Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7407
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een aanslag rioolrecht opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026 te Alkmaar. Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de garage). De garage behoort tot een complex dat bestaat uit 89 identieke garageboxen op een afgesloten terrein.
2. Ter zake van de garage heeft verweerder belanghebbende de onderhavige aanslag rioolheffing opgelegd.
Geschil 3.In geschil is of de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
4. Volgens belanghebbende is de aanslag ten onrechte, althans naar een te hoog bedrag opgelegd. Belanghebbende heeft daarvoor aangevoerd dat de desbetreffende regelgeving erop gericht is zoveel mogelijk geld binnen te halen. Het gehele complex heeft slechts één hoofdaansluiting op het water, maar omdat ter zake van elke garagebox € 135,85 rioolrecht wordt geheven haalt de gemeente voor alle garageboxen samen € 12.091 binnen. Naar de mening van belanghebbende is daarom geen sprake van een besluit dat met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. Net als in andere gemeenten zou elke garage moeten worden belast met 1/89 deel van € 135,85.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de aanslag tot € 1,53 (1/89 x € 135,85).
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat de rioolheffing ook wordt geheven ter bestrijding van de kosten van de afvoer van hemelwater. Van elke garagebox wordt hemelwater afgevoerd via de afvoerputten op het terrein. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
6. Op 1 november 2023 heeft de raad van de gemeente [woonplaats] de Rioolrechtverordening [woonplaats] 2024 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Voor zover hier van belang luidt de Verordening als volgt:
“Artikel 1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
b. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater;
c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwater stand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
2. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 4 Vrijstellingen
De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit:
1. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
2. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
3. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Artikel 5 Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een perceel.
2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III Wet waardering onroerende zaken;
b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
c. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 6 Maatstaf van heffing
De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
Artikel 7 Belastingtarieven
De belasting bedraagt per perceel: € 135,85.
Artikel 8 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 9 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.”
7. Belanghebbende heeft zijn beroep als volgt gemotiveerd:
“De gemeente [woonplaats] heeft mijn bezwaar tegen de Rioolheffing aangaande een garage, niet inhoudelijk in behandeling genomen. Zij heeft slechts vastgesteld dat de aanslag is vastgesteld conform de regelgeving van de gemeente [woonplaats] . Mijn bezwaar was echter juist gericht op deze regelgeving welke uitsluitend gericht is op het binnenharken van zoveel als mogelijk inkomsten. Mijn garage maakt deel uit van totaal van 89 garages in een afgesloten terrein. Per garage is € 135,85 in rekening gebracht terwijl er geen één aangesloten is op water. Met één hoofdaansluiting op het gemeentelijke riool harkt de gemeente totaal € 12.091,- per jaar binnen. Dit vind ik geen besluit dat inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is vastgesteld. Net als in andere gemeenten zou, in dit geval, elke garage moeten worden belast met 1/89 deel van € 135,85.”
8. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld dat zijn beroep is gericht tegen het besluit tot het vaststellen van de Verordening overweegt de rechtbank dat alleen bezwaar en beroep open staat tegen een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een beschikking is een besluit dat niet van algemene strekking is en is genomen jegens een persoon of lichaam. Het besluit tot het vaststellen van de Verordening is een besluit dat wel van algemene strekking is. Tegen dat besluit staat dus geen bezwaar en beroep open. Voor zover het beroep is gericht tegen dat besluit is het daarom niet-ontvankelijk.
9. Met inachtneming van het bovenstaande kan belanghebbende worden ontvangen in zijn beroep voor zover het is gericht tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag rioolheffing. Het beroep kan slagen indien de aanslag voorziet in een willekeurige en onbillijke heffing die de wetgever niet kan hebben bedoeld of indien de aanslag in strijd is met algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
10. De rechtbank overweegt dat van een willekeurige of onredelijke heffing geen sprake is. Voor elke garagebox op het desbetreffende terrein wordt immers € 135,85 geheven. Kennelijk vindt belanghebbende de heffing juist daarom onbillijk omdat er geen één aansluiting “op water” is en er dus geen afvalwater wordt geproduceerd. De rechtbank overweegt evenwel dat van alle garageboxen op het terrein hemelwater wordt afgevoerd dat via de (riool)afvoerputten op het terrein wordt afgevoerd. Uit de jurisprudentie waarnaar verweerder heeft gewezen komt naar voren dat het rioolrecht met een zekere ruwheid mag worden geheven.
11. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar heeft niet specifiek aangegeven om welke beginselen het daarbij gaat. Feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden zijn gesteld noch gebleken. Ook zijn in geding geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die zouden moeten leiden tot het geheel of gedeeltelijk onverbindend verklaren van de Verordening.
12. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de aanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Het beroep, voor zover het is gericht tegen de aanslag, dient daarom ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
₋ verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit tot het vaststellen van de Verordening, niet-ontvankelijk;
₋ verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de aanslag, ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: