RECHTBANK NOORD-HOLLAND
vonnis
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/376565 / HA ZA 26-228
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
1.MEDIATV VOF,
te Rotterdam,
2.SP NETWORKS B.V., h.o.d.n. Regio15,
te Amsterdam,
3.[eiser 3] B.V.,
te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. L. Varela,
tegen
1.[gedaagde 1],
te [plaats 1],
2.[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagden,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding
de akte van eisers houdende uitlating niet (tijdig) betalen griffierecht.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Ingevolge artikel 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken zijn eisers griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting en dienen zij ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel daar ter griffie is gestort.
De griffier heeft geconstateerd dat eisers het griffierecht niet tijdig hebben voldaan. Op grond van het bepaalde in artikel 127a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidt dit tot ontslag van instantie van gedaagden.
Eisers hebben aangevoerd dat na het verstrijken van de eerste betalingstermijn het Dienstencentrum Rechtspraak een tweede termijn van veertien dagen heeft gesteld bij aanmaning van 7 mei 2026. De advocaat van eisers heeft deze tweede termijn opgevat als een reële hersteltermijn. Het griffierecht is vervolgens op 15 mei 2026 betaald. Volgens de advocaat van eisers heeft de griffie van de rechtbank in een telefoongesprek met een medewerker van haar kantoor bevestigd dat betaling na het verstrijken van de eerste betalingstermijn, maar binnen de tweede termijn geen probleem zou opleveren voor de verdere behandeling van de zaak. Verder zou het volgens eiseressen onbillijk zijn als zij het aanzienlijke bedrag van € 7.062,- aan griffierecht opnieuw verschuldigd zou zijn als zij gedaagden opnieuw zou moeten dagvaarden, terwijl zij naar verwachting (opnieuw) niet zullen verschijnen.
De door eisers aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding om laatstgenoemde bepaling op de in artikel 127a lid 3 Rv genoemde grond buiten toepassing te laten. Volgens vaste rechtspraak moet een advocaat immers op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de wettelijke betalingstermijn en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan. Dat eisers een betalingsherinnering hebben ontvangen voor het betalen van het griffierecht doet er niet aan af dat het griffierecht binnen vier weken vanaf de eerste roldatum moet zijn voldaan op straffe van verval van instantie van gedaagde. Ook als het griffierecht niet binnen die termijn is betaald, blijven eisers het griffierecht verschuldigd. Om die reden hebben zij een betalingsherinnering ontvangen. In de betalingsherinnering staat overigens ook vermeld dat de oorspronkelijke betalingstermijn blijft gelden. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat (een medewerker van) de griffie van de rechtbank aan (een medewerker van) de advocaat van eisers heeft meegedeeld dat het griffierecht nog na het verstrijken van de termijn van vier weken kon worden betaald zonder dat zit zou leiden tot ontslag van instantie van gedaagden. Eiseressen hebben die stelling ook niet van een onderbouwing voorzien, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot nihil.
3. De beslissing
De rechtbank
ontslaat gedaagden van de instantie,
veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op
27 mei 2026.