RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11776332 \ AO VERZ 25-32 (NE)
Beschikking van 5 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon GGD Zaanstreek-Waterland,
te Zaandam,
verwerende partij,
hierna te noemen: GGD,
gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van verschillende vergoedingen. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Het verzoek ten aanzien van billijke vergoeding en de aanzegvergoeding is gedaan na de zogenoemde vervaltermijn en dat verzoek is daarom niet-ontvankelijk. De kantonrechter oordeelt verder dat de werkgever bevoegd was om teveel betaald loon te verrekenen en terecht een loonstop heeft toegepast. De werkgever wordt wel veroordeeld tot betaling van loon over een gedeelte van de maand oktober 2024, omdat de werkgever heeft erkend dat dit loon nog verschuldigd is.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een transitievergoeding en loon toe te kennen en daarna een aanvullend verzoek ingediend om toekenning van een aanzegvergoeding en billijke vergoeding. GGD heeft een verweerschrift ingediend.
Op 8 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en de gemachtigde van GGD hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
2. De feiten
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1991, is op 1 september 2023 in dienst getreden bij GGD in de functie van pedagogisch adviseur, met een loon van € 2.244,07 bruto per maand bij een arbeidsurenomvang van 20 uur per week. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, van 1 september 2023 tot 1 september 2024. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO SGO van toepassing.
Op verzoek van [verzoeker] is de urenomvang met ingang van 8 februari 2024 aangepast naar 16 uur per week met als werkdagen donderdag en vrijdag.
In een telefoongesprek op 12 juli 2024 heeft de leidinggevende aan [verzoeker] laten weten dat zij te veel loon heeft ontvangen, omdat de wijziging van de arbeidsuren niet was verwerkt in de salarisadministratie. Daarover heeft op 25 juli 2024 een gesprek plaatsgevonden. Bij het gesprek was ook een HR-medewerker aanwezig.
[verzoeker] heeft zich op 1 augustus 2024 ziekgemeld.
Op 1 augustus 2024 heeft de leidinggevende via Whatsapp de contactgegevens van de salarisadministrateur aan [verzoeker] doorgegeven. Op de vraag van [verzoeker] wat het doel daarvan is, heeft GGD geantwoord dat de salarisadministrateur aan haar kan uitleggen wat de opties zijn voor terugbetaling van het te veel betaalde loon. Daarop heeft [verzoeker] niet gereageerd. Ook heeft [verzoeker] niet gereageerd op de vraag van de leidinggevende of het is gelukt.
GGD heeft in augustus 2024 het te veel betaalde loon over februari tot en met juli 2024 verrekend met het tot en met augustus 2024 opgebouwde individueel keuzebudget en het restant met het loon van augustus 2024.
[verzoeker] was op 14 en 20 augustus 2024 niet bereikbaar voor de arbodienst.
Per brief van 29 augustus 2024 is aan [verzoeker] bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2024 wordt verlengd voor de duur van zeven maanden, dus tot 1 april 2025, en dat de arbeidsvoorwaarden ongewijzigd blijven.
De bedrijfsarts heeft in de probleemanalyse van 31 augustus 2024 vastgesteld dat [verzoeker] beperkt is op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, en dynamisch handelen. De bedrijfsarts heeft geadviseerd een time-out periode van drie weken te hanteren en in de derde week van september een gesprek te plannen om de werk-stressoren te bespreken.
GGD heeft op verzoek van [verzoeker] een afspraak met de bedrijfsarts op 23 september 2024 ingepland en [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 26 september 2024.
In de brieven van 13 september en 1 oktober 2024 heeft [verzoeker] geprotesteerd tegen de wijze waarop GGD het te veel betaalde loon heeft verrekend. GGD heeft vervolgens voorgesteld een voorschot te verstrekken van het bedrag dat is verrekend met het loon en heeft aan [verzoeker] de keuze gegeven op welke wijze zij dat bedrag zal terugbetalen. [verzoeker] is daar niet mee akkoord gegaan.
De bedrijfsarts heeft op 26 september 2024 geadviseerd in gesprek te gaan over de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, eventueel onder begeleiding van een derde neutrale partij. Volgens de bedrijfsarts is [verzoeker] voldoende belastbaar voor een gesprek met GGD.
[verzoeker] heeft uitnodigingen van GGD voor een gesprek op 3 oktober 2024 en 10 oktober 2024 afgezegd en aangegeven pas bereid te zijn tot een gesprek als GGD het verrekende keuzebudget en loon heeft terugbetaald.
Per e-mail van 16 oktober 2024 heeft GGD [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 17 oktober 2024 en [verzoeker] op haar re-integratieverplichtingen gewezen. Ook heeft GGD aan [verzoeker] laten weten dat als zij niet verschijnt op het gesprek, dit wordt beschouwd als een weigering om mee te werken aan re-integratie en GGD in dat geval de loonbetaling geheel zal stopzetten.
[verzoeker] is niet verschenen op het gesprek, waarna GGD een loonstop heeft toegepast.
[verzoeker] heeft op 28 oktober 2024 aan GGD bericht dat de bedrijfsarts een rustperiode van twee weken heeft geadviseerd en heeft richting GGD beschuldigingen geuit over ongelijke behandeling, pesten en racisme. GGD heeft aan [verzoeker] laten weten dat de bedrijfsarts heeft geadviseerd in gesprek te gaan en dat de salarisbetaling zal worden hervat na een gesprek over de re-integratie.
De bedrijfsarts heeft [verzoeker] op 7 november 2024 telefonisch gesproken en geadviseerd een mediator in te schakelen.
GGD heeft op 12 november 2024 verhinderdata bij [verzoeker] opgevraagd voor het plannen van een gesprek met een mediator en bericht dat haar loon met terugwerkende kracht zal worden betaald als zij meewerkt aan mediation. [verzoeker] heeft hierop niet gereageerd.
In december 2024 heeft GGD vakantiedagen uitbetaald vanwege een verlof van [verzoeker] van 5 tot en met 20 december 2024. Ook heeft GGD het restant van het individueel keuzebudget uitbetaald aan [verzoeker] .
Per brief van 27 januari 2025 heeft GGD aan [verzoeker] laten weten dat de arbeidsovereenkomst die per 31 maart 2025 van rechtswege eindigt, niet zal worden voortgezet.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter in het oorspronkelijke verzoekschrift om een transitievergoeding toe te kennen. In een aanvullend verzoekschrift vraagt [verzoeker] ook om toekenning van een billijke vergoeding, een aanzegvergoeding en betaling van achterstallig loon.
GGD voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen en deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] verschillende vergoedingen moeten worden toegekend, en of GGD moet worden veroordeeld tot betaling van achterstallig loon.
Transitievergoeding
GGD heeft aan [verzoeker] medegedeeld dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst op 31 maart 2025 zal eindigen. Als gevolg hiervan is GGD in beginsel een transitievergoeding aan [verzoeker] verschuldigd. Het verweer van GGD is dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat het eindigen of niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat verweer slaagt. Dit wordt als volgt toegelicht.
Zoals hierna onder 4.10 nader zal worden besproken, heeft [verzoeker] de adviezen van de bedrijfsarts voor een gesprek met GGD zonder deugdelijke grond herhaaldelijk niet opgevolgd en is zij daarom haar re-integratieverplichtingen niet nagekomen. GGD heeft daarop een loonstop ingesteld om [verzoeker] ertoe te bewegen de op haar rustende re-integratieverplichtingen alsnog na te komen. GGD heeft [verzoeker] ook voor de loonstop gewaarschuwd. Dat heeft niet tot een verandering geleid. De loonstop heeft geen effect gehad. Dit alles leidt ertoe dat moet worden geoordeeld dat [verzoeker] in ernstige mate in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende verplichtingen die op grond van de wet gelden. Het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst is daarom het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Er zijn de kantonrechter geen feiten of omstandigheden gebleken die kunnen afdoen aan die ernstige verwijtbaarheid. De verzochte transitievergoeding moet daarom worden afgewezen.
Billijke vergoeding
Verder verzoekt [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding. Het meest verstrekkende verweer van GGD is dat [verzoeker] dit verzoek niet tijdig heeft ingediend. Ook dit verweer slaagt.
De bevoegdheid om dit verzoek bij de kantonrechter in te dienen vervalt op grond van de wet drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het oorspronkelijke verzoek is binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst ingediend, maar daarin heeft [verzoeker] niet verzocht om toekenning van een billijke vergoeding. Het aanvullende verzoek waarin [verzoeker] onder andere een verzoek om toekenning van een billijke vergoeding heeft ingediend, heeft de rechtbank per e-mail van 22 augustus 2025 ontvangen. Dat is meer dan drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst en dus te laat. De arbeidsovereenkomst is immers geëindigd op 1 april 2025. [verzoeker] is daarom niet-ontvankelijk in het verzoek om toekenning van de billijke vergoeding.
Aanzegvergoeding
[verzoeker] verzoekt ook om toekenning van de aanzegvergoeding, omdat GGD niet tijdig zou hebben voldaan aan de wettelijke verplichting haar schriftelijk uiterlijk een maand voor het einde van de eerste arbeidsovereenkomst te informeren over het al dan niet voortzetten van die arbeidsovereenkomst. Ook hier beroept GGD zich op de vervaltermijn.
De bevoegdheid om dit verzoek bij de kantonrechter in te dienen vervalt drie maanden na de dag waarop deze verplichting is ontstaan. De eerste arbeidsovereenkomst zou eindigen op 1 september 2024, zodat de aanzegverplichting gold vanaf 1 augustus 2024. De verlengde arbeidsovereenkomst zou eindigen op 1 april 2025, zodat die aanzegverplichting gold vanaf 1 maart 2025. Het aanvullende verzoek waarin [verzoeker] onder andere een verzoek om toekenning van een aanzegvergoeding heeft ingediend, heeft de rechtbank per e-mail van 22 augustus 2025 ontvangen. Dat is meer dan drie maanden na de dag waarop de aanzegverplichting is ontstaan. [verzoeker] is daarom niet-ontvankelijk in het verzoek om toekenning van de aanzegvergoeding. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat GGD met haar brief van 27 januari 2025 aan de aanzegverplichting heeft voldaan.
Loonvorderingen
[verzoeker] heeft verschillende loonvorderingen. In de eerste plaats stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat GGD in augustus 2024 ten onrechte te veel betaalde loon heeft verrekend met het op dat moment opgebouwde individueel keuzebudget en het loon over die maand, en [verzoeker] vordert terugbetaling daarvan. GGD betwist deze vordering.
Partijen zijn het erover eens dat GGD over de periode 8 februari 2024 tot en met juli 2024 te veel loon aan [verzoeker] heeft betaald en dat [verzoeker] het te veel betaalde loon moet terugbetalen. [verzoeker] is het niet eens met de wijze waarop GGD heeft verrekend. GGD heeft echter – zowel voorafgaand als na de verrekening – verschillende voorstellen voor terugbetaling aan [verzoeker] gedaan. Daarop reageerde [verzoeker] afwijzend, zonder zelf een concreet voorstel te doen. Het grootste deel van het te veel betaalde loon heeft GGD verrekend met het individueel keuzebudget en is daarmee minder bezwarend dan verrekening met het loon. Een deel is verrekend met het loon en ook daartoe is GGD bevoegd, mits geen sprake is van verrekening onder de minimumloongrens dan wel de beslagvrije voet. Volgens [verzoeker] is de beslagvrije voet niet in acht genomen, maar dit standpunt heeft [verzoeker] niet eerder naar GGD ingenomen en [verzoeker] heeft de beslagvrije voet die voor haar geldt ook niet gemotiveerd of onderbouwd. Daarom wordt hieraan voorbij gegaan. GGD heeft dan ook bevoegd verrekend. Dit leidt tot afwijzing van deze loonvordering.
[verzoeker] vordert verder het loon over 1 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025. Volgens [verzoeker] heeft GGD ten onrechte een loonstop toegepast. Ook hierin wordt [verzoeker] niet gevolgd. GGD heeft [verzoeker] bij herhaling uitgenodigd voor gesprekken, maar [verzoeker] meldde zich daarvoor steeds af. GGD heeft [verzoeker] vervolgens op haar re-integratieverplichtingen gewezen en haar uitgenodigd voor een gesprek op 17 oktober 2024. Daarbij heeft GGD [verzoeker] gewaarschuwd voor een loonstop als zij opnieuw niet zal verschijnen. Van een onredelijk voorschrift van GGD om [verzoeker] voor een gesprek uit te nodigen, is geen sprake. De bedrijfsarts heeft een gesprek tussen partijen geadviseerd en heeft [verzoeker] daarvoor belastbaar geacht. [verzoeker] heeft dus zonder deugdelijke grond geweigerd in gesprek te gaan met GGD en heeft niet meegewerkt aan haar re-integratieverplichtingen. [verzoeker] heeft wegens het niet nakomen van haar re-integratieverplichtingen geen recht op doorbetaling van loon. De loonstop vanaf 17 oktober 2024 was dan ook terecht. Ook daarna heeft GGD het advies van de bedrijfsarts opgevolgd en bij [verzoeker] verhinderdata opgevraagd voor een gesprek onder begeleiding van een mediator, waarbij zij de loonstop heeft omgezet in een opschorting van de loonbetaling. Hierop heeft [verzoeker] niet gereageerd en zij heeft ook na 17 oktober 2024 niet aan haar re-integratieverplichtingen voldaan. Het gevorderde loon vanaf 17 oktober 2024 zal daarom worden afgewezen.
Anders oordeelt de kantonrechter over de loonvordering over de periode 1 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024. GGD erkent dat het loon over deze periode ten onrechte niet is betaald aan [verzoeker] . GGD zal daarom worden veroordeeld tot betaling daarvan en tot verstrekking van een salarisspecificatie.
[verzoeker] vordert verder uitbetaling van vakantiedagen. GGD heeft voldoende onderbouwd dat [verzoeker] de opgebouwde vakantiedagen tot en met 16 oktober 2024 heeft opgenomen. Omdat hiervoor is geoordeeld dat [verzoeker] geen aanspraak heeft op loon vanaf 17 oktober 2024, heeft zij vanaf dat moment ook geen vakantiedagen opgebouwd.
Ten slotte vordert [verzoeker] uitbetaling van overuren vanaf september 2023. GGD betwist dat de overuren zijn gemaakt. De overuren zijn volgens GGD ook niet gemeld of in een systeem geregistreerd. Tijdens de zitting heeft GGD onweersproken verklaard dat [verzoeker] in dat systeem kon en eerder daarin registraties heeft gedaan. Tegenover de gemotiveerde betwisting van GGD heeft [verzoeker] de gemaakte overuren onvoldoende onderbouwd. Dit leidt tot afwijzing van deze vordering.
Ziektewetuitkering
[verzoeker] heeft het verzoek om uitbetaling van een Ziektewetuitkering tijdens de zitting ingetrokken.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
Omdat GGD het loon over 1 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024 te laat heeft betaald, is zij de wettelijke verhoging aan [verzoeker] verschuldigd. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 25%. De verzochte wettelijke rente over het achterstallig loon is toewijsbaar vanaf de datum van opeisbaarheid.
Eindafrekening
De verzochte verstrekking van de eindafrekening wordt afgewezen, omdat deze voor [verzoeker] beschikbaar was op haar account en bovendien in deze procedure door GGD is verstrekt.
Proceskosten
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft, en omdat de zaak deels ziet op een vordering tot doorbetaling van loon tijdens ziekte, terwijl niet is gebleken dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door [verzoeker] .
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt GGD tot betaling van het loon over 1 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over dat bedrag met een maximum van 25% en te vermeerderen met de wettelijke rente over het achterstallig loon vanaf de datum van opeisbaarheid;
veroordeelt GGD tot verstrekking aan [verzoeker] van een specificatie van het loon over 1 oktober 2024 tot en met 16 oktober 2024;
verklaart het verzoek ten aanzien van de billijke vergoeding en de aanzegvergoeding niet-ontvankelijk;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.