RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11847608 \ CV EXPL 25-2423 TB
Vonnis van 8 januari 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING INTERMARIS, als rechtsopvolger van de stichting Stichting Intermarishoeksteen,
te Hoorn,
eisende partij,
hierna te noemen: Intermaris,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,
tegen
[bewindvoerder] H.O.D.N. VESTA BEWINDVOERING in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van [onderbewindgestelde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder q.q. en [onderbewindgestelde] ,
gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg.
De zaak in het kort
De verhuurder van een sociale huurwoning vordert ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van zeven maanden achterstallige huur. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand toe. Deze huurachterstand rechtvaardigt voorts de ontbinding van de huurovereenkomst. Ook de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden daarom toegewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2025
- de conclusie van antwoord van 23 oktober 2025
- het tussenvonnis van 6 november 2025
- de akte uitlating van Intermaris van 4 december 2025
- de akte overlegging producties 2 en 3 van de bewindvoerder q.q. van 9 december 2025
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Intermaris verhuurt met ingang van 1 april 2025 aan [onderbewindgestelde] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 595,46 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Woonwagen en Woonwagenstandplaats in de gemeente [plaats] van 7 mei 2025 van toepassing.
[onderbewindgestelde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Intermaris heeft [onderbewindgestelde] aangemaand op 8 juli 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
Bij beschikking van 27 november 2025 is [onderbewindgestelde] onder bewind gesteld en is [bewindvoerder] h.o.d.n. Vesta Bewindvoering benoemd tot bewindvoerder.
3. Het geschil
Intermaris vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 4.763,68 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
Intermaris legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De bewindvoerder q.q. is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Intermaris de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
De bewindvoerder q.q. voert verweer. Zij heeft de huurachterstand niet weersproken maar brengt persoonlijke omstandigheden van [onderbewindgestelde] naar voren. In augustus 2025 is een verzoek tot onderbewindstelling gedaan, op 17 oktober 2025 heeft daarin een zitting plaatsgevonden en pas op 27 november 2025 is een beschikking gegeven waarin een bewindvoerder is benoemd. Het bewind voor [onderbewindgestelde] is aangevraagd op grond van psychische en lichamelijk problematiek. De huurtermijn voor september is voldaan eind augustus 2025 en de inkomsten zullen vanaf het moment dat de bewindvoerder is aangesteld naar de bewindvoerder gaan. De huurpenningen kunnen dan rechtstreeks worden voldaan. Verder krijgt [onderbewindgestelde] vanuit de WMO intensieve ambulante thuisbegeleiding en is [onderbewindgestelde] aangemeld bij verslavingszorg. Zij stellen de voorwaarde dat [onderbewindgestelde] een woning moet hebben om te kunnen worden behandeld. Als hij zijn woning verliest ontvangt hij ook geen verslavingszorg. [onderbewindgestelde] heeft ook daarom belang bij behoud van zijn woning.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Ambtshalve toetsing van: de Huurovereenkomst en Algemene Voorwaarden voor Woonwagen en Woonwagenstandplaats in de gemeente [plaats] van Intermaris (hierna: de algemene voorwaarden)
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
De voor de vordering relevante bedingen over huurverhoging in de huurovereenkomst en relevante bedingen in artikel 4 en 11 algemene voorwaarden zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Intermaris heeft voldaan aan de vroegsignalering
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Intermaris heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
De huurachterstand moet worden betaald en de bijkomende kosten
De bewindvoerder q.q. heeft erkend dat er een huurachterstand is die tot en met december 2025 berekend is op een bedrag van € 4.763,68. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
De bewindvoerder q.q. is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen. Naast de in de dagvaarding berekende rente, zal de verdere rente worden toegewezen, zoals hierna zal worden vermeld.
Intermaris vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [onderbewindgestelde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Intermaris heeft aan [onderbewindgestelde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 432,30 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand vier maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels zeven maanden.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De door de bewindvoerder q.q. aangevoerde omstandigheden maken dit niet anders. Hoewel in augustus 2025 nog een betaling is gedaan voor de huur van augustus 2025, zijn verder geen huurtermijnen meer voldaan. Dat de doorlooptijd tot onderbewindstelling van [onderbewindgestelde] wat langer heeft geduurd, laat onverlet dat [onderbewindgestelde] in de tussentijd zijn huur moet betalen. Inmiddels is [onderbewindgestelde] wel onder bewind gesteld en is een bewindvoerder aangewezen. Het staat partijen uiteraard vrij om in onderling overleg alsnog een (betalings)regeling te treffen, maar daartoe is de medewerking van Intermaris nodig.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [onderbewindgestelde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat op grond van de wet alleen de deurwaarder een ontruiming van een woning mag uitvoeren.
[onderbewindgestelde] moet tot de ontruiming € 595,46 per maand betalen
Intermaris wil ook dat de bewindvoerder q.q. wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 595,46, te rekenen vanaf de maand januari 2026 tot het moment dat [onderbewindgestelde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [onderbewindgestelde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
[onderbewindgestelde] moet de proceskosten betalen
De bewindvoerder q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intermaris worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.471,47
5. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] ,
veroordeelt [onderbewindgestelde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Intermaris zijn, en de sleutels af te geven aan Intermaris,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om te betalen aan Intermaris:
- € 4.763,68 aan achterstallige huur tot en met december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 595,46 per maand vanaf januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. om aan Intermaris te betalen een bedrag van € 432,30 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt de bewindvoerder q.q. in de proceskosten van € 1.471,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [onderbewindgestelde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.