uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
1. de coöperatie Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.
en
2. de stichting Stichting Mobilisation for the Environment,
Beide uit Nijmegen, (hierna tezamen: MOB)
gemachtigde: mr. V. Wösten,
en
gedeputeerde staten van Noord-Holland, (hierna: verweerder)
gemachtigde: mr. S. van Winzum, advocaat in dienst van de provincie.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. uit Zandvoort (CZ)
gemachtigden: mr. A. Collignon en mr. J. Tingen, advocaten te Amsterdam.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van MOB tegen het door verweerder ambtshalve genomen besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften van 26 juni 2024 waarbij CZ de verplichting is opgelegd om bij het in gebruik hebben van circuit Zandvoort en de activiteiten op het circuitterrein de in het besluit maatwerkvoorschriften omschreven informatie te verstrekken en om de in het besluit gegeven maatwerkvoorschriften in acht te nemen, waaronder een stikstofemissieplafond.
Verweerder heeft op het door MOB ingestelde beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken HAA 23/7505 (verzoek handhaving) en HAA 24/5059 (natuurvergunning), HAA 22/5815 (verzoek intrekking natuurvergunning) en HAA 22/6130 (preventief verzoek handhaving). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van MOB, de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 1] , in dienst van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, en de gemachtigden van CZ. Namens CZ is ook verschenen [naam 2] (track manager).
De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 8 mei 2025, verzonden op 13 mei 2025, heropend en de Stichting advisering bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) gevraagd een advies uit te brengen.
Op 1 oktober 2025 heeft de STAB aan de rechtbank advies uitgebracht. MOB, verweerder en CZ hebben op het advies gereageerd.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Totstandkoming van het besluit
Op 25 oktober 2019 is aan CZ een natuurvergunning op grond van de toenmalige Wet natuurbescherming verleend die ziet op het in gebruik hebben van het circuit Zandvoort, een wijziging in het vergund aantal helikoptervluchten en het uitvoeren van werkzaamheden op en rond het circuit, teneinde onder andere het evenement van de Formula 1 Dutch Grand Prix mogelijk te kunnen maken.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 5 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2587) over deze aan CZ verleende natuurvergunning heeft verweerder bij besluit van 26 juni 2024 het onderhavige besluit genomen waarbij aan CZ maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Bij besluit van 27 juni 2024 is vervolgens de natuurvergunning herroepen en is de aangevraagde natuurvergunning alsnog (zogenaamd positief) geweigerd.
In het thans bestreden besluit verplicht verweerder CZ om informatie te verstrekken en bij het in gebruik hebben van het circuit en de activiteiten op het circuitterrein een twaalftal maatwerkvoorschriften in acht te nemen. Het betreft:
algemene maatwerkvoorschriften (voorschriften 1 tot en met 3);
maatwerkvoorschriften die betrekking hebben op de reguliere exploitatie van CZ (voorschriften 4 en 5), waaronder een stikstofemmissieplafond van 6.134 kg NOₓ /jr;
maatwerkvoorschriften die betrekking hebben op de ontsluitingsweg tussen Boulevard Barnaart en de Parking (voorschrift 6);
maatwerkvoorschriften die een rapportageverplichting behelzen (voorschriften 7 tot en met 10); en
maatvoorschriften die een meldingsverplichting behelzen (voorschriften 11 en 12).
De maatwerkvoorschriften zijn aan CZ opgelegd als passende maatregel als bedoeld in artikel 6 Habitatrichtlijn (Hrl). Door (te voldoen aan) de maatwerkvoorschriften worden volgens verweerder de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid gewaarborgd en wordt verslechtering voorkomen, terwijl de exploitatie van Circuit Zandvoort kan worden voortgezet.
