Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/28
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 336 (de aanslag). Bij gelijktijdig genomen beschikkingen heeft verweerder het verlies uit werking en woning van 2019 vastgesteld op € 336, € 7 belastingrente vergoed en een verzuimboete opgelegd van € 385.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2025 de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft openbaar plaatsgevonden op 19 mei 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is op 28 februari 2020 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2019. Belanghebbende is daaraan op 16 oktober 2020 herinnerd en op 25 november 2020 aangemaand. Zij heeft voor de daartoe gestelde termijn van 9 december 2020 geen aangifte ingediend.
2. Op 28 februari 2024 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het inkomen uit werk en woning (box 1) is in de aangifte als volgt aangegeven:
Loon € 4.765
Opbrengsten uit beschikbaar gestelde bezittingen € 9.424
Aftrekbare kosten € 15.220
Af: vrijstelling (12% van -/- € 5.796) € 695
Totaal inkomsten uit beschikbaar gestelde bezittingen -/- € 5.101
Totaal inkomsten uit werk en woning -/-€ 336
Te verrekenen verliezen uit vorige jaren € 150.235
Totaal box 1: werk en woning -/- € 336
Te betalen inkomstenbelasting box 1 € 0
3. Verweerder heeft de aanslag overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte opgelegd.
Geschil
4. In geschil is of belanghebbende in 2019 recht heeft op compensatie voor geleden verliezen van in totaal € 150.235.
5. Belanghebbende betoogt dat zij door roekeloos handelen van de overheid in de jaren 2010 tot en met 2018 een verlies heeft geleden met haar handel in effecten. Zij vindt dat daarom recht bestaat op een reële verliescompensatie van € 150.235. Volgens belanghebbende kan die compensatie geboden worden door het verlies in box 1 in aanmerking te nemen, omdat het verlies volgens haar voortkomt uit het negatief behaalde resultaat met haar onderneming in effectenhandel. Zij stelt dat zij net als belastingplichtigen in box 3 de negatief behaalde resultaten in aanmerking moet kunnen nemen. Volgens haar is de enige reden waarom haar die verliescompensatie wordt onthouden gelegen in het feit dat zij een vrouw is. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag met € 150.235 of het toekennen van een schadevergoeding van € 150.235.
6. Verweerder stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een compensatie voor het geleden verlies. De fiscale wetgeving kent geen regeling op grond waarvan de door belanghebbende gevraagde compensatie kan worden toegekend. Daarnaast is de aanslag conform de aangifte vastgesteld, waarbij volgens verweerder ten onrechte met onder meer een negatief resultaat uit beschikbaar gestelde bezittingen rekening is gehouden. Daardoor is de aanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld, aldus verweerder. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Verliesverrekening box 1
7. Uit artikel 3.150, eerste lid, van de Wet IB 2001 volgt dat verliezen uit werk en woning verrekend kunnen worden met een positief inkomen uit werk en woning van de drie voorafgaande en negen volgende kalenderjaren. Op grond van artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001, stelt de inspecteur het bedrag van een verlies uit werk en woning vast bij voor bezwaar vatbare beschikking (verliesvaststellingsbeschikking). Zonder verliesvaststellingsbeschikking is het niet mogelijk om een verlies in andere jaren te verrekenen (vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1837 en gerechtshof Den Haag 22 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:793).
8. Belanghebbende wil verliezen verrekenen uit de jaren 2010 tot en met 2018 met inkomen uit werk en woning in 2019. Deze verliezen zijn niet bij verliesvaststellingsbeschikking vastgesteld waardoor verrekening niet mogelijk is. En ook als er wel een verliesvaststellingsbeschikking geweest was, was verrekening niet mogelijk in 2019. Verliesverrekening is immers alleen mogelijk als daar een inkomen uit werk en woning tegenover staat. (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2017 ECLI:NL:GHARL:2017:3301, r.o. 4.4). Belanghebbende heeft in 2019 een negatief inkomen uit werk en woning. Ook daarom is het niet mogelijk om de aanslag te verminderen met € 150.235.
9. Zoals uit bovenstaande volgt is het dus de wet die bepaalt dat belanghebbende geen verlies kon verrekenen in 2019. In de wettelijke bepalingen wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Ook is het de rechtbank niet gebleken dat verweerder ook maar op enig moment in zijn beoordeling heeft laten meewegen dat belanghebbende een vrouw is. Voor zover belanghebbende hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft willen doen, faalt dit.
10. Verder betoogt belanghebbende dat zij recht heeft op verliescompensatie in box 1, omdat zij gelijk wil worden behandeld met belastingplichtigen in box 3. Belastingplichtigen die een negatief resultaat met beleggingen (in effecten) hebben behaald mogen dat namelijk volgens haar in box 3 in aanmerking nemen, zodat zij daar ook recht op heeft in box 1. In een eerder door haar gevoerde procedure bij deze rechtbank over de aanslagen 2016 en 2017 heeft zij dit standpunt ook ingenomen. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met de situatie van belastingplichtigen die de heffing in box 3 ter discussie stellen (rechtbank Noord-Holland 18 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:3549, r.o. 26). De rechtbank ziet geen reden om voor dit jaar anders te beslissen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Verzuimboete
11. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte IB/PVV 2019 in te dienen. Er is geen aangifte gedaan binnen de in de aanmaning gestelde termijn van 9 december 2020. Daarmee is het verzuim als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen begaan en kon verweerder een verzuimboete opleggen.
12. De boete kan dan alleen achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook overigens is niet gebleken dat hiervan sprake is. Ook acht de rechtbank de boete passend en geboden. Belanghebbende heeft geen financiële of andere omstandigheden aangedragen die tot een matiging van de boete zouden kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook terecht de verzuimboete aan belanghebbende opgelegd.
Schadevergoeding
13. Op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter een veroordeling tot schadevergoeding alleen uitspreken als het beroep gegrond is. De gegrondheid van het beroep is dus een noodzakelijke voorwaarde voor de schadevergoeding. In dit geval heeft de bestuursrechter geen mogelijkheid om verweerder tot een schadevergoeding te veroordelen, nu het beroep ongegrond zal worden verklaard.
Slotsom
14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond, en
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: