ECLI:NL:RBNHO:2026:810

ECLI:NL:RBNHO:2026:810

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 25/3042
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres tot verwijdering van haar politiegegevens op grond van het tweede lid van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). De rechtbank tot het oordeel dat de regelgeving waarop eiseres zich beroept geen verplichting inhoudt voor de korpschef om gegevens te verwijderen. De regelgeving waarop eiseres zich beroept heeft betrekking op de wijze waarop sepotgronden door de Officier van Justitie gehanteerd en geregistreerd worden in het Justitieel Documentatie Register en de wijze waarop wordt omgegaan met persoonsgegevens in de strafrechtsketendatabank. De rechtbank wijst erop dat het Justitieel Documentatie Register en de strafrechtsketendatabank niet worden beheerd door de korpschef maar door de Justitiële Informatiedienst. Dit zijn dus geen politiegegevens in de zin van de Wpg waarover de korpschef kan beschikken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/3042

(gemachtigde: mr. R.T. Poort),

en

De korpschef van politie, de politiechef van eenheid Noord-Holland, de korpschef

(gemachtigde: mr. E.M. ter Denge).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres tot verwijdering van haar politiegegevens op grond van het tweede lid van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). Eiseres is het hier niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de regelgeving waarop eiseres zich beroept geen verplichting inhoudt voor de korpschef om gegevens te verwijderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 3 maart 2025 heeft de Privacydesk van de politie-eenheid Noord-Holland een e-mail doorgestuurd gekregen van het Openbaar Ministerie, waarin de gemachtigde van eiseres vraagt om in verband met een sepotbeslissing te bevestigen dat (…) alle registraties omtrent deze zaak in verbinding met de persoon van eiseres zijn gewist bij de politie. Dit verzoek is door de korpschef in behandeling genomen als een verzoek in de zin van artikel 28 van de Wpg.

De korpschef heeft het verzoek met het bestreden besluit van 2 juni 2025 afgewezen. De korpschef heeft daarbij overwogen dat politiegegevens op grond van het tweede lid van artikel 28 van de Wpg alleen worden vernietigd indien dit volgt uit een wettelijke verplichting of als de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift zijn verwerkt. Volgens de korpschef is hiervan geen sprake waardoor geen grond bestaat om de gegevens te verwijderen. De korpschef wijst erop dat de registratie van eiseres als “verdachte” bovendien al is gerectificeerd naar “onterecht verdachte”.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 16 juli 2025 heeft de korpschef de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden aan de rechtbank. Daarbij zijn ook stukken gevoegd in een gesloten envelop met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat sprake is van gewichtige redenen voor geheimhouding. Verzocht is om die geheime stukken bij de beoordeling te betrekken zonder dat eiseres inzage en kennis krijgt van de inhoud ervan. Uit de begeleidende brief van de korpschef blijkt dat het gaat om mutatierapporten. Op 7 augustus 2025 heeft de rechtbank eiseres gevraagd toestemming te verlenen aan de bestuursrechter om deze stukken te betrekken bij de beoordeling van haar beroep. Eiseres heeft hiervoor geen toestemming gegeven en de rechtbank verzocht om het verzoek van de korpschef tot beperking van de kennisneming af te wijzen.

Op 3 december 2025 heeft de korpschef op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. M. van Breenen als waarnemer van de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

Eiseres stelt dat de korpschef verplicht is haar registratie als “ten onrechte aangemerkte verdachte” te verwijderen. Daarvoor voert eiseres in haar beroepschrift aan dat de beslissing om haar niet te vervolgen omdat zij ten onrechte was aangemerkt als verdachte in een strafzaak, ingevolge artikel 7 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, geen justitieel gegeven betreft. Volgens eiseres moet dit op grond van paragraaf 6 van de Aanwijzing gebruik sepotgronden tot gevolg hebben dat een feit als geheel wordt verwijderd uit het documentatieregister. Naar aanleiding van het verweer van de korpschef, heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting laten weten zich niet langer op genoemd besluit en aanwijzing te beroepen maar in plaats daarvan een beroep te doen op artikel 5 van het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden.

3.

De rechtbank acht dit nieuwe standpunt op zitting te laat ingediend. Het is mogelijk om ter zitting een nadere onderbouwing te geven ter motivering van een eerder genoemde beroepsgrond, als dit niet in strijd is met een goede procesorde. Van strijd met de goede procesorde is sprake als die onderbouwing verwijtbaar zo laat wordt ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Daarvan is in dit geval sprake. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat hij bij de voorbereiding van de zaak mede naar aanleiding van het verweerschrift de zaak nader heeft bestudeerd en daarbij op deze nadere onderbouwing kwam. Het verweerschrift dateert echter van 3 december 2025, en gelet op de datum van de zitting valt niet in te zien waarom de gemachtigde van eiseres niet voorafgaand aan de zitting zijn nieuwe standpunt schriftelijk aan de rechtbank en verweerder kenbaar had kunnen maken. Daarbij kan in het midden blijven of het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden, waarop ter zitting een beroep is gedaan, is aan te merken als een nadere onderbouwing van een al eerder aangevoerde beroepsgrond. Gelet op het voorgaande laat de rechtbank het beroep op dit besluit ter zitting wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

De rechtbank stelt vast dat onderhavig beroep ziet op het besluit van de korpschef dat is genomen op het verzoek van eiseres om naar aanleiding van de nader aangeduide sepotbeslissing alle registraties omtrent deze zaak in verbinding met haar persoon bij de politie te wissen. Ter beoordeling ligt daarom voor de vraag of de korpschef terecht het verzoek van eiseres om verwijdering van politiegegevens in de zin van het tweede lid van artikel 28 van de Wpg heeft afgewezen.

Op grond van het tweede lid van artikel 28 Wpg komen gegevens alleen voor vernietiging in aanmerking als ze in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Eiseres heeft niet onderbouwd dat hiervan sprake is. Gesteld noch gebleken is dat de politieregistraties feitelijk onjuist zijn.

Blijkens het beroepschrift en de toelichting ter zitting gaat het eiseres om de verwijdering van de vermelding van een nader aangeduide strafzaak in haar strafblad op grond van andere regelgeving dan de Wpg. De regelgeving waarop eiseres zich beroept heeft betrekking op de wijze waarop sepotgronden door de Officier van Justitie gehanteerd en geregistreerd worden in het Justitieel Documentatie Register en de wijze waarop wordt omgegaan met persoonsgegevens in de strafrechtsketendatabank. De rechtbank wijst erop dat het Justitieel Documentatie Register en de strafrechtsketendatabank niet worden beheerd door de korpschef maar door de Justitiële Informatiedienst. Dit zijn dus geen politiegegevens in de zin van de Wpg waarover de korpschef kan beschikken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat de korpschef terecht tot afwijzing van het verzoek heeft besloten.

Omdat het onderhavig beroep niet ziet op een besluit op een verzoek om inzage of verstrekking van gegevens is bij de beoordeling kennisname van de inhoud van de onder 2.3. vermelde geheime stukken niet aan de orde. Dat brengt mee dat de vraag of het verzoek van de korpschef om beperking van de kennisneming terecht is, geen beantwoording behoeft. Verwijzing naar een andere kamer van de rechtbank, zoals bepaald in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is daarom, anders dan partijen stellen, evenmin aan de orde. Het gevolg van de weigering van de toestemming door eiseres is dat de bestuursrechter die het beroep behandelt van de geheime stukken geen kennis neemt, zoals in onderhavig geval. Omdat het gaat om stukken waarvan de korpschef niet verplicht is om deze in te brengen, zal de rechtbank de stukken zoals bepaald in het tweede lid van artikel 2.8 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021, terugsturen aan de korpschef.

Conclusie en gevolgen

4. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat het besluit van de korpschef in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.R. ten Berge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?