft gemaakt van de algemene toegangsdeur van het pand, maar ook van de roldeur die direct toegang gaf tot de bedrijfsruimte waarin het drugslaboratorium zich bevond. Daarmee kan de verdachte in de ten laste gelegde periode bij het drugslaboratorium in de bedrijfsruimte worden geplaatst.

DNA-bewijs

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte als medepleger bij het productieproces in het drugslaboratorium betrokken is geweest, zijn verder de bevindingen van het sporenonderzoek van belang. De politie heeft tijdens het onderzoek in de bedrijfsruimte in een prullenbak een paar blauwe wegwerphandschoenen aangetroffen. Hierop zijn sporen van metamfetamine gevonden. Uit de bemonstering van de handschoenen is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen, waaruit een hoofdprofiel kon worden afgeleid, met een frequentie van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-hoofdprofiel. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte donor is geweest van het DNA-hoofdprofiel op de wegwerphandschoenen. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op deze handschoenen. De rechtbank gaat er op grond van het bewijs dan ook van uit dat de verdachte de wegwerphandschoenen heeft gedragen tijdens het vervaardigen van metamfetamine(olie) in het laboratorium.

Slotsom

Op grond van al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het vervaardigen van materiaal met daarin metamfetamine(olie) in het drugslaboratorium (feit 1) en het daar aanwezig hebben van dat materiaal, namelijk meer dan 100 liter vloeistof met daarin metamfetamine(olie) (feit 2). De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen, bij het ontbreken van enige verklaring van de verdachte, tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat hij een uitvoerende rol heeft gehad bij het productieproces in het drugslaboratorium. De rechtbank concludeert dat de bijdrage van de verdachte als uitvoerder van voldoende gewicht was om tot bewezenverklaring van het verweten medeplegen van deze feiten te komen. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan, met dien verstande dat hij:

feit 1

in de periode van 18 april 2021 tot en met 2 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine(olie);

feit 2

op 3 mei 2021 te Wormer, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 100 liter van een materiaal bevattende metamfetamine(olie).

Wat aan de verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Strafmotivering

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte, gelet op enerzijds de ernst van de feiten en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en anderzijds de overschrijding van de redelijke termijn, te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden en een geldboete van € 30.000.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie te hoog is, gelet op de rol van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht meer dan de officier van justitie rekening te houden met de persoon van de verdachte, zijn ondergeschikte rol en de overschrijding van de redelijke termijn, en dit in stafmatigende zin bij de strafoplegging te betrekken. Gelet hierop heeft de verdediging verzocht een taakstraf op te leggen, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Op die manier worden beschermende factoren, zoals het hebben van een woning, werk en inkomen, niet doorkruist. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de mogelijkheid om bij de samenloop van feiten, zoals in deze zaak aan de orde, per feit een taakstraf van de maximale duur van 240 uren op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst feiten

De verdachte heeft zich in april en mei 2021 samen met één of meer anderen schuldig gemaakt aan het vervaardigen en het aanwezig hebben van (een vloeistof met daarin) metamfetamine(olie). Dat gebeurde in een drugslaboratorium in een bedrijfspand in Wormer. In het drugslaboratorium werd geproduceerde metamfetamineolie gezuiverd om vervolgens op een andere locatie te kunnen worden gekristalliseerd tot het eindproduct crystal meth. De verdachte was als uitvoerder en medepleger betrokken bij het productieproces in het drugslaboratorium en had daarmee een essentiële rol in het geheel. Wel houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte als uitvoerder een meer ondergeschikte rol had.

De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote risico’s voor mens en milieu met zich. Het is algemeen bekend dat metamfetamine (crystal meth) erg verslavend is en dat het gebruik ervan de gezondheid van de gebruikers enorm aantast. De productie van en de handel in synthetische drugs gaat verder gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft met zijn gedrag bijgedragen aan deze keten van criminaliteit. Met de productie van en de handel in synthetische drugs kunnen grote winsten worden gemaakt. De verdachte heeft bij de politie en de rechtbank geen enkele verantwoording afgelegd voor zijn gedrag. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin en zich niet heeft bekommerd om de schadelijke gevolgen voor anderen en het milieu.

Uitgangspunt strafoplegging

De ernst en de omvang van de feiten en de rol van de verdachte maken dat de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twintig maanden passend vindt. De rechtbank heeft daarbij gelet op straffen die rechters doorgaans in vergelijkbare zaken opleggen. De rechtbank ziet in de volgende strafmatigende factoren aanleiding om tot een iets andere strafoplegging te komen.

Strafmatigende factoren

In de verschillende strafdoelen die met strafoplegging zijn gediend, ziet de rechtbank een eerste strafmatigende factor. Vanuit het oogpunt van vergelding, normbevestiging en ook algemene preventie (namelijk het signaal naar anderen dat deze ernstige feiten niet onbestraft blijven) is een gevangenisstraf van langere duur gerechtvaardigd. Dat heeft de rechtbank hiervoor uitgelegd. Dit zou meebrengen dat de verdachte voor langere tijd naar de gevangenis moet. Toch zal de rechtbank daarvoor niet kiezen. Het gaat in deze zaak om een onderzoek naar een feitencomplex van vijf jaren geleden. De verdachte is enkele weken na de ontdekking van het drugslaboratorium aangehouden en heeft toen vanwege deze zaak één dag in verzekering doorgebracht. Hij is daarna door de officier van justitie heengezonden, dus zonder toezicht en zonder voorwaarden. Sindsdien is de verdachte niet opnieuw met politie of justitie in aanraking gekomen. Hij heeft zijn leven de afgelopen vijf jaren voortgezet en verder opgebouwd. De rechtbank heeft van zijn raadsman begrepen dat de verdachte een woning, werk en inkomen heeft. Al met al ziet de rechtbank voldoende beschermende factoren om een delictvrij leven te leiden. Dat betekent dat de rechtbank vanuit het oogpunt van speciale preventie (namelijk een signaal dat de verdachte ervan moet weerhouden nogmaals de fout in te gaan) weinig toegevoegde waarde ziet in het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank betrekt dit in strafmatigende zin bij de strafoplegging, in die zin dat zij reden ziet om de beoogde gevangenisstraf met twee maanden te matigen en die gevangenisstraf daarnaast voor een groot deel voorwaardelijk op te leggen.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank ook het tijdsverloop in deze zaak mee. In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bij de uitleg van dit grondrecht wordt als uitgangspunt genomen dat een strafzaak bij de rechtbank, in het geval de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake was van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 9 juni 2021, de dag van de inverzekeringstelling van de verdachte. Tot aan dit vonnis, op 10 juni 2026, is een periode van vijf jaren verstreken, terwijl er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die dit lange tijdsverloop verklaren. Het gaat weliswaar om een onderzoek met een omvangrijk einddossier en met meerdere verdachten, maar het onderzoek was niet zodanig complex, dat dit een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van het uitgangspunt van een redelijke termijn van twee jaren en dat die redelijke termijn in deze zaak met drie jaren is overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Om die reden zal de rechtbank de op te leggen straf met nog eens twee maanden matigen.

Slotsom

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van zestien maanden, met aftrek van de dag inverzekeringstelling, passend en geboden. De rechtbank zal bepalen dat tien maanden van deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd. Daaraan zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals de raadsman die op de zitting naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen reden voor verdere strafmatiging of de keuze voor een andere strafmodaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte de rechtbank onvoldoende over zijn persoonlijke omstandigheden geïnformeerd om in zijn geval af te wijken van het uitgangspunt van oplegging van een gevangenisstraf. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte eerdere vragen van de politie over zijn persoonlijke omstandigheden niet heeft willen beantwoorden en hij ook niet op de zitting is verschenen om vragen van de rechtbank hierover te beantwoorden. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten om in het voordeel van de verdachte één of meer taakstraffen op te leggen in plaats van een gevangenisstraf.

De rechtbank overweegt tot slot dat zij, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, naast de op te leggen gevangenisstraf niet ook nog een geldboete aan de verdachte zal opleggen. De rechtbank ziet daarvoor namelijk onvoldoende aanleiding.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder de feiten 3, 4 en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met bevel dat van deze straf een deel van 10 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze opgelegde straf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juni 2026.

[Bewijsmiddelenbijlage]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.M.C. de Haan
  • mr. H.H.E. Boomgaart
  • mr. H. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand