RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/107275-25
Uitspraakdatum: 29 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 15 januari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich – samengevat – heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1
medeplegen van afpersing van [benadeelde partij 1] in Sint Pancras op 6 oktober 2024;
Feit 2
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 1] in Sint Pancras op 6 oktober 2024;
Feit 3
medeplegen van afpersing van [benadeelde partij 2] in Sint Pancras op 9 oktober 2024;
Feit 4
medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [benadeelde partij 3] in Zuid-Scharwoude op 6 november 2024;
Feit 5
medeplegen van afpersing van [benadeelde partij 3] in Zuid-Scharwoude op 6 november 2024;
Feit 6
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 3] in Zuid-Scharwoude op 6 november 2024;
Feit 7
medeplegen van bedreiging met de dood en/of zware mishandeling van [benadeelde partij 4] in Sint Pancras op 7 december 2024;
Feit 8
medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [benadeelde partij 5] in Zuid-Scharwoude op 19 december 2024;
Feit 9
medeplegen van afpersing van [benadeelde partij 5] in Zuid-Scharwoude op 19 december 2024;
Feit 10
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 5] in Zuid-Scharwoude op 19 december 2024.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 1 partieel moet worden vrijgesproken van het geweld zoals onder het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging is opgenomen (te weten het slaan van het slachtoffer met ijzeren honkbalknuppels).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 7 ten laste gelegde feit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van de verdachte niet als medeplegen kan worden aangemerkt, maar hooguit als medeplichtigheid (wat niet is tenlastegelegd). Ten aanzien van feit 1 meent ook de raadsvrouw dat partiële vrijspraak voor het eerste gedachtestreepje moet volgen zoals de officier van justitie vorderde. Ten aanzien van de andere ten laste gelegde feiten heeft zij geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Bewijs
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 7
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen ter verwezenlijking van het grondfeit, in dit geval bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling. Dit is alleen gerechtvaardigd als de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Het accent ligt hierbij op de samenwerking en niet zozeer op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.
Bij de beoordeling of sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich op een datingapp voorgedaan als “ [naam] ”. De aangever heeft via deze app een afspraak gemaakt met “ [naam] ” om elkaar op zaterdag 7 december 2024 om 21.00 uur te ontmoeten op het [straat] in Sint Pancras. Toen de aangever daar arriveerde, stond de verdachte hem, samen met twee medeverdachten, op te wachten en zijn twee van hen in de richting van de aangever gerend. De aangever heeft kunnen wegrennen en is in zijn auto gestapt. In de auto werd de aangever meerdere keren door “ [naam] ” gebeld en werd zijn voicemail ingesproken. Hierbij werden onder meer de bewoordingen “ik steek je dood” geuit.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij en zijn mededaders deze date geregeld hadden en zij in de chatgroep vooraf plannen voor de ontmoeting hebben besproken, waaronder dat als de aangever niet zou meewerken, ze hem zouden bedreigen en zouden zeggen “als je wat zegt of geluid maakt, steek ik je dood”. De verdachte heeft verder toegegeven dat hij op de afgesproken tijd en plaats aanwezig was met zijn mededaders en dat hij, nadat de aangever was weggereden, er ook bij was toen zijn mededaders bedreigende voicemailberichten inspraken.
Conclusie
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte als mededader betrokken was bij de voorbereiding van de ontmoeting en aanwezig was bij zowel de ontmoeting als bij de uitvoering van de na zijn vlucht jegens aangever geuite bedreigingen door zijn twee mededaders. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten dat gesproken kan worden van medeplegen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat in de planning van de verdachte en zijn mededaders al was besproken dat met de dood gedreigd zou worden indien nodig. De verdachte heeft daarom minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de geuite bedreiging. Dat hij op de afgesproken plek niet zelf achter het slachtoffer is aangerend, zoals hij ter zitting heeft verklaard, en niet zelf de bedreigende teksten insprak doet daaraan niet af. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de bedreiging met de dood van de aangever.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 10 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
hij op 6 oktober 2024 te Sint Pancras, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee, pinpas met bijbehorende code, telefoon, die aan die [benadeelde partij 1] toebehoorden door
- die [benadeelde partij 1] te schoppen,
- die [benadeelde partij 1] meermaals te slaan, en
- daarbij onder andere de woorden toe te voegen "geef je portemonnee", "geef de code van je pinpas" en "laat ik niet merken dat je je bank blokkeert, ik schiet een kogel door je kop heen", althans woorden van gelijke strekking;
Feit 2
hij op 6 oktober 2024 te Sint Pancras, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- die [benadeelde partij 1] tegen diens wil te beletten de plek waar die [benadeelde partij 1] zich op dat moment bevond te verlaten,
- het (op verschillende momenten) plegen van geweld tegen die [benadeelde partij 1] , bestaande uit slaan en schoppen,
- te dreigen met de woorden "laat ik niet merken dat je je bank blokkeert, ik schiet een kogel door je kop heen",
- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat dat hij 5 minuten moet blijven zitten nadat de verdachten weg zijn;
Feit 3
hij op 9 oktober 2024 te Sint Pancras, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (iPhone) en autosleutels, die aan die [benadeelde partij 2] toebehoorden door
- die [benadeelde partij 2] met gebalde vuist tegen zijn kaak te stompen,
- die [benadeelde partij 2] met kracht tegen zijn hoofd te trappen, en
- de woorden te voegen "Ga zitten op dat bankje en daar schiet ik een kogel door je kop" en "maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke strekking;
Feit 4
hij op 6 november 2024 te Zuid-Scharwoude, tezamen en in vereniging met anderen, een trouwring, telefoon, autosleutels en portemonnee met diverse pasjes, die aan [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [benadeelde partij 3] meermaals te slaan,
- die [benadeelde partij 3] meermaals te schoppen, en
- te dreigen dat zij die [benadeelde partij 3] dood zouden schieten;
Feit 5
hij op 6 november 2024 te Zuid-Scharwoude, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van de toegangscode van zijn onlinebankieren-app (ASN) en pincode (ING), die aan die [benadeelde partij 3] toebehoorden door
- die [benadeelde partij 3] meermaals te slaan,
- die [benadeelde partij 3] meermaals te schoppen, en
- te dreigen dat zij die [benadeelde partij 3] dood zouden schieten;
Feit 6
hij op 6 november 2024 te Zuid-Scharwoude, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- die [benadeelde partij 3] naar een hek te verplaatsen,
- die [benadeelde partij 3] tegen diens wil vast te houden en/of te beletten de plek waar die [benadeelde partij 3] zich op dat moment bevond te verlaten,
- het (op verschillende momenten) plegen van geweld tegen die [benadeelde partij 3] bestaande uit slaan en schoppen,
- daarbij te dreigen dat zij die [benadeelde partij 3] dood zouden schieten;
Feit 7
hij op 7 december 2024 te Sint Pancras, tezamen en in vereniging met anderen, [benadeelde partij 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door de voicemail van die [benadeelde partij 4] in te spreken en daarbij de woorden toe te voegen 'we steken je dood', althans woorden van gelijke strekking;
Feit 8
hij op 19 december 2024 te Zuid-Scharwoude, tezamen en in vereniging met anderen, een telefoon (iPhone 15 Pro max), die aan [benadeelde partij 5] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- die [benadeelde partij 5] met een ploertendoder tegen het hoofd te slaan,
- een op vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde partij 5] te richten, en
- daarbij de woorden te voegen "ik schiet je door je kanker kop, ik schiet je dood", althans woorden van gelijke strekking;
Feit 9
hij op 19 december 2024 te Zuid-Scharwoude, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met diverse passen, pincode, ontgrendelingscode telefoon en een (smart)horloge, die aan die [benadeelde partij 5] toebehoorden door
- die [benadeelde partij 5] met een ploertendoder tegen het hoofd te slaan,
- een op vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde partij 5] te richten, en
- daarbij de woorden te voegen "ik schiet je door je kanker kop, ik schiet je dood"
en “geef je portemonnee hier, en ik wil je pincode”, althans woorden van gelijke strekking;
Feit 10
hij op 19 december 2024 te Zuid-Scharwoude, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij 5] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- die [benadeelde partij 5] tegen diens wil vast te houden en/of te beletten de plek waar die [benadeelde partij 5] zich op dat moment bevond te verlaten,
- het plegen van geweld tegen die [benadeelde partij 5] , bestaande uit het slaan (met een ploertendoder) tegen het hoofd,
- een vuurwapen op die [benadeelde partij 5] te richten en daarbij te dreigen met de woorden "ik schiet je door je kanker kop, ik schiet je dood" althans woorden van gelijke strekking en
- tegen die [benadeelde partij 5] te zeggen dat dat hij 15 minuten moet blijven zitten nadat de verdachten weg zijn.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden;
Feit 3:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feiten 4, 5 en 6, de eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden;
Feit 7:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feiten 8, 9 en 10, de eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie dient de bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat de verdachte meewerkt aan toezicht door de jeugdreclassering. Daarnaast dient de verdachte een werkstraf van 120 uren te verrichten, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie. De officier van justitie heeft in deze strafeis rekening gehouden met de omstandigheid dat ten aanzien van de feiten 1 en 2, de feiten 4, 5 en 6 en de feiten 8, 9 en 10 telkens sprake is van eendaadse samenloop.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om een contactverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen ten aanzien van de slachtoffers [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] , zoals namens hen is verzocht, omdat de kans dat de verdachte nog contact met hen opneemt nihil is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht geen onvoorwaardelijke jeugddetentie van een langere duur dan het voorarrest aan de verdachte op te leggen, omdat dit niet in zijn belang is en voor het opleggen hiervan contra-indicaties bestaan die zijn gelegen in zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het door de verdachte gestarte werk-leertraject. De verdachte is bereid mee te werken aan een toezicht van de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. Binnen dit toezicht zou aandacht kunnen worden besteed aan zijn vermijdende gedrag en mogelijk trauma. Ook zou de reclassering hierbinnen eventueel iets gelijkend op een leerstraf kunnen inzetten. Ten aanzien van de gevorderde werkstraf heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat deze straf passend is en dat de verdachte in staat is deze uit te voeren.
Ten aanzien van de namens de slachtoffers [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] verzochte contactverboden op grond van artikel 38v Sr heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de oplegging hiervan geen probleem is voor de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen plegen van diefstallen met (bedreiging met) geweld, afpersing, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsberovingen. De verdachte en zijn mededaders hielden zich bezig met door hen genoemd ‘pedohunten’. In een periode van tweeënhalve maand zijn hiervan vijf aangevers slachtoffer geworden. Via een datingapp werden afspraken gemaakt met de slachtoffers waarbij de verdachten zich voordeden als een jonge vrouw en in die hoedanigheid de slachtoffers ’s avonds naar een afgelegen plek lokten. Daar werden de slachtoffers opgewacht door een groep, variërend van drie tot ongeveer acht verdachten door wie zij werden geschopt en geslagen met vuisten en een wapenstok. Soms werd daarbij ook gedreigd met een op een vuurwapen lijkend voorwerp. Ook werden zij beroofd van hun persoonlijke eigendommen en geld. Deze slachtoffers werden vervolgens met (bedreiging van) geweld gedwongen om op de afgesproken plek te blijven, terwijl een (of meer) van de verdachten met de geroofde pinpas geld ging(en) opnemen. Een van de slachtoffers die wist te ontkomen toen hij twee verdachten zag aankomen, is vervolgens via een voicemailbericht bedreigd met de dood.
Het spreekt voor zich dat dit een bijzonder angstige ervaring moet zijn geweest voor de slachtoffers. Dit is ook zichtbaar op de verschillende filmpjes die de daders hebben gemaakt en die aan het dossier zijn toegevoegd. Uit de op de zitting namens twee van de slachtoffers voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt verder dat deze slachtoffers doodsangsten hebben uitgestaan en dat zij nog steeds (psychische) gevolgen van de feiten ondervinden. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Daarnaast heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen. Hij heeft zich daarbij op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers, maar was kennelijk louter uit op financieel gewin.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten groter is geweest dan dat de verdachte doet voorkomen en dat zijn aandeel bovendien gaandeweg steeds groter is geworden. De verklaring van de verdachte dat hij zich heeft laten meeslepen door de (oudere) medeverdachten en onder druk van anderen heeft gehandeld, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het dossier. Uit het dossier blijkt dat de verdachte ook zelf ontmoetingen is gaan initiëren, hulp regelde van een vriendin om een van de slachtoffers te laten geloven dat hij een jonge vrouw zou gaan ontmoeten, mensen zocht die bereid waren geld van de slachtoffers op hun rekening te stallen, voorstellen deed voor het plan van de verdachten en een van de slachtoffers met een ploertendoder heeft geslagen, waardoor het slachtoffer enkele seconden buiten bewustzijn raakte. Door zijn eigen rol te minimaliseren neemt de verdachte geen volle verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
De rechtbank merkt tot slot nog op dat voor zover de verdachte handelde uit een moreel oordeel over wat hij slechte mensen vond, duidelijk moet zijn dat dit geen enkele rechtvaardiging is voor wat hij heeft gedaan. Het is niet aan de verdachte om andere mensen als geoorloofd doelwit en vogelvrij te bestempelen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 december 2025, waaruit blijkt dat hij na het plegen van het bewezenverklaarde is veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 40 uren voor het plegen van (uitgaans)geweld in oktober 2024, waardoor artikel 63 Sr van toepassing is;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 6 januari 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad, waarin de Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.
De Raad en de jeugdreclassering schatten het recidiverisico in als zeer laag, omdat het denken van de verdachte is veranderd en hij op dat vlak is gegroeid. De verdachte functioneert goed op de verschillende leefgebieden en er zijn veel beschermende factoren. Hij heeft werk, start in februari met een leer-werktraject en heeft een steunend netwerk. Verder heeft de verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden.
Op de zitting heeft de Raad het strafadvies (deels) gewijzigd, omdat de rol van de verdachte bij de feiten anders lijkt te zijn dan de verdachte heeft doen voorkomen en de verdachte bij de bespreking van de feiten op de zitting een vermijdende houding heeft laten zien. Dit heeft voor de Raad echter geen invloed op de inschatting van het recidiverisico. Voor die houding kunnen verschillende oorzaken bestaan, maar de Raad acht het in elk geval van belang dat de verdachte met de jeugdreclassering in gesprek gaat over de feiten zodat kan worden gekeken of nadere interventies nodig zijn. Daarom heeft de Raad op de zitting aanvullend geadviseerd een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen waaraan als bijzondere voorwaarde het meewerken aan toezicht door de jeugdreclassering wordt verbonden. De jeugdreclassering heeft zich bij dit strafadvies aangesloten. Volgens de Raad en de jeugdreclassering volstaat een proeftijd van één jaar.
De op te leggen straffen
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie kan volstaan. De rechtbank constateert echter ook dat de verdachte na drie dagen in voorarrest te hebben doorgebracht is geschorst door de rechter-commissaris, onder oplegging van bijzondere voorwaarden waar de verdachte zich goed aan heeft gehouden en er inmiddels al meer dan een jaar is verstreken sinds de pleegdata van de bewezen verklaarde feiten. Dit gevoegd bij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering vormt voor de rechtbank aanleiding een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen teneinde de positieve ontwikkelingen van de verdachte niet te doorkruizen. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een jeugddetentie opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel beperkt is tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie van langere duur passend en geboden. De rechtbank zal hieraan een proeftijd verbinden van één jaar, mede zodat de verdachte ervan wordt weerhouden om zich voor het einde daarvan opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie, zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de jeugdreclassering verbinden, opdat de verdachte met de jeugdreclassering in gesprek gaat over de door hem gepleegde delicten, leert hoe hij in de toekomst anders kan handelen en aldus ook de mogelijkheid te scheppen dat nadere interventies kunnen worden ingezet door de jeugdreclassering om het recidiverisico (nog verder) te beperken.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte moet worden opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar (met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de jeugdreclassering) en met aftrek van het voorarrest. De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een forse onvoorwaardelijke werkstraf op zijn plaats is. Dit om recht te doen aan de ernst van de feiten en zodat de verdachte de directe gevolgen van zijn delictgedrag ervaart. Daarom zal aan de verdachte ook een werkstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen vervangende jeugddetentie worden opgelegd.
Geen contactverbod op grond van artikel 38v Sr
Omdat niet is gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze contact heeft gezocht met een van de slachtoffers en er ook geen enkele aanwijzing is om te veronderstellen dat de verdachte voornemens is dit alsnog te gaan doen, acht de rechtbank het niet noodzakelijk om aan de verdachte, ter beveiliging van de maatschappij, of ter voorkoming van strafbare feiten, een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod, als verzocht door de slachtoffers [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] , op te leggen.
7. Vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feiten 1 en 2)
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 5.857,07 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit pintransacties (€ 500,-), nieuwe pasjes (€ 131,40), pasfoto’s (€ 12,50), een telefoon (€ 264,40), een spijkerbroek (€ 95,99) en herstelkosten auto (€ 2.602,78). De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel fysiek als psychisch letsel (€ 2.250,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden opgelegd met daarbij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, waarbij het aantal dagen vervangende jeugddetentie wordt bepaald op nihil.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De verdediging heeft subsidiair verzocht niet te bepalen dat de verdachte en de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het voldoen van de schadevergoeding, omdat dit onredelijk belastend voor de verdachte is. De verdachte heeft geen contact meer met de medeverdachten, en het is de bedoeling dat dit zo blijft, en als hij de gehele schadevergoeding alleen zou moeten voldoen, kan hij dit mogelijk niet betalen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, die niet is betwist, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Deze is daarom voor toewijzing vatbaar. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering van de benadeelde partij en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde op de terechtzitting, komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de bewezen verklaarde feiten en daarom jegens de benadeelde partij voor de gehele schade aansprakelijk is. Op grond van 6:102, eerste lid, BW jo. 6:166 BW zijn de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de geleden schade. Wat door de verdediging is aangevoerd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het regelen van de onderlinge draagplicht van de daders kan via (professionele) derden, daarvoor is persoonlijk contact niet nodig. Gelet daarop, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij (geheel) hoofdelijk toewijzen en bepalen dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: het medeplegen van afpersing en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feiten 4, 5 en 6)
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 12.146,25 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit gestolen geld (€ 140,-), trouwring (€ 2.250,-), telefoon (€ 111,50), hoesje en screenprotector telefoon (€ 20,-), horloge (€ 180,-), portemonnee (€ 19,99), vervanging passen (€ 106,36), pasfoto in verband met vervangen rijbewijs (€ 18,95), vervanging sloten en sleutels (€ 441,20), gamma slot (€ 58,49), afstandsbediening garagedeur (€ 127,40), reis- en parkeerkosten (€ 132,-), parkeerkosten (€ 20,38), trui (€ 59,98), broek (€ 75,-) en eigen risico (€ 385,-). Door de verzekering is reeds € 500,- vergoed, waardoor de totale materiële schade met dit bedrag moet worden verminderd. De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel fysiek als psychisch letsel (€ 8.500,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden opgelegd met daarbij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, waarbij het aantal dagen vervangende jeugddetentie wordt bepaald op nihil.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De verdediging heeft subsidiair verzocht niet te bepalen dat de verdachte en de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het voldoen van de schadevergoeding, omdat dit onredelijk belastend voor de verdachte is. De verdachte heeft geen contact meer met de medeverdachten, en het is de bedoeling dat dit zo blijft, en als hij de gehele schadevergoeding alleen zou moeten voldoen, kan hij dit mogelijk niet betalen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, die niet is betwist, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten. Deze is daarom voor toewijzing vatbaar. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering van de benadeelde partij en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid verwijst de rechtbank naar de overweging die in dit vonnis is opgenomen bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] . Gelet daarop, bepaalt de rechtbank dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld, het medeplegen van afpersing en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] (feiten 8, 9 en 10)
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 7.184,41 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 8, 9 en 10 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de kosten van (vervanging van dan wel schade aan) een telefoon (€ 1.109,25), een portemonnee (€ 50,-), rij- en kentekenbewijs (€ 89,-), een smartwatch (€ 333,66), een vaarbewijs (€ 12,25), het gepinde geldbedrag (€ 500,-) en medische kosten (€ 90,-). De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel fysiek als psychisch letsel (€ 5.000,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden opgelegd met daarbij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, waarbij het aantal dagen vervangende jeugddetentie wordt bepaald op nihil.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De verdediging heeft subsidiair verzocht niet te bepalen dat de verdachte en de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het voldoen van de schadevergoeding, omdat dit onredelijk belastend voor de verdachte is. De verdachte heeft geen contact meer met de medeverdachten, en het is de bedoeling dat dit zo blijft, en als hij de gehele schadevergoeding alleen zou moeten voldoen, kan hij dit mogelijk niet betalen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, die niet is betwist, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 8, 9 en 10 bewezen verklaarde feiten. Deze is daarom voor toewijzing vatbaar. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering van de benadeelde partij en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid verwijst de rechtbank naar de overweging die in dit vonnis is opgenomen bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] . Gelet daarop, bepaalt de rechtbank dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 8, 9 en 10 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld, het medeplegen van afpersing en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Overweging ten aanzien van de vastgestelde omvang van de immateriële schades
De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om bij de toekenning van schadevergoeding voor de geleden immateriële schade door de benadeelde partijen goed te kijken naar de verhouding tussen de door de benadeelde partijen gevorderde bedragen. De verdediging heeft erop gewezen dat de door de benadeelde partijen gevorderde bedragen voor immateriële schade uiteenlopen en de rechtbank verzocht deze bedragen te synchroniseren.
De rechtbank heeft de omvang van de immateriële schade telkens naar billijkheid vastgesteld en hierbij gelet op de onderbouwing van iedere vordering en het verhandelde op de terechtzitting daarover, alsmede op hetgeen in soortgelijke gevallen als vergoeding wordt opgelegd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verschillen in omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zoals de aard van het toegepaste geweld en de verschillende gevolgen die de feiten voor de benadeelde partijen hebben gehad, naar het oordeel van de rechtbank het verschil in omvang tussen de vastgestelde immateriële schadebedragen rechtvaardigen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282, 285, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 10 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 tot en met 10 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 177 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van één jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Alkmaar, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Alkmaar, een gecertificeerde
instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van
voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te
begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd gehouden is om,
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het
reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich
melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, zo vaak en zo lang
deze instelling dat noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 160 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 80 dagen jeugddetentie.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst geheel toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade (een bedrag van € 5.857,07, bestaande uit € 3.607,07 voor de materiële en € 2.250,- voor de immateriële schade), en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.857,07, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst geheel toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade (een bedrag van € 12.146,25, bestaande uit € 3.646,25 voor de materiële en € 8.500,- voor de immateriële schade), en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.146,25, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst geheel toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade (een bedrag van € 7.184,41, bestaande uit € 2.184,41 voor de materiële en € 5.000,- voor de immateriële schade), en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.184,41, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Cuvelier, voorzitter,
mr. J. Lintjer en mr. P.E. van der Veen, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.C.W. Coesel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026.