RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/352923 / HA ZA 24-301
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser] in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V,
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. E.A. Vos,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.B. Houtappel.
De zaak in het kort
[gedaagde] was enig bestuurder van de vennootschap [bedrijf 1] B.V. De vennootschap is in 2022 failliet verklaard. De curator spreekt [gedaagde] aan vanwege een nog openstaand rekening-courantsaldo en op grond van een onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder. De curator vordert betaling van het openstaande rekening-courantsaldo dan wel betaling van het faillissementstekort. [gedaagde] voert verweer.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. De administratie van [bedrijf 1] voldoet niet aan de wettelijke eisen. Het is aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het faillissementstekort aan de curator.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 februari 2025
- een nadere toelichting van [gedaagde] en productie 2 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitaantekeningen van mr. Vos namens de curator
- de spreekaantekeningen van mr. Houtappels namens [gedaagde].
Na de mondelinge behandeling is de procedure op verzoek van partijen aangehouden om te overleggen over een minnelijke regeling. Op de rol van 8 oktober 2025 heeft de curator vonnis gevraagd en [gedaagde] heeft verzocht een akte te nemen. Dit verzoek is toegestaan. [gedaagde] heeft daarna niet tijdig een akte genomen, maar een uitstelverzoek ingediend. Dit uitstelverzoek is afgewezen. Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De feiten
De besloten vennootschap [bedrijf 1] is opgericht op 7 juni 2017. [bedrijf 1] dreef tot aan haar faillissement een onderneming die zich bezig hield met loodgieters- en fitterswerk, waarbij zij voornamelijk installatie- en onderhoudsprojecten met betrekking tot keukens en badkamers uitvoerde. [gedaagde] is sinds de oprichting enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1].
[bedrijf 1] is bij vonnis van deze rechtbank van 2 augustus 2022 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator tot curator. De curator heeft onderzoek verricht naar de administratie van [bedrijf 1].
[bedrijf 1] heeft haar jaarrekening 2021 op 9 augustus 2022 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. De jaarrekening is ondertekend door [gedaagde].
Tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] bestond een rekening-courantverhouding. De vordering van [bedrijf 1] op [gedaagde] bedroeg volgens die rekening-courantverhouding op de faillissementsdatum € 636.331,02.
De curator heeft [gedaagde] meermaals verzocht, waaronder bij e-mail van 25 november 2022, een toelichting te geven op de rekening-courantvordering.
In een e-mail van 5 december 2022 heeft [gedaagde] aan de curator laten weten een tegenvordering te hebben op [bedrijf 1], die onder meer ziet op loon uit hoofde van een arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft [gedaagde] verzocht om overleg.
De curator heeft meermaals aan [gedaagde] verzocht, onder meer bij e-mail van 16 december 2022, om de door hem gestelde tegenvordering nader te onderbouwen en data voorgesteld voor een overleg. Een reactie van [gedaagde] bleef uit.
In een brief van 21 maart 2023 heeft de curator [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de rekening-courantvordering. Een onderbouwing van de tegenvordering dan wel betaling van de rekening-courantverhouding bleef uit.
De rechter-commissaris heeft de curator op 8 november 2023 gemachtigd voor het leggen van conservatoir beslag. Op 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend om ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag te leggen op een onroerende zaak die in eigendom aan [gedaagde] toebehoort en conservatoir derdenbeslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN Amro Bank N.V. en Aegon Bank N.V. Op 2 april 2024 zijn deze beslagen gelegd.
Op 3 april 2024 heeft de boekhouder van [gedaagde], [bedrijf 2], telefonisch contact opgenomen met de curator. In een e-mail van diezelfde dag is opnieuw verzocht om een toelichting op de hoogte van de rekening-courantvordering.
In een e-mail van 3 mei 2024 heeft de curator enige onderbouwing van het verweer van [gedaagde] tegen de rekening-courantvordering ontvangen.
3. Het geschil
in conventie
De curator vordert – samengevat – na wijziging van eis:
Primair
I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van € 636.331,02 uit hoofde van de rekening-courantverhouding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
Subsidiair (voorwaardelijk)
II. [gedaagde] – indien (1) de primaire volledig wordt afgewezen of (2) indien de primair toegewezen vordering lager is dan het faillissementstekort – te veroordelen tot betaling aan de curator van het faillissementstekort, althans tot schadevergoeding op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] voorwaardelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een voorschot op het faillissementstekort van een bedrag van € 234.000,00, dan wel een ander bedrag wat de rechtbank juist en rechtvaardig acht;
Zowel primair als subsidiair
IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de buitengerechtelijke incassokosten van € 4.956,65;
V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de beslagkosten van € 3.502,00;
VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de proceskosten.
De curator stelt dat de administratie van [bedrijf 1] geen betrouwbaar beeld geeft van de werkelijkheid. Dat de rekening-courantverhouding vanwege onjuiste boekingen gecorrigeerd moet worden is door [gedaagde] niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Omdat [gedaagde] niet aan de administratie- en deponeringsplicht heeft voldaan is sprake van onbehoorlijk bestuur en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [gedaagde] is als bestuurder tegenover de boedel c.q. curator aansprakelijk voor het faillissementstekort.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist het saldo van de rekening-courantverhouding, omdat deels betalingen onjuist zijn verwerkt en ten onrechte zijn geboekt in rekening-courant. Ook zijn er betalingen die door [gedaagde] namens de vennootschap zijn verricht niet verrekend. De administratie was op de datum van het faillissement onvolledig en niet bijgewerkt. Het saldo moet in ieder geval gecorrigeerd worden. Onduidelijk is welke bezwaren de curator heeft tegen het overzicht van [gedaagde]. [gedaagde] heeft de boekhouder gevraagd verder uit te zoeken welke betalingen ten onrechte in de rekening-courantverhouding zijn geboekt. De curator heeft geen belang bij haar vordering voor zover zij een bedrag vordert boven het faillissementstekort van € 234.000,-.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert de curator te gebieden tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen op de onroerende zaak en onder derden.
De curator voert verweer. De curator concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagde]. De curator voert aan dat de vordering grondslag mist, omdat de gelegde beslagen bij afwijzing van de vordering van de curator op grond van de wet van rechtswege vervallen wanneer de curator geen hoger beroep instelt. Bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de curator moete ne beslagen in stand blijven ter waarborging van verhaal op [gedaagde].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Maximale hoogte van de toe te wijzen vordering
De primaire vordering betreft een vordering van [bedrijf 1] op [gedaagde] uit hoofde van een openstaand rekening-courantsaldo van € 636.331,02. De subsidiaire vorderingen zien op het tekort van de boedel vanwege onbehoorlijk bestuur.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de curator voorgehouden dat toewijzing van de primaire vordering kan leiden tot een overschot in de boedel, omdat het faillissementstekort lager is dan het openstaande rekening-courantsaldo. Omdat [gedaagde] enig aandeelhouder is van [bedrijf 1] zou dat overschot aan [gedaagde] toekomen en ontstaat een vestzak-broekzak situatie. Feitelijk is het faillissementstekort daarom het maximale bedrag dat de curator uiteindelijk (in haar hoedanigheid) ter vereffening van de schulden van de vennootschap toekomt. De curator heeft dit beaamd.
Onbehoorlijk bestuur
De beoordeling van de vordering uit hoofde van de rekeningcourantverhouding laat de rechtbank uit praktisch oogpunt gelet op het voorgaande in het midden, omdat de (feitelijk lagere) vordering op grond van onbehoorlijk bestuur toewijsbaar is. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
Het toetsingskader
In artikel 2:248 lid 2 BW is bepaald dat een bestuurder die niet voldoet aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (administratieplicht) of 2:394 BW (publicatie jaarrekening) zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Vermoed wordt dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder kan dit wettelijk vermoeden weerleggen door het leveren van tegenbewijs.
Volgens artikel 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
Niet voldaan aan administratieplicht
De wet vereist dat de administratie een getrouw beeld geeft van de financiële positie van de rechtspersoon. Vast staat dat de gedeponeerde jaarrekening 2021 aan deze eis niet voldoet. [gedaagde] heeft immers zelf gesteld dat het rekening-courantsaldo zoals dat blijkt uit de jaarrekening onjuist is; posten zijn ten onrechte op rekening-courant geboekt, er zijn posten niet opgenomen en er zijn betalingen door [gedaagde] in privé verricht. [gedaagde] heeft toegelicht dat de post rekening-courant moet worden opgesplitst in kosten van de [bedrijf 1] en [bedrijf 3] (de destijds ingebrachte eenmanszaak).
De gedeponeerde jaarrekening 2021 gaf volgens [gedaagde] geen getrouw beeld van de financiële situatie van [bedrijf 1]. Het betoog van [gedaagde] dat de onjuistheden achteraf gereconstrueerd kunnen worden doet hier niets aan af. Feit is dat de jaarrekening 2021 door [gedaagde] is ondertekend en als vastgesteld is gedeponeerd. De jaarstukken moeten op dusdanige wijze worden opgesteld dat derden de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen kennen. Ook de boekhouder van [gedaagde] heeft erkend dat de administratie niet op orde was. Zoals door de curator terecht is aangevoerd is zeer aannemelijk dat de vennootschap al veel eerder het faillissement had moeten aanvragen. In dat geval zouden de schulden van de vennootschap minder zijn opgelopen. Onder meer leveranciers zijn nu de dupe, omdat veel langere tijd bouwmaterialen zijn geleverd en onbetaald zijn gebleven. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat twee leveranciers het faillissement van [bedrijf 1] hebben aangevraagd.
Vast staat dus dat [gedaagde] artikel 2:10 BW niet heeft nageleefd. Bovendien is niet voldaan aan artikel 2:394 BW, omdat de jaarrekening niet tijdig is gepubliceerd. Op grond van art. 2:248 BW staat dan ook vast dat de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Vermoed wordt dat de schending van deze verplichtingen een belangrijke oorzaak zijn geweest van het faillissement. [gedaagde] betoogt dat een combinatie van factoren hebben geleid tot het faillissement. Het faillissement zou volgens [gedaagde] zijn veroorzaakt door een cashflowtekort wat is ontstaan doordat gelijktijdig opdrachten terugvielen, opdrachtgevers te laat betaalden en de schulden bij de leveranciers van bouwmaterialen opliepen. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij omdat [gedaagde] zijn stellingen ten aanzien van voornoemde omstandigheden zonder concrete onderbouwing heeft gelaten. Het wettelijk vermoeden is dus niet ontzenuwd.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] als bestuurder tegenover de boedel aansprakelijk is voor het faillissementstekort van [bedrijf 1].
Gevorderde voorschot op het faillissementstekort is toewijsbaar
De curator vordert een voorschot op het faillissementstekort van € 234.000,-, mede ter financiering van deze procedure, de gedeeltelijke voldoening van boedelschulden en preferente schulden en voor de verdere afwikkeling van het faillissement. [gedaagde] heeft verzocht deze vordering af te wijzen, omdat er nog veel onduidelijkheden zijn.
Met inachtneming van de door de curator aangevoerde belangen ziet de rechtbank voldoende grond voor toewijzing van de vordering tot betaling van een voorschot in het faillissement. Het gevorderde voorschot op het faillissementstekort van € 234.000,- zal daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
De curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De curator heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. In dit geval vallen die werkzaamheden echter onder het tekort van de boedel, omdat de curator via die route recht heeft op vergoeding van haar werkzaamheden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze vordering toe te wijzen; die kosten maken deel uit van het boedeltekort waarin [gedaagde] zal worden veroordeeld.
Beslagkosten
De curator vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De beslagkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking indien het beslag rechtmatig is, dat wil zeggen met inachtneming van de daartoe gestelde wettelijke vereisten is gelegd. Uit de overgelegde beslagstukken moet kunnen worden opgemaakt dat aan deze vereisten is voldaan. De curator heeft het exploot van betekening van de conservatoir beslagen op de onroerende zaak en onder derden niet overgelegd en ook de overbetekening van de dagvaarding aan degenen onder wie het derdenbeslag is gelegd ontbreekt. Voor de ontbrekende beslagstukken geldt dat niet beoordeeld kan worden of de voor het beslag geldende formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. Deze vordering is dan ook onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
2.306,00
- salaris advocaat
€
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
€
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.985,37
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Uitgangspunt is dat de rechtbank een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard als daarom wordt gevraagd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de rechtbank het te wijzen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad moet verklaren, omdat er veel onduidelijkheden zijn. Verdere toelichting heeft [gedaagde] echter niet gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van voormeld uitgangspunt.
in reconventie
[gedaagde] vordert in geval van afwijzing van de vordering van de curator te gebieden dat deze de gelegde beslagen opheft. Omdat de vorderingen van de curator (deels) worden toegewezen heeft de curator belang bij het behoud van de beslagen. De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat
€
3.502,00
(2 punten × 0,5 × € 3.502,00)
- nakosten
€
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.641,00
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [gedaagde] in het tekort van het faillissement van [bedrijf 1] B.V., nader op te maken bij staat,
veroordeelt [gedaagde] om bij wijze van voorschot aan de curator te betalen een bedrag van € 234.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.985,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.641,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.3. en 5.5. t/m 5.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
1589