[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
Belanghebbende heeft op 20 november 2024 voor het eerst beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het verzoek voor aanvullende schadevergoeding van 11 oktober 2023.
Bij uitspraak van 10 december 2024 (HAA 24/7591) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twaalf weken na 3 december 2024 een besluit op de aanvraag voor aanvullende schadevergoeding bekend te maken. De rechtbank heeft bepaald dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
Belanghebbende heeft vervolgens op 2 september 2025 voor de tweede keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag voor aanvullende schadevergoeding. Bij uitspraak van 19 september 2025 (HAA 25/3844) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag voor aanvullende schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 250 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500.
Belanghebbende heeft vervolgens op 4 mei 2026 voor de derde keer beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 11 oktober 2023.
Verweerder heeft op 11 mei 2026 een verweerschrift en de daarbij behorende stukken ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 september 2025 voor het laatst een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
3. De rechtbank stelt vast dat bij de uitspraak van 19 september 2025 opgedragen termijn is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het verzoek van belanghebbende.
4. Gelet op het voorgaande is sprake van overschrijding van de beslistermijn. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van belanghebbende is daarom (kennelijk) gegrond.
5. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, moet de
rechtbank het bestuursorgaan opdragen om in principe binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d van de Awb). In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192) heeft overwogen dat de Afdeling onder de huidige omstandigheden geen mogelijkheid ziet om in zaken als de onderhavige die een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding betreffen vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij die stand van zaken moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken, waarbij er ook geen aanleiding is om bij voorbaat uitzonderingen te formuleren met betrekking tot tijd die is gemoeid met alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd.
7. De rechtbank sluit hierbij aan en ziet geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden geven hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op de aanvraag van belanghebbende.
8. In dezelfde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026 is voor besluiten op aanvragen als de onderhavige voor een aanvullende schadevergoeding overwogen dat de Afdeling ervan overtuigd is dat het bij de huidige stand van zaken contraproductief werkt om dwangsommen aan de Dienst Toeslagen op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk rondom besluitvorming is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een financiële prikkel op te leggen. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak op een beroep niet tijdig beslissen op een verzoek voor aanvullende schadevergoeding wordt verbonden, op nihil moet worden gesteld.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak daarvan af te wijken en zal daarom geen dwangsom aan haar uitspraak verbinden.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding voor de proceskosten die belanghebbende voor de beroepsmatig verleende bijstand heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend voor een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 0,5 voor het lichte gewicht van deze zaak, omdat het geschil beperkt is tot formele aspecten van niet tijdig beslissen en de dwangsom).
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan belanghebbende het betaalde griffierecht ten bedrage van € 54 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
€ 467;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van
Z.G. Ramsaroep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.