ECLI:NL:RBNHO:2026:7683

ECLI:NL:RBNHO:2026:7683

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 25-06-2026
Datum publicatie 25-06-2026
Zaaknummer AWB - 26 _ 174
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Inkomstenbelasting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de hoogte van de aanslag al tot de Hoge Raad is uitgeprocedeerd. De stelling van belanghebbende dat de Hoge Raad zou hebben beslist dt hij een onderneming drijft berust op een onjuiste lezing van de wrakingsbeslissing van de Hoge Raad. Dat zo zijnde is er geen reden voor het alsnog ambtshalve verminderen van de aanslag en kon verweerder zonder hoorzitting uitspraak op het bezwaar doen. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. Dat belanghebbende het met de uitspraak op bezwaar niet eens is, maakt dat niet anders.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

mr. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/174

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 16 april 2025 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2013 (de aanslag) ontvangen (het verzoek om ambtshalve vermindering).

Verweerder heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. In de aangifte IB/PVV 2013 heeft belanghebbende onder meer een belastbare winst uit onderneming van -/- € 7.244 aangegeven (belastbare negatieve resultaat uit onderneming). Verweerder heeft dit bij het opleggen van de aanslag gecorrigeerd.

2. Tegen de aanslag is door belanghebbende bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is door het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de activiteiten van belanghebbende in 2013 niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat verweerder terecht bij het opleggen van de aanslag het aangegeven belastbare negatieve resultaat uit onderneming heeft gecorrigeerd.

3. Tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam is door belanghebbende cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende over de uitspraak van het gerechtshof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak en het cassatieberoep op 4 april 2025 ongegrond verklaard (afgedaan met artikel 81 RO).

4. Voordat de Hoge Raad op 4 april 2025 arrest wees, heeft belanghebbende de leden van de Hoge Raad gewraakt. Het wrakingsverzoek is op 28 maart 2025 door de wrakingskamer afgewezen. Voor zover van belang is in de beslissing van de wrakingskamer het volgende opgenomen:

“2.3 Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek in de kern het volgende ten grondslag. Verzoeker behandelt zaken waarbij hij onder meer aangifte heeft gedaan tegen twee personen die bij respectievelijk het hof Amsterdam en het hof Den Haag werkzaam zijn (geweest). Twee van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, zijn in het verleden als raadsheren werkzaam geweest bij deze gerechtshoven. Zij zijn derhalve, (persoonlijk) bekend met de twee personen tegen wie verzoeker aangifte heeft gedaan. Daarnaast hebben twee van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek zich richt in het verleden gewerkt bij het Ministerie van Financiën, een tegenpartij van verzoeker in de hoofdzaak, en is een van hen bovendien adviseur geweest bij een (advies)bedrijf dat een concurrent is van het bedrijf van verzoeker. Uit deze omstandigheden leidt verzoeker af dat bij de betrokken leden van de Hoge Raad onvoldoende distantie bestaat om het beroep in cassatie te kunnen behandelen en beoordelen, en een vooropgezette bedoeling om in zijn nadeel te beslissen.”

Geschil

5. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een vermindering van de aanslag.

6. Belanghebbende voert aan dat verweerder de aanslag (ambtshalve) had moeten verminderen met het door belanghebbende in de aangifte opgegeven belastbare negatieve resultaat uit onderneming, omdat volgens hem de wrakingskamer heeft geoordeeld dat hij een onderneming dreef en dus een bron van inkomen had. Hij stelt dat uit artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 volgt dat daar geen verzoek van belanghebbende voor nodig is, maar dat verweerder dat uit eigen beweging had moeten doen. Verder betoogt belanghebbende dat als al een verzoek door hem ingediend had moeten worden, dit volgens hem tijdig is ingediend danwel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens hem kon hij pas na het gewezen arrest van de Hoge Raad van 4 april 2025 een dergelijk verzoek indienen, omdat toen pas vast is komen te staan dat hij een bron van inkomen had (een onderneming dreef). Tot slot is volgens belanghebbende het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard en had hij in bezwaar gehoord moeten worden.

7. Verweerder stelt dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld, zodat geen recht bestaat op een ambtshalve vermindering. Volgens hem is door de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof Amsterdam bevestigd, zodat vast is komen te staan dat geen sprake is van een bron van inkomen in 2013. Verweerder betoogt dat de wrakingskamer enkel het wrakingsverzoek van belanghebbende in de beslissing heeft weergegeven. Daarnaast betoogt verweerder dat het verzoek om een ambtshalve vermindering evenmin kan slagen, omdat het verzoek buiten de termijn van vijf jaar is ingediend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Dient de aanslag IB/PVV 2013 (ambtshalve) verminderd te worden?

8. Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (de Uitvoeringsregeling) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:

a. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;

(…).”

9. In de kern gaat het belanghebbende erom dat de aanslag verminderd wordt. Volgens hem is met de wrakingsbeslissing vast komen te staan dat hij een onderneming dreef, hierdoor sprake is van een bron van inkomen en moet dus rekening worden gehouden met het door hem aangegeven belastbare negatieve resultaat uit onderneming. Zij hebben het immers over een ‘bedrijf van verzoeker [belanghebbende]’. Verweerder betwist dit.

10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling volgt dat verweerder een aanslag ambtshalve dient te verminderen als deze op een te hoog bedrag is vastgesteld. Nog los van de vraag of verweerder dit uit eigen beweging moet doen of dat hiertoe een verzoek (binnen vijf jaar) ingediend moet worden, is dus vereist dat een aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is daar geen sprake van. Het geschil tussen partijen over de vraag of verweerder het belastbare negatieve resultaat uit onderneming in aanmerking had moeten nemen bij het opleggen van de aanslag, is met het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2025 definitief beslecht. Door de Hoge Raad is de uitspraak van gerechtshof Amsterdam bevestigd (zie 2. en 3.), zodat vast is komen te staan dat de activiteiten van belanghebbende in 2013 geen bron van inkomen vormden. Verweerder had dus terecht het aangegeven belastbare negatieve resultaat uit onderneming gecorrigeerd bij het opleggen van de aanslag.

11. Anders dan belanghebbende veronderstelt is hier door de wrakingskamer geen oordeel over gegeven. Naast dat de wrakingskamer slechts bevoegd is om een beslissing te nemen over het wrakingsverzoek en niet over het geschil in de hoofdzaak, kan op geen enkele wijze uit de wrakingsbeslissing opgemaakt worden dat zij zich heeft uitgelaten over de vraag of belanghebbende nu een onderneming dreef of niet. De wrakingskamer heeft in de beslissing slechts hetgeen belanghebbende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd verwoord. Dat is door haar ook duidelijk in de beslissing weergegeven met de inleidende woorden “Verzoeker [belanghebbende] legt aan zijn wrakingsverzoek in de kern het volgende ten grondslag”.

12. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen oordeelt de rechtbank dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld, zodat geen recht bestaat op een (ambtshalve) vermindering van die aanslag. De grieven van belanghebbende met betrekking tot de vraag of een verzoek ingediend had moeten worden en zo ja, of dit tijdig is gedaan danwel de termijnoverschrijding verschoonbaar was, behoeven geen behandeling meer.

Had belanghebbende gehoord moeten worden?

13. Tot slot voert belanghebbende aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van belanghebbende in bezwaar. Volgens belanghebbende had verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond mogen verklaren, omdat verweerder in de uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op de gronden van zijn bezwaar.

14. In artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat slechts van horen kan worden afgezien in een aantal specifieke gevallen. Zo is dit bijvoorbeeld mogelijk indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds volgt dat het bezwaar ongegrond is en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard. Zoals hierboven is overwogen, is aan het geschil over de vraag of verweerder bij het opleggen van de aanslag rekening had moeten houden met het belastbare negatieve resultaat uit onderneming op 5 april 2025 een definitief einde gekomen. Zoals hierboven al opgemerkt, is daarmee vast komen te staan dat verweerder het aangegeven belastbare negatieve resultaat uit onderneming bij het opleggen van de aanslag terecht heeft gecorrigeerd. Ook als belanghebbende al gevolgd zou kunnen worden in zijn standpunten met betrekking tot het verzoek en de tijdigheid daarvan (zie 6.) dan nog was het, door het gewezen arrest van de Hoge Raad van 5 april 2025, overduidelijk dat belanghebbende in 2013 geen belastbaar negatief resultaat uit onderneming heeft genoten. Verweerder heeft daarom terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en kon daarmee ook afzien van het horen van belanghebbende.

16. Voor zover belanghebbende met zijn standpunt ook heeft willen betogen dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, faalt dit. Naar het oordeel van de rechtbank is in de uitspraak op bezwaar in voldoende mate ingegaan op de in bezwaar aangevoerde gronden. Belanghebbende is het weliswaar niet eens met de motivering van verweerder, maar dat betekent niet dat verweerder de beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd of onvoldoende is ingegaan op de standpunten van belanghebbende.

17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van

H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081910 NLF 2026/1708 V-N Vandaag 2026/1733 FutD 2026-1510
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand