ECLI:NL:RBNHO:2026:8613

ECLI:NL:RBNHO:2026:8613

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 13-07-2026
Zaaknummer HAA 26/1253
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor medicinale cannabis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijzondere bijstand op de juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/1253

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec, het college

(gemachtigde: E. Schaper en N. Kok).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor medicinale cannabis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijzondere bijstand op de juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van medicinale cannabis. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Ter zitting is de gemachtigde van het Uwv verschenen. Eiseres en de tweede gemachtigde van verweerder hebben via een digitale videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Achtergrond van de zaak

3. Eiseres heeft al jarenlang diverse medische aandoeningen, in het bijzonder artritis psoriatica, een gewrichtsontsteking in het kader van psoriasis. Ter bestrijding van de pijnklachten die deze ontstekingen veroorzaken gebruikt zij medicinale cannabis. Eiseres heeft al eerder bijzondere bijstand aangevraagd voor medicinale cannabis. Er bestaat al geruime tijd een geschil over de vergoeding van de kosten van medicinale cannabis tussen eiseres en het college. Dit heeft geleid tot eerdere beroepsprocedures.

Eiseres heeft op 10 december 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor medicinale cannabis. Deze aanvraag is afgewezen. Er is een voorlopige voorziening getroffen hangende het bezwaar. De voorzieningenrechter had een voorschot toegekend, omdat op voorhand niet duidelijk is of nader onderzoek zal leiden tot een herroeping van het eerdere besluit. In de beslissing op bezwaar is de afwijzing gehandhaafd. Eiseres is daartegen in beroep gegaan. Dit beroep is ongegrond verklaard. Ook in hoger beroep blijft de afwijzing van de bijzondere bijstand gehandhaafd.

Eiseres heeft op 28 augustus 2019 nogmaals een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor medicinale cannabis. Deze aanvraag is afgewezen. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan. In de beslissing op bezwaar is de afwijzing gehandhaafd.

Eiseres heeft op 21 januari 2020 opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd. Deze aanvraag is, na bezwaar gehandhaafd, afgewezen. Eiseres is hiertegen in beroep gegaan. De rechtbank heeft in de beroepsprocedure aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Naar aanleiding van dit deskundige rapport is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het beroep ongegrond is. Eiseres is hiertegen in hoger beroep gegaan. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft het volgende overwogen. De deskundige heeft geconcludeerd dat medicinale cannabis niet de enige manier is waardoor de door eiseres gestelde acute noodsituatie als gevolg van haar pijnklacht door de artritis te verhelpen. Daarnaast heeft de deskundige in reactie op de vraag van de rechtbank hoe groot hij de kans acht dat geen enkele behandelmogelijkheid of vorm van medicatie tot een positief resultaat zou leiden het volgende opgemerkt:

“Als de klachten toch ook deels veroorzaakt zouden worden door artritis psoriatica is het heel aannemelijk dat een bepaalde behandelmodaliteit die valt binnen de richtlijnen voor behandeling van artritis psoriatica een positief effect heeft op de klachten. Echter een deel van de klachten lijken ook te verklaren te zijn door een co morbide pijnsyndroom. In algemene zin werken de geneesmiddelen die worden genoemd in de richtlijnen voor artritis psoriatica niet tot onvoldoende voor chronische pijn en in dit kader zou opnieuw een multidisciplinair revalidatietraject met uitgebreide paramedische begeleiding een positieve bijdrage kunnen leveren op de pijnklachten van betrokkene.” De Raad heeft overwogen dat eiseres “niet met medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt, dat de door de deskundige bedoelde behandelmodaliteiten – en mogelijkheden, die voortvloeien uit internationale behandelrichtlijnen, voor haar geen soelaas bieden. Ook heeft zij geen medische gegevens ingebracht waaruit is af te leiden, dat wat de deskundige heeft opgemerkt over een mogelijke andere verklaring voor haar pijnklachten en de door hem geopperde mogelijkheid om die klachten te verlichten, onjuist is.

De door eiseres wel overgelegde medische gegevens werpen geen ander licht op het advies van de deskundige. Onder die gegevens bevindt zich een brief van 27 februari 2024 van de anesthesioloog van de pijnpoli van het Zuyderland ziekenhuis in Sittard, waarnaar eiseres door haar huisarts was verwezen. Daarin is vermeld dat de pijnpoli is gericht op invertentionele behandeling en dat dit geen optie is bij diffuse pijnklachten, zoals die van eiseres. Verder is daarin vermeld dat eiseres medicamenteuze behandeling niet kan verdragen en dat ondersteunende behandeling in de vorm van fysiotherapie, revalidatie of psychosociale ondersteuning reeds is ingezet. Maar in die brief is niet vermeld op welke gegevens deze mededelingen zijn gebaseerd en tijdens de zitting heeft eiseres laten weten dat de anesthesioloog haar niet lichamelijk heeft onderzocht. Uit die brief is daarom niet de conclusie te trekken dat eiseres geen andere medicatie dan medicinale cannabis kan verdragen.” De Raad komt tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een acute noodsituatie verkeert die niet anders dan door medicinale cannabis is te verhelpen.