De maatwerkvoorschriften met bijbehorende noten, zoals bij het bestreden besluit gesteld aan CZ, zijn, voor zover hier van belang, opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
3. MOB voert aan dat de maatwerkvoorschriften onvoldoende zijn om te borgen dat het in voorschrift 5 gestelde emissieplafond zal kunnen worden gehandhaafd. De methode waarmee de naleving van het gestelde emissieplafond dient te worden vastgesteld is volgens MOB onbetrouwbaar. De in maatwerkvoorschrift 5 voorgeschreven berekening van de emissies op basis van de emissiefactoren in het rapport van Peutz uit 2019 leidt volgens MOB niet tot een realistische en betrouwbare inschatting van de feitelijke NOx-emissies door het baangebruik. Daarbij geldt vooral dat de te hanteren emissiefactoren van met name het baanverkeer niet representatief zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst MOB naar het advies dat de STAB op 1 december 2021 aan de rechtbank heeft uitgebracht in de procedures over de natuurvergunning van 25 oktober 2019 (HAA 20/2118, HAA 20/2174 en HAA 20/2184). Omdat aldus de methode waarmee de naleving van het gestelde emissieplafond moet worden vastgesteld onbetrouwbaar is, is het emissieplafond onvoldoende handhaafbaar. Dat geldt temeer nu daarin geen onderverdeling is gemaakt naar de afzonderlijke emissiebronnen, waardoor de ruimte die ontstaat door een vermindering van emissies van de ene bron (bijvoorbeeld vermindering emissies bezoekersverkeer als gevolg van elektrificatie) kunnen worden opgevuld met emissies uit een andere bron (bijvoorbeeld baanverkeer). In dit verband voert MOB ook aan dat verweerder CZ ten onrechte niet houdt aan een emissiereductieprogramma. Voor MOB is verder onduidelijk of in maatwerkvoorschrift 5 toestemming is gegeven voor een installatie of dat in dit maatwerkvoorschrift een specifiek emissieplafond is gesteld. Onzeker is dan ook of de voorschriften al dan niet worden overschreden als op enig moment zou komen vast te staan dat de installatie meer emitteert dan 6.134 kg NOx, terwijl niet wordt afgeweken van de door Peutz genoemde exploitatie. Deze vrees wordt volgens MOB versterkt omdat maatwerkvoorschrift 11 een afwijking lijkt toe te staan van maatwerkvoorschrift 4.
4. Verweerder voert aan dat in maatwerkvoorschrift 5 een emissieplafond is opgenomen waarmee een begrenzing is gesteld aan de stikstofemissies die CZ mag uitstoten. Om aan CZ een beperking op te leggen waarmee de natuurwaarden van het Natura 2000-gebied worden beschermd, terwijl de exploitatie van het circuit kan worden voortgezet, is er voor gekozen om voor het stellen van het emissieplafond aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten en kengetallen die CZ zelf heeft gehanteerd bij haar vergunningaanvraag uit 2019. In het bij de aanvraag overgelegde (hiervoor aangehaalde) rapport van Peutz uit 2019 is een inschatting gegeven van een realistisch, maar beperkter gebruik van het circuitterrein. De emissie die het resultaat is van dat gebruik, is gebruikt als emissieplafond. Het maatwerkvoorschrift behelst, aldus verweerder, dan ook geen toestemming voor een installatie. Maatwerkvoorschrift 5 is volgens verweerder verder voldoende duidelijk en handhaafbaar omdat in de voetnoten behorend bij dit maatwerkvoorschrift per emissiebron is aangegeven van welke uitgangspunten moet worden uitgegaan. Om de – indertijd met de natuurvergunning en thans met het maatwerkvoorschrift beoogde – daling van de stikstofdepositie in het betrokken Natura 2000-gebied te borgen is het aantal dagen dat het circuit mag worden gebruikt beperkt en is een emissieplafond gesteld. Een extra beperking in de vorm van een onderverdeling van emissieplafonds naar emissiebronnen acht verweerder niet nodig. Daarbij geldt wel dat in het maatwerkbesluit is voorzien in monitoring en bijsturing. Verder geldt dat de verplichtingen uit voorschrift 4 (die zien op het gebruik van het circuit voor niet-elektrische auto- en motorsportactiviteiten gedurende maximaal 337 dagen per kalenderjaar) en voorschrift 5 (de maximale stikstofjaaremissie) naast elkaar bestaan. Niet valt in te zien, aldus verweerder, hoe met de in voorschrift 11 gestelde verplichting om te melden als één van deze of beide voorschriften dreigen te worden overschreden, een afwijking van voorschrift 4 wordt toegestaan.
5. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS heeft verweerder beleidsruimte bij de beslissing om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Indien wordt besloten tot het vaststellen daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.
6. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in maatwerkvoorschrift 5 niet een installatie is vergund, maar een maximale jaarvracht aan stikstof oftewel een stikstofemissieplafond is vastgelegd. Anders dan MOB en met verweerder is de rechtbank ook van oordeel dat de verschillende maatwerkvoorschriften naast elkaar bestaan en dat in voorschrift 11 niet is terug te lezen dat daarin een afwijking van voorschrift 4 wordt toegestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van het stikstofemissieplafond tussen partijen niet in geschil is. Vast staat verder, en daarover bestaat tussen partijen ook geen discussie, dat verweerder voor de vaststelling van het emissieplafond niet de werkelijke stikstofemissies (of de stikstofdepositie op het nabij gelegen Natura-2000-gebied als gevolg) van (de activiteiten van) CZ heeft gemeten en op basis daarvan willen vastleggen, maar dat het stikstofemissieplafond is gebaseerd op een realistisch bedoelde inschatting van het gebruik van het circuitterrein op basis van de beste wetenschappelijke inzichten over stikstofemissie door voertuigen met en zonder katalysator.
8. Partijen zijn verdeeld over de in maatwerkvoorschrift 5 voorgeschreven uitgangspunten en berekeningsmethode waarvan bij de berekening van de jaarlijkse stikstofemissie moet worden uitgegaan. Gelet op de standpunten die zij beiden onder verwijzing naar de wederzijds overgelegde stukken, zoals het rapport van Peutz uit 2019 en het advies van de STAB van 1 december 2021, hebben ingenomen, heeft de rechtbank aanleiding gezien de STAB (opnieuw) te vragen haar te adviseren. De rechtbank heeft de STAB – voor zover hier van belang – gevraagd de volgende vragen te beantwoorden:
Vraag 3
Heeft verweerder in het besluit maatwerkvoorschriften met de verwijzing naar de uitgangspunten in het rapport van Peutz een berekeningsmethode voorgeschreven die een representatief antwoord geeft op de vraag of aan het emissieplafond wordt voldaan en kan op basis van de uitgangspunten en kengetallen in het rapport van Peutz de jaarlijks te rapporteren emissievracht met voldoende zekerheid worden vastgesteld?
Vraag 4Indien de uitgangspunten en kengetallen uit het rapport van Peutz onvoldoende zijn voor de vaststelling van de (jaarlijkse) stikstofemissies, welke andere uitgangspunten en kengetallen zijn daarvoor wel geschikt?
Deze vragen zijn gesteld naast de vraag of STAB blijft bij de conclusie in het advies van 1 december 2021 over het gebrek aan representativiteit van de berekeningen over de stikstofemissies in het rapport van Peutz uit 2019.
9. In het advies van 1 oktober 2025 heeft de STAB de vragen als volgt – samengevat – beantwoord. In beginsel kan met de uitgangspunten en berekeningsmethode in het rapport Peutz 2019, waarmee het emissieplafond is bepaald, worden vastgesteld of jaarlijks aan het emissieplafond wordt voldaan. Voorwaarde daarbij is dat in de jaarrapportages dezelfde uitgangspunten en berekeningsmethode worden gebruikt. De uitgangspunten en berekeningsmethode van het rapport Peutz 2019 geven echter niet een representatief beeld van de werkelijke emissie, zodat daarmee de jaarlijkse emissievracht niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. De stikstofemissie vanwege het baangebruik zou beter bepaald kunnen worden met een berekeningsmethode op basis van gedifferentieerde kengetallen voor de stikstofemissie van klassen van raceauto’s, op grond van parameters als katalysatorgebruik, brandstofgebruik en rijgedrag.
10. Bij brief van 3 november 2025 heeft MOB aangegeven dat de STAB nu tweemaal tot de conclusie is gekomen dat de gehanteerde emissiefactoren voor het raceverkeer onvoldoende representatief zijn voor de te onderscheiden raceverkeer-categorieën en dat de te onderscheiden raceverkeer-categorieën ook onvoldoende zijn gedifferentieerd.
11. Verweerder heeft bij brief van 4 november 2025 op het STAB-advies gereageerd. Verweerder is het eens met het STAB-advies voor zover daarin is bevestigd dat met de uitgangspunten en kengetallen van het rapport van Peutz goed kan worden vastgesteld of CZ binnen het emissieplafond blijft. Verweerder concludeert dat dus sprake is van een goed en handhaafbaar emissieplafond. Verweerder meent verder dat de conclusie van de STAB dat de uitgangspunten en berekeningsmethode van het rapport van Peutz onvoldoende specifiek zijn om de jaarlijks te rapporteren emissievracht met voldoende zekerheid vast te stellen, niet kan leiden tot de conclusie dat verweerder het emissieplafond met bijbehorende jaarlijkse verantwoordingssystematiek niet heeft kunnen voorschrijven. De mate van nauwkeurigheid en zekerheid die is vereist moet volgens verweerder afhangen van het doel dat een voorschrift in een concreet geval dient. In dit geval gaat het om het aanbrengen van een evenredige beperking op het rechtmatig gebruik van CZ. Voor dat doel is de huidige systematiek en ook specifiek het hanteren van globale gemiddelden juist geschikt, aldus verweerder.
12. CZ heeft bij brief van 4 november 2025 op het STAB-advies gereageerd. CZ is het eens met de conclusie van STAB dat met de uitgangspunten en berekeningsmethode waarmee het emissieplafond is bepaald, kan worden vastgesteld of jaarlijks aan het emissieplafond wordt voldaan. CZ meent evenwel dat de door STAB voorgestelde andere wijze van vaststellen van de NOx emissies geen geschikt alternatief is omdat ook deze meer gedifferentieerde berekeningsmethode juridische tekortkomingen kent. Zo zou de exploitatie van CZ door die gedifferentieerde berekeningsmethode meer worden beperkt dan verweerder nodig acht en heeft beoogd. De gehanteerde systematiek van het huidige emissieplafond blijft daarom nog altijd het meest geschikte alternatief voor hetgeen is beoogd, aldus CZ. Het kan niet zo zijn dat de exploitatie van CZ verder wordt beperkt dan verweerder nodig acht vanuit ecologische overwegingen, alleen vanwege een op zichzelf staande en niet wettelijk voorgeschreven wens om meer gedifferentieerd de emissies inzichtelijk te maken, aldus CZ.
13. De rechtbank heeft voor beslechting van het geschil over de handhaafbaarheid van het emissieplafond op grond van de voorgeschreven jaarlijkse rapportageplicht en daarbij horende berekeningssystematiek op basis van door Peutz verschafte kengetallen neergelegd in maatwerkvoorschrift 5, de STAB ingeschakeld. De rechtbank mag in beginsel afgaan op de inhoud van een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Daarvan is geen sprake.
14. De STAB heeft naar aanleiding van de in rechtsoverweging 8 genoemde vraag 3 in de eerste plaats geconcludeerd dat met de uitgangspunten en berekeningsmethode in het rapport Peutz 2019, waarmee het emissieplafond is bepaald, kan worden vastgesteld of jaarlijks aan het emissieplafond wordt voldaan. Voorwaarde daarbij is dat in de jaarrapportages dezelfde uitgangspunten en berekeningsmethode worden gebruikt. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen is overwogen in haar uitspraak van heden in de zaak met registratienummer HAA 23/7505.
15. Ten aanzien van de vraag of een berekening op basis van het rapport Peutz 2019 ook een voldoende betrouwbaar beeld geeft van de werkelijke stikstofemissie, (het tweede deel van de in rechtsoverweging 8 genoemde vraag 3) staat de STAB op het standpunt dat de uitgangspunten en berekeningsmethode van het rapport Peutz 2019 onvoldoende specifiek zijn om de jaarlijks te rapporteren emissievracht met voldoende zekerheid vast te stellen. De stikstofemissie vanwege het baangebruik zou beter bepaald kunnen worden met een berekeningsmethode op basis van gedifferentieerde kengetallen voor de stikstofemissie van klassen van raceauto’s op grond van parameters als katalysatorgebruik, brandstofverbruik en rijgedrag (pagina 39).
16. Naar aanleiding van de in rechtsoverweging 8 genoemde vraag 4 heeft de STAB verder geconstateerd dat kengetallen voor de stikstofemissie van raceauto’s die zijn gebaseerd op emissiefactoren voor reguliere auto’s op de openbare weg geen goed inzicht geven in de werkelijke stikstofemissie, Dit komt, aldus de STAB, doordat het niet goed mogelijk is om de verschillen tussen de emissies bij raceauto’s op een circuit en reguliere auto’s op de openbare weg op uniforme wijze inzichtelijk te maken. Door het verrichten van (praktijk)metingen kan volgens de STAB wel voldoende zekerheid worden verkregen over de werkelijke stikstofemissies bij het gebruik van raceauto’s op het circuit. Hierbij zou kunnen worden uitgegaan van een indeling van de op het circuit gebruikte raceauto’s in klassen, bijvoorbeeld op de wijze zoals gedaan in de notitie Peutz 2021 (pagina 40 e.v.)
17. Wanneer aldus de bevindingen van de STAB naast het bestreden besluit worden gelegd, brengt dit de rechtbank tot de conclusie dat met de in maatwerkvoorschrift 5 voorgeschreven uitgangspunten en berekeningsmethode niet op een representatieve manier kan worden vastgesteld wat de werkelijke jaarlijkse emissievracht is.
18. Op grond van artikel 6, tweede lid, Hrl dienen passende maatregelen getroffen te worden als een verslechtering van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt. Als een activiteit effecten heeft op die natuurwaarden, dan staat vast dat het beperken of beëindigen van die activiteit een passende maatregel is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. In dit geval heeft verweerder ervoor gekozen om aan CZ, bij wijze van passende maatregelen, maatwerkvoorschriften te stellen, waaronder het emissieplafond waarmee de activiteit van CZ ten opzichte van de activiteit van CZ in de referentiesituatie, wordt beperkt. Uit het STAB-advies volgt dat de in maatwerkvoorschrift 5 voorgeschreven uitgangspunten en berekeningsmethode niet een representatief beeld geven van de werkelijke emissie. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert de keuze voor de hier getroffen passende maatregel – te weten maatwerkvoorschrift 5 voor zover die ziet op de rapportage- en verantwoordingsverplichting – daarom een deugdelijke motivering en is die niet gebaseerd op de vereiste wetenschappelijke inzichten, zodat dat voorschrift ook op onvoldoende zorgvuldig onderzoek is gebaseerd.
Overige beroepsgronden
19. Hetgeen MOB overigens heeft aangevoerd – over een verzoek tot actualisatie en het ontbreken van maatwerkvoorschriften die zien op verstoring en geluid – betreft een herhaling van zienswijzen waarop verweerder in het bestreden besluit is ingegaan. MOB heeft in beroep niet nader gemotiveerd waarom het betoog van verweerder op die punten onjuist zou zijn. Deze beroepsgronden leiden daarom niet tot een verdere vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
20. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht en artikel 11.9 in verband met 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving in verband met artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk, te weten voor zover in maatwerkvoorschrift 5 ter bepaling van de jaarvracht is verwezen naar de uitgangspunten opgenomen in het Peutz rapport uit 2019. Deze uitspraak heeft geen invloed op het in maatwerkvoorschrift 5 gestelde emissieplafond. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rapportageverplichting aan te vullen met een verantwoordings- en berekeningssystematiek die meer representatief is, zoals door de STAB mogelijk wordt geacht, omdat daarvoor nader onderzoek moet worden verricht. Omdat sprake is van een ambtshalve genomen besluit, is er geen grond verweerder op te dragen opnieuw (op een aanvraag of bezwaar) te beslissen. Het ligt echter voor de hand dat verweerder, na nader onderzoek, in verband met de handhaafbaarheid van het stikstofemissieplafond het voorschrift voor de (jaarlijkse) rapportageverplichting aanvult met een verantwoordings- en berekeningssystematiek die meer representatief is, zoals door de STAB is geadviseerd.
21. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan MOB vergoeden en krijgt MOB ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 juni 2024, voor zover in maatwerkvoorschrift 5 ter bepaling van de jaarvracht is verwezen naar de uitgangspunten opgenomen in het Peutz rapport uit 2019;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan MOB moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan MOB.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. van Velsen, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R.H.M. Bruin, leden, in aanwezigheid vanmr.P.C. van der Vlugt, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
De maatwerkvoorschriften met bijbehorende noten, zoals bij het bestreden besluit gesteld aan CZ, luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
Algemene voorschriften
1. (..)
2. (..)
3. (..)
Voorschriften reguliere exploitatie Circuit Park Zandvoort
4. Het gebruik van het circuit (de racebaan) voor niet-elektrische auto- en motorsportactiviteiten is gedurende maximaal 337 dagen per kalenderjaar toegestaan.
5. De maximale jaarvracht van de emissie van alle gebruikte mobiele bronnen behorende bij Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. is beperkt tot 6.134 kg Nox/jr. De jaarvracht bestaat in ieder geval uit:
de emissies van de (niet-elektrische) auto’s en motorvoertuigen die op de racebaan zijn gebruikt2;
de overige (niet elektrische) mobiele bronnen die zijn gebruikt binnen de exploitatie va Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. en binnen de fysieke grenzen van het circuitterrein3;
de vliegbewegingen4 van helikopters, ten behoeve van het Circuit Zandvoort5;
het gemotoriseerd bezoekersverkeer inclusief gemotoriseerd parkerend bezoekersverkeer6, ten behoeve van Circuit Zandvoort.
Voorschriften inzake de aangelegde ontsluitingsweg van Boulevard Barnaart naar Parking A
6. Het talud ten noorden van de aangelegde ontsluitingsweg en de oude “toegangspoort” bij Boulevard Barnaart, zoals in groen aangegeven op de figuur van bijlage 1, is en blijft ingeplant met inheemse plantensoorten (zoals helm) en blijft voorzien van een afdoende voorziening van minimaal paal en staaldraad om betreding van het Natura 2000-gebied te voorkomen.
Rapportage
7. Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. dient jaarlijks vóór 1 februari, ter toetsing van de voorschriften 4 en 5, aan de Omgevingsdienst Noord-Holland een rapportage van de emissie en bijbehorende depositie van alle gebruikt mobiele bronnen over het voorgaande kalenderjaar aan te bieden (..)
8. Er dient binnen de inrichting ter toetsing van de voorschriften 4 en 5 gedurende het kalenderjaar een actuele registratie/logboek te worden bijgehouden van ieder geval: (..)
9. Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. dient drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een rapport ter toetsing aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord via postbus@odnhn.nl onder vermelding van kenmerknummer OMG-014465 in te dienen zodat – tezamen met de rapporten als bedoeld in voorschrift 7 – beoordeeld kan worden of dit besluit geheel of gedeeltelijk gewijzigd dient te worden. Het rapport wordt uiterlijk 1 juni 2027 ingediend.
10. (..)
Meldingsplicht
11. Indien Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. weet of redelijkerwijs kan weten dat gedurende het kalenderjaar sprake is of zal zijn van een overschrijding van het maxmale gebruik van 337 dagen per kalenderjaar en/of het overschrijden van de maximale jaarvracht als genoemd in voorschriften 4 en 5 dient melding te worden gedaan met overlegging van alle relevante gegevens aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord via postbus@odnhn.nl onder vermelding van kenmerknummer OMG-014465.
12. (..)
2 Waarbij uitgegaan wordt van de uitgangspunten die zijn opgenomen in het “Onderzoek met betrekking tot stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid ten gevolge van Circuit Zandvoort, Peutz B.V., Rapportnummer FA 4287-56-RA-001 d.d. 24 oktober 2019”.
3 Conform de inrichtingsgrenzen op de kaart in bijlage 2 bij dit besluit.
4 Een vliegbeweging is één landing of één start van een helikopter.
5 Waarbij uitgegaan moet worden van de uitgangspunten die zijn opgenomen in het “Onderzoek met betrekking tot stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid ten gevolge van Circuit Zandvoort, Peutz B.V., Rapportnummer FA 4287-56-RA-001 d.d. 24 oktober 2019”.
6 Waarbij uitgegaan wordt van de uitgangspunten die zijn opgenomen in het “Onderzoek met betrekking tot stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid ten gevolge van Circuit Zandvoort, Peutz B.V., Rapportnummer FA 4287-56-RA-001 d.d. 24 oktober 2019”.”