Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3142
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 mei 2025 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 juni 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. Op 12 mei 2025 om 20:55 uur stond de auto van belanghebbende (hierna: de auto) stil in de [straat] te Zaandam. Die locatie is aangewezen als een plaats waar op genoemde datum en tijd parkeerbelasting is verschuldigd. Tijdens controle is gebleken dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Van de controle zijn foto’s gemaakt die tot de gedingstukken behoren. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 82,50, bestaande uit € 3,70 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten.
Geschil
2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
3. Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat hij slechts 7 minuten binnen de gemeentegrenzen is geweest. Hij heeft zijn dochter en haar vriendinnen opgehaald bij een restaurant nabij de [straat] . Zijn navigatie stuurde hem echter 50 meter te ver, waarna belanghebbende de [straat] insloeg. De scanauto reed achter hem aan en om die reden heeft hij zijn auto even op een parkeerplaats gezet met draaiende motor en de knipperlichten aan, om naar eigen zeggen de scanauto voorrang te geven. Belanghebbende is de auto niet uit geweest. De rechtbank begrijpt het standpunt van belanghebbende zo dat hij meteen nadat de scanauto was gepasseerd zijn auto heeft gekeerd om zijn dochter vóór het restaurant op te kunnen pikken. Ook vindt belanghebbende het bedrag van de naheffingsaanslag te hoog.
Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.
4. Verweerder is van mening dat de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Er was geen sprake van het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers, maar van parkeren. Belanghebbende heeft volgens verweerder tegenstrijdige verklaringen afgelegd. In beroep heeft belanghebbende verklaard dat hij in het parkeervak is gaan staan om de scanauto te laten passeren, terwijl hij in bezwaar stelde dat hij wachtte op zijn dochter en haar vriendinnen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
5. Op grond van artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan in het kader van de parkeerregulering een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
6. Op grond van artikel 1, aanhef en onder 1, van de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen Zaanstad 2025 (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan “het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.” Deze definitie is vrijwel gelijkluidend aan de definitie van parkeren die in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet is opgenomen.
7. Op grond van artikel 2, onder a, van de Verordening wordt onder de naam “parkeerbelastingen” een belasting geheven ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens die Verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
8. Op verweerder rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het door hem gestelde belastbare feit zich heeft voorgedaan – namelijk parkeren zoals gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onder 1, van de Verordening op de onder 1. vermelde locatie, datum en tijd – en de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
9. Op de in het dossier aanwezige foto’s behorende bij het brondocument is duidelijk te zien dat belanghebbende de handen aan het stuur heeft en dat de auto schuin in het parkeervak staat met het linkervoorwiel ingedraaid en het linkerachterwiel deels op de weg en deels in het parkeervak. Anders dan verweerder stelt, ziet de rechtbank geen inconsistentie in de verklaringen van belanghebbende in bezwaar en beroep, nu beide verklaringen vermelden dat belanghebbende op het parkeervak keerde. Gelet op de verklaringen van belanghebbende en de stand van de auto in combinatie met de handen van belanghebbende aan het stuur, gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende het parkeervak slechts kortstondig heeft gebruikt om te keren en de scanauto voorbij te laten gaan, zodat belanghebbende op het moment dat hij in het parkeervak stond nog deelnam aan het verkeer (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2025:6507). Verweerder heeft met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van parkeren. Er is daarom geen parkeerbelasting verschuldigd.
10. Wel moet verweerder worden nagegeven dat uit de verklaring in bezwaar van belanghebbende volgt dat hij twee minuten vóór het restaurant heeft gewacht. Dit maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders. De locatie waarvoor de onderhavige aanslag parkeerbelasting is opgelegd, is namelijk geen locatie direct vóór het restaurant, maar een locatie in een zijstraat voorbij het restaurant. In combinatie met de nadere verklaring in beroep en het beeld dat ontstaat door de foto’s bij het brondocument, geeft de rechtbank belanghebbende het voordeel van de twijfel en neemt zij niet aan dat belanghebbende twee minuten heeft gewacht op de onderhavige locatie op de [straat] . Dat belanghebbende nadat hij was gekeerd mogelijk op een andere locatie (direct vóór het restaurant) wel twee minuten heeft gewacht, staat verder los van de voorliggende naheffingsaanslag.
11. Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het beroep is gegrond.
12. De rechtbank overweegt ten overvloede dat er in deze situatie in het geheel geen sprake is geweest van parkeren. In het geval dat belanghebbende zeer korte tijd met zijn auto had stilgestaan, zonder dat er sprake was van het onmiddellijk instappen van passagiers, had er wel parkeerbelasting moeten worden betaald.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank draagt verweerder op het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. van Beelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.B. Filius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).