Totstandkoming van het besluit

4. Op 2 mei 2025 heeft eiseres opnieuw bijzondere bijstand op grond van de PW aangevraagd voor de kosten van de medicinale cannabis. Het college heeft die aanvraag met een besluit van 3 juli 2025 afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is. Daarom kan alleen bijzondere bijstand worden verleend als dat om zeer dringende redenen nodig is. Volgens het college heeft appellante zulke zeer dringende redenen niet aannemelijk gemaakt.

Dit besluit is na bezwaar van eiseres gehandhaafd met het besluit van 12 januari 2026,

Standpunt eiseres

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen voorliggende voorziening is, omdat medicinale cannabis sinds 2017 niet meer door de zorgverzekering wordt vergoed.

Eiseres stelt dat mevrouw Schaper en haar collega’s van juridische zaken niet zelf medisch deskundig zijn en daarom geen besluiten zouden mogen nemen over het levenslange ziektebeeld van eiseres. Daarnaast stelt zij dat de pijnpoli van het Zuyderland ziekenhuis te Sittard geen andere behandelmogelijkheden ziet vanwege de complexiteit van het ziektebeeld.

Eiseres stelt zich dat zij sinds 2019 ten onrechte invalide aan huis gebonden is geraakt. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van de voorzieningenrechter uit 2019 en verzoekt om vergoeding van de kosten van medicinale cannabis met terugwerkende kracht, alsmede om schadevergoeding wegen het ontnemen van een menswaardig bestaan, waaronder revalidatie- en herstelkosten.

Beoordeling door de rechtbank

6. Het geschil betreft ten eerste de vraag of de zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening is.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW. Onder voorliggende voorziening wordt op grond van artikel 5, aanhef en onder e, van de PW verstaan elke voorziening buiten de PW waarop de belanghebbende aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandsverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen. De rechtbank is het met het college eens dat de Zvw de voorliggende voorziening is voor de vergoeding van de door eiser gevraagde vergoeding van de kosten van medicinale cannabis. Omdat de medicinale cannabis niet noodzakelijk wordt geacht in het kader van de Zvw, kan het college hiervoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen. De gevraagde vergoeding van de kosten voor de medicinale cannabis komen dus in beginsel niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 augustus 2025.

7. Tussen partijen is vervolgens in geschil of hier sprake is van zeer dringende redenen die maken dat het college alsnog bijstand kan verlenen, ook al heeft eiseres in beginsel geen recht op bijzondere bijstand voor medicinale cannabis.

Eiseres doet met haar beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering van de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Nu eiseres zich op die uitzondering beroept, moet zij aannemelijk maken dat aan de hierboven genoemde voorwaarden is voldaan.

Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van zeer dringende redenen. Het gaat om de vraag of de medicinale cannabis de enige manier is om de door eiseres gestelde acute noodsituatie als gevolg van haar pijnklachten door de artritis te verhelpen. Eiseres heeft niet met medische gegevens aannemelijk gemaakt dat de dat de door de deskundige bedoelde behandelmodaliteiten en -mogelijkheden, die voortvloeien uit internationale behandelrichtlijnen, voor haar geen soelaas kunnen bieden. Ook heeft zij geen medische gegevens ingebracht waaruit is af te leiden, dat de medische situatie van eiseres is veranderd ten opzichte van het oordeel van de deskundige bij de Raad. Uit de brief van de pijnpoli van het Zuyderland is niet de conclusie te trekken dat eiseres geen andere medicatie dan medicinale cannabis kan verdragen. Uit de uitspraak van de Raad blijkt namelijk dat de anesthesioloog eiser niet lichamelijk heeft onderzocht. Verder is daarin vermeld dat eiseres medicamenteuze behandeling niet kan verdragen en dat ondersteunende behandeling in de vorm van fysiotherapie, revalidatie of psychosociale ondersteuning reeds is ingezet. Maar in die brief is niet vermeld op welke gegevens deze mededelingen zijn gebaseerd. De nieuwe stukken die zijn overgelegd, waaronder de verklaring van de huisarts van 28 april 2025, 16 oktober 2025 en 18 november 2025 wijkt niet wezenlijk af van wat al bekend was. De brieven sluiten niet uit dat er andere behandelmogelijkheden zijn. De overgelegde stukken bevatten dus geen objectieve medische onderbouwing waaruit volgt dat nu, anders dan eerder door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep op basis van een rapport van een deskundige is geoordeeld, wel moet worden aangenomen dat eiseres zonder medicinale cannabis sprake in een acute noodsituatie komt te verkeren of van blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel zal oplopen die op geen enkele andere wijze is te verhelpen.De beroepsgrond slaagt niet.

8. De rechtbank is van oordeel dat voor schadevergoeding geen grond bestaat, omdat het beroep ongegrond is. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Eiseres heeft niet aangetoond dat deze schade het gevolg is van een onrechtmatig besluit of handelen van het college en welk concreet besluit of handelen aan de gestelde schade ten grondslag ligt. Nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit en evenmin van aantoonbaar causaal verband tussen het handelen van het college en de door eiseres gestelde schade, komt de gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand