RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11723935 \ CV EXPL 25-1563 (rvk)
Vonnis van 8 januari 2026
in de zaak van
de stichting Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,
te Rijswijk,
eisende partij,
hierna te noemen: het Waarborgfonds,
gemachtigde: mr. M. Koreman,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
niet verschenen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Op 14 juni 2023 is met een auto (een Volkswagen Polo) die op naam stond van [naam] (hierna: [naam] ), een aanrijding veroorzaakt. De auto is op een parkeerterrein tegen een van rechts komende auto (een Volvo V50) aangereden.
De Volkswagen Polo was niet verzekerd tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid (WAM).
Het Waarborgfonds heeft de eigenaar van de Volvo schadeloos gesteld. Het gaat om de schade aan de auto van € 5.040,- (cascoschade), € 102,25 expertisekosten, € 37,05 kosten rechtshulp en € 35,36 aan wettelijke rente.
Het Waarborgfonds heeft zowel [gedaagde] als [naam] schriftelijk aansprakelijk gesteld. In de brief van 3 november 2023 aan [gedaagde] schrijft het Waarborgfonds dat hij als feitelijke bestuurder van de Volkswagen Polo een aanrijding heeft veroorzaakt en daarom aansprakelijk is voor de schade aan de Volvo. Het waarborgfonds schrijft verder dat hij het aan de benadeelde partij uitgekeerde schadebedrag van € 5.214,93 aan het Waarborgfonds moet vergoeden. In brief van dezelfde dag aan [naam] schrijft het Waarborgfonds dat ook zij aansprakelijk is voor de schade, maar dan omdat zij als kentekenhouder van de Volkswagen heeft nagelaten de auto te verzekeren tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid en dat het Waarborgfonds gerechtigd is de schade op [naam] te verhalen.
[naam] heeft met het Waarborgfonds gebeld en gezegd dat zij ten tijde van de aanrijding niet de bestuurder was. Ook [gedaagde] heeft gebeld en ook hij heeft gezegd dat hij niet de bestuurder was.
Het Waarborgfonds heeft daarna nog verschillende brieven en e-mails verzonden en om betaling verzocht. Noch [naam] , noch [gedaagde] , hebben aan het Waarborgfonds betaald.
Het Waarborgfonds is tegen zowel [naam] als [gedaagde] een procedure begonnen met als inzet dat het Waarborgfonds de uitgekeerde schadevergoeding wil verhalen op [naam] en [gedaagde] .
Op de zitting van 4 december 2025 is tussen het Waarborgfonds en [naam] een schikking getroffen en de procedure tegen [naam] is daarmee geëindigd. Het Waarborgfonds heeft de vordering tegen [gedaagde] gehandhaafd.
3. Het geschil
Het Waarborgfonds vordert, na vermindering van eis, betaling van een bedrag van € 3.984,19. Het Waarborgfonds vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.
Het Waarborgfonds legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding de bestuurder was en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door geen voorrang te verlenen. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade als gevolg van de aanrijding.
De auto was niet verzekerd tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid en het Waarborgfonds heeft daarom de benadeelde partij schadeloos gesteld.
Het Waarborgfonds heeft een verhaalsrecht op de aansprakelijke personen. [gedaagde] is aansprakelijk en moet dus het bedrag van de schadeloosstelling van € 5.214,93 aan Stichting Waarborgfonds vergoeden. Omdat [gedaagde] , ondanks dat hij is aangeschreven niet tot betaling is overgegaan, maakt het Waarborgfonds ook aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 769,26. Het Waarborgfonds heeft daarnaast recht op de wettelijke rente. Omdat met [naam] een schikking is getroffen, heeft het Waarborgfonds de vordering tegen [gedaagde] verminderd met een bedrag van € 2.000,-.
4. De beoordeling
Tegen [gedaagde] is verstek verleend omdat hij, ondanks dat de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, niet in de procedure is verschenen. Omdat [naam] wel in de procedure is verschenen, zij heeft namelijk een conclusie van antwoord ingediend en zij is op de zitting verschenen, wordt dit vonnis op grond van artikel 140 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak beschouwd.
De vordering tegen [gedaagde] komt niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het Waarborgfonds worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
163,69
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.519,69
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.214,93 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2023 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 769,26 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.519,69, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.