ECLI:NL:RBNHO:2026:714

ECLI:NL:RBNHO:2026:714

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer C/15/372590 / JU RK 25-1761
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

OTS + MUHP toewijzen voor een maand, rest aanhouden; er moet meer zicht komen op behoeften en wensen minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/372590 / JU RK 25-1761

Datum uitspraak: 13 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ( [land] ).

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 december 2025.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Daarbij was aanwezig de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De moeder is, hoewel zij daartoe behoorlijk is opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De vader heeft zich afgemeld voor de zitting.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om (telefonisch)in een gesprek met de kinderrechter haar mening te geven, maar hier heeft zij geen gebruik van gemaakt.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

[de minderjarige] verblijft bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , groep [groep] , in [plaats] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 oktober 2024 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 25 januari 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 24 januari 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 januari 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 oktober 2024 een (spoed)machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, Thans duurt de machtiging uithuisplaatsing eveneens tot 24 januari 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt primair de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en subsidiair voor de duur van drie maanden met aanhouding van het overige. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van vijf maanden.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd.

[de minderjarige] verblijft bij de langverblijfgroep [groep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . De wens van [de minderjarige] is nog steeds dat zij graag bij haar moeder wil opgroeien. De groep heeft met [de minderjarige] afgesproken dat zij drie dagen op de groep verblijft. Hier vallen de schooldagen onder. De overige vier dagen verblijft zij bij de moeder. Er zijn nog steeds zorgen om [de minderjarige] . Zo is het [de minderjarige] niet gelukt om zich aan de afspraken met betrekking tot school te houden en inmiddels is een proces-verbaal opgemaakt voor schoolverzuim. Daarnaast is het de GI ondanks het gedwongen kader niet gelukt om de veiligheid van [de minderjarige] bij de moeder in zicht te krijgen. De moeder komt namelijk niet in contact met de GI, omdat de moeder dat absoluut niet wil. De GI is desondanks voornemens om [de minderjarige] binnen de komende zes maanden volledig bij de moeder te laten verblijven, zoals zij wenst.

Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat het over het algemeen wisselend gaat met [de minderjarige] en ze lastig in contact komt met [de minderjarige] . [de minderjarige] wil heel graag weer bij de moeder wonen en zij verblijft hier regelmatig, ook tegen de afspraken in. Hierdoor staat de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing ter discussie. [de minderjarige] lijkt klem te zitten tussen loyaliteit richting haar moeder en richting de groep. Opvallend is namelijk dat het verblijf bij de moeder wegens de wens van [de minderjarige] is uitgebreid, maar dat [de minderjarige] toen heeft aangegeven dat het te snel ging. De GI wilt daarom de komende periode gebruiken om samen met de betrokkenen, waaronder [de minderjarige] , een concreet plan voor terugkeer, al dan niet deels, op te stellen, waarbij het tempo daarvan bij [de minderjarige] ligt.

4. De standpunten

De vader

Vader heeft per mail aangegeven dat hij akkoord is met het verzoek.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Door de omstandigheid dat de vader en [de minderjarige] burger van de Bondsrepubliek

Duitsland zijn en de moeder zowel burger van de Bondsrepubliek Duitsland is als de

Amerikaanse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter.

Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze

zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is,

komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek

(hierna: BW) en artikel 7 van de Verordening Brussel-II-ter rechtsmacht toe om dit verzoek

te behandelen.

Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van

artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van

toepassing op het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

Gebleken is dat de ontwikkeling van [de minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Er zijn nog diverse zorgen over [de minderjarige] met name ten aanzien van haar veiligheid en schoolverzuim. De zorgen lijken vooral voort te komen uit het feit dat onvoldoende zicht op haar is, omdat het lastig is gebleken om in contact te komen met zowel de moeder als [de minderjarige] . Het is daarom nog steeds niet gelukt om hulpverlening in te zetten. Inmiddels verblijft [de minderjarige] enige tijd op de groep bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waarbij gewerkt wordt aan een terugplaatsing bij de moeder middels een terugwerkschema. Hieruit volgt dat zij drie dagen in de week op de groep verblijft en vier dagen in de week bij haar moeder. Het is echter nog onduidelijk of dit terugwerkschema wenselijk en haalbaar is voor [de minderjarige] , mede nu zij recent heeft aangegeven dat dit te snel voor haar gaat en zij klem lijkt te zitten tussen de moeder en de groep. [de minderjarige] geeft vaak aan dat ze het liefst thuis bij haar moeder wil wonen – hoewel ze het daar niet altijd even makkelijk heeft, maar aan de andere kant heeft ze ook behoefte aan de structuur, rust en begeleiding die ze bij de groep krijgt. Om tot een thuisplaatsing over te gaan, wil de GI graag – terecht – meer zicht krijgen op de thuissituatie van de moeder, maar de moeder houdt al lange tijd de deur voor de GI stevig dicht. De kans is heel klein dat daar op korte termijn verandering in zal komen. Desgevraagd heeft de GI naar voren gebracht dat ten aanzien van de moeder geen zorgelijke signalen of andere tekenen van onveiligheid binnen zijn komen. Inmiddels woont de zus van [de minderjarige] weer thuis bij de moeder en ook via de zus hoort de GI geen zorgelijke signalen over de thuissituatie of [de minderjarige] . Uit het dossier blijkt dat [de minderjarige] erg hecht aan haar autonomie; als zij de behoefte daartoe voelt wil zij vrij zijn om naar haar moeder te gaan en als ze dat niet wil, dan niet. Ook gelet op haar leeftijd, hecht de GI terecht veel waarde aan wat [de minderjarige] wil en aangeeft. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat in deze omstandigheden, hoewel verre van ideaal, het in het belang van [de minderjarige] is om toe te werken naar een terugkeer naar de moeder, waarbij de draagkracht van [de minderjarige] leidend dient te zijn. Een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarvoor nodig.

De kinderrechter ziet wel aanleiding om de duur van de verzochte maatregelen te beperken tot één maand en de verzoeken voor de resterende duur aan tot houden tot een nader te bepalen zitting medio februari 2026. Gedurende deze periode is het noodzakelijk dat meer zicht komt op de wensen en behoeften van [de minderjarige] ten aanzien van haar verblijfsplek, te weten het wonen bij haar moeder en/of op de groep en binnen welke tempo zij dit wenst op te bouwen. De GI wordt verzocht om de kinderrechter één week voor de zitting schriftelijk te informeren over de uitkomst van het gesprek met [de minderjarige] alsmede de actuele stand van zaken en dient aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.

De kinderrechter verklaart de beslissing inzake de toegewezen ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 24 februari 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 februari 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting medio februari 2026 in het gerechtsgebouw De Appelaar, Simon de Vrieshof 1 te Haarlem;

bepaalt dat de griffier de GI, de ouders en [de minderjarige] dient op te roepen;

bepaalt dat de GI de kinderrechter uiterlijk één week voor de zitting schriftelijk zal informeren over de uitkomst van het gesprek met [de minderjarige] , de actuele stand van zaken en haar nadere standpunt ten aanzien van het resterende deel van het verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026, in aanwezigheid van mr. M.L. van Erp als griffier, op schrift gesteld op 27 januari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?