RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371342 / JU RK 25-1559
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Schiettekatte te Rotterdam,
[de moeder] ,
tante van vaderskant,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 3 november 2025;
het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 5 november 2025, ontvangen van de GI op 7 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de pleegmoeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en
[vertegenwoordiger van de GI] .
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft in het pleeggezin van zijn tante.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd en nu nog duurt tot
24 januari 2026.
Bij beschikking van 24 januari 2024 heeft de kinderrechter tevens een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, welke machtiging steeds is verlengd en nu nog duurt tot 24 januari 2026.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft bij beschikking van
30 september 2024 het perspectiefbesluit van de GI van 19 juli 2024, inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet langer bij de moeder ligt, onderschreven.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. De afgelopen periode is gewerkt aan de emotionele veiligheid van [de minderjarige] , het bieden van structuur en het ondersteunen van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. [de minderjarige] ervaart rust, geborgenheid en structuur binnen het pleeggezin. Wel blijft hij kwetsbaar in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is van belang dat hij hierbij blijvend ondersteund wordt en dat gemonitord wordt wat hij nog meer nodig heeft. De moeder is wisselend betrokken en haar persoonlijke situatie is instabiel. Hierdoor is structurele omgang met haar niet van de grond gekomen. De moeder neemt ook geen deel aan de overleggen met het zorgteam. In mei 2025 is een verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging ingediend bij de Raad. Totdat hier duidelijkheid over is, is het van belang dat de maatregelen worden verlengd om de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] te blijven waarborgen.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de Raad nog niet is gestart met het onderzoek naar gezagsbeëindiging. Het is onbekend wanneer dit zal gebeuren. Om die reden handhaaft de GI het verzoek voor de duur van een jaar, ondanks het advies van de Raad om de maatregelen met zes maanden te verlengen. Er is geen vaste omgang tussen [de minderjarige] en de moeder, omdat dit lastig is vanwege het weekschema van [de minderjarige] en de situatie van de moeder. [de minderjarige] wordt regelmatig gevraagd wat hij wil en dan organiseert pleegzorg een contactmoment. Dat [de minderjarige] geen rechtstreeks contact mag hebben met de moeder is vanwege belastende uitspraken die de moeder eerder heeft gedaan.
Desgevraagd heeft de GI aangegeven een verplicht kader noodzakelijk te vinden, omdat bij de moeder een terugkerend patroon wordt gezien waarin goede periodes worden afgewisseld met minder goede periodes.
4. De standpunten
De moeder en haar advocaat hebben ter zitting aangegeven dat de moeder zich niet verzet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. Hoewel ze het liefst zou willen dat [de minderjarige] thuis woont, ziet de moeder dat hij bij de pleegmoeder op zijn plek is. De moeder kan zich echter niet vinden in een verlenging met zes maanden, zoals door de Raad geadviseerd. Het onderzoek van de Raad is nog niet gestart en de moeder stemt niet in met een eventuele gezagsbeëindiging. Zij verleent overal haar medewerking aan en zal dat blijven doen. De moeder wil graag rechtstreeks contact met [de minderjarige] en ook een vaste omgangsregeling met hem. Verder zou zij rechtstreeks contact met de pleegmoeder willen hebben. Het gaat nu goed met de moeder en zij is stabiel. Een dag voor de zitting is zij uit de kliniek ontslagen, waar zij een week heeft verbleven in verband met verslaving aan verdovende middelen. De moeder wil urinecontroles doen om te laten zien dat zij te vertrouwen is. Ze wil graag weer deelnemen aan de overleggen.
De pleegmoeder heeft ter zitting aangegeven dat zij achter het verzoek staat. Het gaat goed met [de minderjarige] . Af en toe is school een uitdaging. De pleegmoeder staat achter het contact tussen [de minderjarige] en zijn moeder. Wel wil zij dat daarbij aandacht is voor het feit dat [de minderjarige] in zijn examenjaar zit en het belangrijk is dat de contactmomenten geen onrust en teleurstelling met zich meebrengen. De pleegmoeder staat in het belang van [de minderjarige] open voor contact met de moeder.
5. De mening van de minderjarige
[de minderjarige] heeft het goed bij zijn tante en begrijpt dat hij bij haar blijft wonen. Wel zou hij willen dat hij rechtstreeks contact met zijn moeder mag hebben en zou hij haar vaker willen zien. Ook zijn zusjes zou hij vaker willen zien. [de minderjarige] vindt de hulp van zijn coach fijn. Aan andere hulp heeft hij geen behoefte.
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De gronden zoals die bij de vorige verlenging van de ondertoezichtstelling bestonden, zijn nog steeds aanwezig. [de minderjarige] heeft in de thuissituatie bij de moeder veel meegemaakt. Er zijn zorgen over zijn sociaal emotionele ontwikkeling. De moeder is wisselend betrokken. Hoewel de moeder aangeeft dat het nu beter met haar gaat, ziet de GI een patroon waarbij goede periodes zich afwisselen met minder goede periodes. Daar komt bij dat de moeder zeer recent is ontslagen uit een verslavingskliniek, zodat nog onvoldoende duidelijk is hoe stabiel haar situatie op dit moment is. Verder is nog steeds geen structurele omgang tussen [de minderjarige] en de moeder. [de minderjarige] wil graag rechtstreeks en meer contact met zijn moeder. Het is goed dat hier aandacht voor komt, maar het moet wel in het belang van [de minderjarige] zijn en blijven.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder wisselend betrokken is geweest. Zo nam zij een tijd geen deel aan de overleggen van het zorgteam. De moeder geeft nu aan dat zij dat wel weer wil, maar dit moet nog worden opgepakt.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] dan ook verlengen.
Gelet op het voorgaande is ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
Het perspectief van [de minderjarige] ligt al enige tijd niet meer bij de moeder en iedereen is het er ook over eens dat [de minderjarige] bij de pleegmoeder zal opgroeien.
De kinderrechter ziet echter aanleiding om zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan verzocht. De Raad heeft geadviseerd tot verlenging met zes maanden in verband met het bij hen door de GI ingediende verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. Hoewel dit onderzoek nog niet is gestart, verwacht de Raad dit kennelijk wel binnen een termijn van zes maanden te hebben voltooid. Nu de beslissingen van deze kinderbeschermingsmaatregelen samenhangen met de uitkomst van het onderzoek naar de gezagsbeëindigende maatregel, acht de kinderrechter het van belang om hierin een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter zal dan ook de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegmoeder verlengen voor de duur van zes maanden en het verzoek voor het overige aanhouden tot een nader te bepalen zitting begin juli 2026.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nieuwe zittingsdatum de rechtbank te berichten of het verzoek voor de resterende duur wordt gehandhaafd en zo ja, te informeren over de actuele stand van zaken. Indien de GI te zijner tijd beslist het resterende verzoek in te trekken, dient de GI die beslissing door de Raad te laten toetsen en de uitkomst van die toetsing toe te voegen aan het intrekkingsbericht aan de rechtbank.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 24 juli 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 24 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting begin juli 2026;
bepaalt dat de griffier de verzoeker, de moeder, de advocaat van de moeder, de pleegmoeder, [de minderjarige] en de GI dient op te roepen;
bepaalt dat de GI de rechtbank uiterlijk twee weken vóór de nieuwe zittingsdatum schriftelijk dient te informeren over de actuele stand van zaken, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.3.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A. Fröberg als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.