Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1663
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende bij beschikking van 3 november 2025 € 5.444 invorderingsrente vergoed. Bij uitspraak op het tegen die beschikking gemaakte bezwaar heeft verweerder de beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Met dagtekening 31 januari 2022 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2022 opgelegd ter grootte van € 153.858.
2. Per brief van 8 april 2022 is aan belanghebbende meegedeeld dat de voorlopige aanslag mogelijk onjuist was. In deze brief werd een invorderingspauze aangeboden voor de termijnen die nog niet waren betaald. De invorderingspauze zou aflopen op het moment dat de definitieve aanslag zou zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft van de invorderingspauze gebruik gemaakt.
3. Tijdens de invorderingspauze en kennelijk per abuis is op 22 februari 2024 aan belanghebbende een betalingsherinnering verzonden waarin erop werd gewezen dat op de voorlopige aanslag een bedrag van € 111.897 open stond. Belanghebbende heeft dat bedrag in twee termijnen per omgaande voldaan.
4. Per brief van 26 februari 2024 heeft belanghebbende verweerder meegedeeld dat de betalingsherinnering van 22 februari 2024 onrechtmatig was. Belanghebbende vorderde daarom terugbetaling, verhoogd met wettelijke rente.
5. Verweerder heeft op 13 maart 2024 erkend dat de betalingsherinnering ten onrechte was verstuurd en toegezegd dat de ten onrechte ingevorderde bedragen aan belanghebbende zouden worden terugbetaald. Die terugbetaling liet echter lang op zich wachten. Op 10 oktober 2024 ontving belanghebbende € 47.800, en op 16 oktober 2025 – na verschillende brieven en herinneringen van belanghebbende – een bedrag van € 64.097.
6. Verweerder heeft in verband met het niet tijdig terugbetalen rente aan belanghebbende vergoed, zij het niet de door belanghebbende gevorderde wettelijke rente maar invorderingsrente als bedoeld in artikel 28a van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW). Met dagtekening 3 november 2025 is bij beschikking vastgesteld dat € 5.444 aan invorderingsrente aan belanghebbende wordt vergoed:
hoofdsom periode invorderingsrente
€ 111.897 23-02-2024 tot 10-10-2024 € 2.823
€ 64.097 10-10-2024 tot 16-10-2025 € 2.621
€ 5.444
Geschil 7. In geschil is de hoogte van de rentevergoeding, waarbij meer specifiek in geschil is of de rente moet worden vergoed naar de rentepercentages die gelden voor de wettelijke rente of naar de rentepercentages voor de invorderingsrente. Voor de standpunten en conclusies van partijen wordt verwezen naar de stukken.
8. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot wijziging van de beschikking waarbij de rentevergoeding wordt vastgesteld op (afgerond) € 8.979, als volgt gespecificeerd:
hoofdsom periode wettelijk rente
€ 111.897 23-02-2024 tot 10-10-2024 € 4.922,25
€ 64.097 10-10-2024 tot 16-10-2025 € 4.055,94
Totaal, afgerond € 8.979,00
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
10. Zoals blijkt uit de berekeningen in het beroepschrift zijn de bedragen en de periodes waarover de te vergoeden rente moet worden berekend niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de te hanteren rentepercentages, oftewel de percentages van de wettelijke rente (belanghebbende) of die van de invorderingsrente (verweerder). Meer in het bijzonder spitst het geschil zich daarbij toe op de vraag of artikel 28a IW van toepassing is.
11. Op grond van afdeling 4.4.2 van de Awb wordt over bestuursrechtelijke geldschulden de wettelijke rente vergoed. Volgens artikel 4:103 van de Awb geldt afdeling 4.4.2 van de Awb niet als bij wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen.
12. Artikel 28a, eerste lid, van de IW bepaalt dat indien de ontvanger een aan een belastingplichtige uit te betalen bedrag niet binnen zes weken na de dagtekening van de daartoe strekkende belastingaanslag uitbetaalt of verrekent, aan de belastingplichtige invorderingsrente wordt vergoed.
13. Volgens belanghebbende moet de wettelijke rente worden vergoed omdat verweerder toezeggingen niet is nagekomen waardoor sprake is van een onrechtmatige daad. Daarvoor is volgens belanghebbende artikel 28a IW niet bedoeld. De rechtbank overweegt evenwel dat de hoofdsom waarover rente is vergoed het bedrag van een belastingaanslag is. Juist daarvoor is artikel 28a IW geschreven. Met inachtneming van artikel 4:103 van de Awb blijft afdeling 4.4.2 van de Awb daarom buiten toepassing. In zoverre is het gelijk aan verweerder.
14. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat in weerwil van het bovenstaande de wettelijke rente moet worden vergoed omdat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op de betalingsherinnering die volgens hem ten onrechte is verstuurd. De rechtbank overweegt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade die de ander daardoor heeft geleden te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het versturen van de betalingsherinnering evenwel geen onrechtmatige daad. De betalingsherinnering heeft geen rechtsgevolg en geldt niet als (dwang)invorderingsmaatregel. Door het versturen van de betalingsherinnering heeft belanghebbende geen schade geleden.
15. De onrechtmatigheid is in dit geval gelegen in de te late terugbetaling, maar dat geeft naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor een (aanvullende) schadevergoeding. De rechtbank overweegt daartoe dat 4% rente is vergoed over bij de Belastingdienst uitstaande bedragen. Dat is een percentage dat elders in het huidige maatschappelijke en economische verkeer over uitstaande bedragen in geld niet te behalen is. Daarom is niet aannemelijk dat belanghebbende door de te late terugbetaling meer materiële schade heeft geleden dan de schade die is vergoed met het de vergoeding van invorderingsrente. Ook deze beroepsgrond van belanghebbende faalt daarom.
16. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
17. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: