ECLI:NL:RBNHO:2026:878

ECLI:NL:RBNHO:2026:878

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer 362604 HA ZA 25-110
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Het gerechtshof Den Haag heeft kwekersvereniging DTS veroordeeld om aan eiseres een bedrag van € 104.172,62 met wettelijke rente te betalen. Eiseres heeft hiervoor ten laste van DTS executoriaal derdenbeslag gelegd onder gedaagden, de vijf (overgebleven) leden van DTS. De leden hebben in een verklaring derdenbeslag – samengevat – verklaard dat zij ten tijde van het beslag niets verschuldigd zijn aan DTS waarop beslag kan worden gelegd. Volgens eiseres zijn de derdenverklaringen echter onjuist, omdat volgens de statuten van DTS en een besluit van het bestuur uit 2015 blijkt dat alle kosten DTS gelijkelijk onder de leden worden verdeeld. Daarom is eiseres deze betwistingsprocedure begonnen. Eiseres wil dat gedaagden de schuld van DTS betalen aan eiseres. Deze vordering wordt echter afgewezen omdat niet is gebleken dat het volgens de statuten vereiste bestuursbesluit – dat de leden een bijdrage moeten betalen aan DTS – is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/362604 / HA ZA 25-110

Vonnis van 28 januari 2026

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

te Den Helder,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. S. Jansen en mr. A. Nassiri,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DJV BLOEMEN B.V. (VOORHEEN [naam] BLOEMEN B.V),

te Enkhuizen,

verder te noemen: DJV,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAINBOW COLORS B.V.,

te Andijk,

verder te noemen: Rainbow,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RONICO B.V.,

te Venhuizen,

verder te noemen: Ronico, 4. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 4] ,

te Middenmeer,

verder te noemen: [gedaagde sub 4] ,

5. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 5] ,

te Oude-Tonge,

verder te noemen: [gedaagde sub 5] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: de leden,

advocaat: mr. Y.A. Rampersad.

De zaak in het kort

Het gerechtshof Den Haag heeft kwekersvereniging DTS veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van € 104.172,62 met wettelijke rente te betalen. [eiseres] heeft hiervoor ten laste van DTS executoriaal derdenbeslag gelegd onder gedaagden, de vijf (overgebleven) leden van DTS. De leden hebben in een verklaring derdenbeslag – samengevat – verklaard dat zij ten tijde van het beslag niets verschuldigd zijn aan DTS waarop beslag kan worden gelegd. Volgens [eiseres] zijn de derdenverklaringen echter onjuist, omdat volgens de statuten van DTS en een besluit van het bestuur uit 2015 blijkt dat alle kosten DTS gelijkelijk onder de leden worden verdeeld. Daarom is [eiseres] deze betwistingsprocedure begonnen. [eiseres] wil dat gedaagden de schuld van DTS betalen aan [eiseres] . Deze vordering wordt echter afgewezen omdat niet is gebleken dat het volgens de statuten vereiste bestuursbesluit – dat de leden een bijdrage moeten betalen aan DTS – is genomen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 februari 2025 met producties 1 tot en met 32,

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8,

- het tussenvonnis van 30 april 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte overlegging producties 33 tot en met 41 van de zijde van [eiseres] ,

- de akte overlegging producties 9 en 10 van de zijde van de leden,

- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2. De feiten

[eiseres] exploiteert een tulpenveredelingsbedrijf en een tulpenkwekerij in Den Helder. [vennoot 1 van eiseres] en zijn zonen [vennoot 2 van eiseres] en [vennoot 3 van eiseres] zijn vennoten in [eiseres] .

Gedaagden zijn eveneens tulpenkwekers en de leden van de coöperatieve kwekersvereniging Dutch Tulip Selections U.A. (hierna: DTS). [eiseres] was tot 14 oktober 2022 ook lid van DTS.

DTS wordt bestuurd door de enig statutair bestuurder van Rainbow, [bestuurder gedaagde sub 2] , de enig statutair bestuurder van Ronico, [bestuurder gedaagde sub 3] en een vennoot van [gedaagde sub 5] , [vennoot van gedaagde sub 5] .

In de statuten van DTS is het volgende opgenomen:

“Aansprakelijkheid

Artikel 6

De leden zijn niet aansprakelijk voor de schulden van de coöperatie, noch tijdens hun lidmaatschap noch later, noch voor een tekort ingeval van een ontbinding of gerechtelijke vereffening.”.

En onder artikel 9:

“Geldelijke bijdragen

Artikel 9

1. Elk lid betaalt aan de coöperatie jaarlijks één of meer geldelijke bijdragen, vast te stellen door het bestuur;

De ALV is bevoegd het minimum en/of het maximum bedrag vast te stellen.

(…)

4. De leden zijn verplicht, ter financiering van de activiteiten van de coöperatie, aan de coöperatie een zodanig bedrag in geld ter leen te verstrekken als door het bestuur wordt vastgesteld. In het huishoudelijk reglement zullen nadere voorwaarden waaronder deze leningen plaatsvinden worden uitgewerkt.

(…) ”.

Het huishoudelijk reglement van DTS luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 3.

1. De leden zijn verplicht, op verzoek van het bestuur, aan de coöperatie gelden ter leen te verstrekken.

2. Deze leningen dienen voor de financiering van ondermeer kosten onderzoek bollen en promotiekosten.

3. De algemene vergadering van de leden (hierna ook te noemen ALV) stelt (jaarlijks), op voorstel van het bestuur, de hoogte van het ter leen te verstrekken bedrag vast. De ter leen te verstrekken bedragen dienen voor de door het bestuur vastgestelde valutadatum te zijn betaald aan de coöperatie.

(…).”.

Artikel 4 lid 8 van het huishoudelijk reglement luidt:

“8. Kosten worden naar rato van het geteelde areaal per individueel lid verrekend met de leden.”.

Op 6 februari 2015 zijn [eiseres] en DTS een samenwerkingsovereenkomst aangegaan omtrent de exploitatie van door [eiseres] veredelde tulpenrassen (hierna: de overeenkomst).

Tussen [eiseres] en DTS is eind 2019 een geschil ontstaan over de afwikkeling van die (voortijdig beëindigde) overeenkomst en zij hebben daarover meerdere gerechtelijke procedures gevoerd. Bij eindarrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2024 (hierna: het arrest) is DTS – samengevat – veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van € 104.172,62 te betalen (hoofdsom en proceskosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het arrest is bij deurwaardersexploot van 5 juli 2024 aan DTS betekend met het bevel daaraan te voldoen. DTS is tot op heden niet overgegaan tot betaling.

[eiseres] heeft gedaagden in hun hoedanigheid van lid van DTS op 29 november 2024 aansprakelijk gesteld.

Bij deurwaardersexploten van 29 november 2024 is namens [eiseres] executoriaal derdenbeslag onder de leden gelegd op alle gelden en/of geldvorderingen van DTS op de leden en op alle roerende zaken (inclusief bloembollen) van DTS die de leden onder zich houden.

De leden hebben (ieder afzonderlijk) op 13 december 2024 (DJV, Ronico, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] ), respectievelijk op 3 februari 2025 (Rainbow), via een formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) derdenverklaringen (hierna: de derdenverklaringen) afgelegd. Zij hebben verklaard dat DTS nu of in de toekomst niets van de (afzonderlijke) leden te vorderen heeft op grond van een nu bestaande overeenkomst of andere verplichting.

3. Het geschil

[eiseres] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. de leden te veroordelen om op grond van artikel 477a lid 2 Rv een schriftelijke

en door hen ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen dat zij ieder voor

1/5e deel van het totaalbedrag € 127.345,27 + p.m. uit hoofde van het arrest zijn

verschuldigd aan DTS;

II. de leden op grond van artikel 477a lid 2 Rv te veroordelen tot betaling aan

[eiseres] van ieders 1/5e deel van het totaalbedrag € 127.345,27 + p.m. dat DTS

uit hoofde van het arrest is verschuldigd aan [eiseres] ;

III. de leden te veroordelen in de kosten op de verbetering van hun verklaringen;

IV. de leden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.816,73, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

[eiseres] voert hiertoe het volgende aan. [eiseres] heeft de betwistingsprocedure opgestart, omdat zij als voormalig lid van DTS weet dat de afgelegde verklaringen onjuist zijn. De betalingsverplichting van de leden volgt immers uit de statuten en het huishoudelijk reglement van DTS. Dit was ook jarenlang de gangbare financieringspraktijk van DTS. Volgens [eiseres] is bovendien het besluit om alle kosten jaarlijks te verdelen over de leden reeds in 2015 genomen, waardoor geen afzonderlijk bestuursbesluit meer noodzakelijk is. Ook heeft te gelden dat haar vordering grotendeels betrekking heeft op reeds gemaakte exploitatiekosten van DTS (kwekersvergoeding en contractteelt), die allang omgeslagen hadden moeten worden. De leden hadden in ieder geval na het arrest de gemaakte exploitatiekosten van DTS alsnog moeten omslaan, hetgeen zij doelbewust frustreren. [eiseres] betoogt dat moet worden aangenomen dat er op het moment van het beslag een rechtsverhouding bestond uit hoofde waarvan de leden nog iets aan DTS verschuldigd waren of konden worden.

De leden voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De betwistingsprocedure ex artikel 477a lid 2 Rv

De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of de leden, als derde-beslagenen, een juiste verklaring hebben afgelegd van hetgeen zij aan DTS verschuldigd zijn. De leden stellen zich op het standpunt dat zij in hun buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv naar waarheid hebben verklaard dat zij niets aan DTS verschuldigd zijn waarop beslag kan worden gelegd. De leden voeren hiertoe aan dat zij in dit geval niet verplicht zijn om DTS te financieren, omdat een daartoe strekkend besluit van het bestuur of de ALV ontbreekt.

De rechtbank stelt voorop dat op [eiseres] als beslaglegger de stelplicht en de bewijslast rusten van haar stelling dat ten tijde van het beslag tussen beslagene DTS en de leden als derde-beslagenen een rechtsverhouding bestond of heeft bestaan uit hoofde waarvan DTS een vordering op de leden had of zou verkrijgen. Op [eiseres] rust dus de last om de ondeugdelijkheid van de door de leden afgelegde derdenverklaringen voldoende te onderbouwen. Van de leden wordt wel verlangd dat zij alle feitelijke gegevens verstrekken ter staving van hun verklaringen. Dat volgt uit artikel 476a lid 2 Rv en artikel 477a lid 2 Rv.

[eiseres] stelt dat de leden onjuist hebben verklaard dat zij niets aan DTS verschuldigd zijn. Alle kosten van DTS zijn steeds gefinancierd door en gelijkelijk verdeeld over alle leden van DTS. De grondslag daarvoor is volgens [eiseres] te vinden in het bestuursbesluit van 2 oktober 2015 dat is opgenomen in de ‘besluiten samenvatting kwekersvereniging Dutch Tulip Selections’ bijbehorend bij de notulen van de vergadering van DTS. Dit besluit luidt: “kosten DTS worden gedeeld door het aantal leden (zes), betaling per valuta 1 november (2016 per 1 mei)”. [eiseres] stelt dat haar toegewezen vordering op DTS hier ook onder valt en dat de leden op basis van dit bestuursbesluit gehouden zijn ieder een vijfde deel van de vordering aan DTS te betalen. Anders dan de leden hebben verklaard, heeft DTS dus een vordering op de leden, aldus [eiseres] .

De rechtbank volgt dit standpunt van [eiseres] niet en legt hieronder uit waarom. In artikel 9 lid 1 van de statuten van DTS is bepaald dat elk lid jaarlijks één of meer geldelijke bijdragen betaalt aan de coöperatie, vast te stellen door het bestuur. Het bestuursbesluit van 2 oktober 2015, dat de kosten van DTS worden gedeeld door het aantal leden, heeft een algemene strekking en gaat over hoe de kosten tussen de leden worden verdeeld. Dit besluit neemt niet weg dat het bestuur op grond van artikel 9 lid 1 van de statuten elk jaar zal moeten vaststellen welke geldelijke bijdrage(n) een lid aan DTS moet betalen. Het bestuur zal daarbij ook rekening moeten houden met de algemene ledenvergadering, dat volgens de slotzin van artikel 9 lid 1 van de statuten bevoegd is een minimum en maximum bedrag vast te stellen. Zo is het in de praktijk ook gegaan. Jaarlijks werd in kaart gebracht welke kosten er waren en het bestuur heeft ieder jaar vastgesteld welk bedrag elk lid verschuldigd was. [eiseres] heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat het bestuur van DTS ten tijde van de beslagleggingen op 29 november 2024 een besluit had genomen over door de leden aan DTS te betalen geldelijke bijdragen. Niet wat betreft de toegewezen vordering van [eiseres] op DTS, noch voor andere kosten. In dit verband hebben de leden verder aangevoerd dat op dat moment geen activiteiten meer plaatsvonden in DTS en uit wat [eiseres] heeft aangevoerd blijkt onvoldoende van het tegendeel. Dit betekent dat de leden bij gebrek aan een daartoe strekkend besluit van het bestuur ten tijde van het beslag geen geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 9 lid 1 van de statuten aan DTS verschuldigd waren of zijn.

[eiseres] wijst verder op artikel 9 lid 4 van de statuten en artikel 3 van het huishoudelijk reglement van DTS. Volgens die bepalingen kunnen de leden worden verplicht geld te lenen aan DTS, maar alleen als dat door het bestuur is vastgesteld (artikel 9 lid 4 statuten) of op verzoek van het bestuur (artikel 3 huishoudelijk reglement). Gesteld noch gebleken is dat het bestuur van DTS de leden heeft verplicht geld aan DTS te lenen of daartoe een verzoek aan de leden heeft gedaan. Op basis van deze bepalingen heeft DTS dus ook geen vordering op de leden. Een dergelijke vordering van DTS op de leden ontstaat pas na een daartoe strekkend besluit en dat is er niet.

Dat het bestuur van DTS – zoals [eiseres] stelt – mogelijk ten onrechte geen besluit heeft genomen om de leden een bijdrage te laten betalen ter voldoening van de vordering die [eiseres] op DTS heeft, maakt niet dat DTS ten tijde van het beslag een vordering op de leden had en dit komt niet voor rekening en risico van de leden.

Vorderingen worden afgewezen

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan [eiseres] heeft betoogd, niet een bestaande of voorheen bestaande rechtsverhouding tussen de leden en DTS worden afgeleid, waaruit DTS op het tijdstip van het derdenbeslag van 29 november 2024 nog iets van de leden had te vorderen. De slotsom luidt dat de rechtbank van oordeel is dat de derdenverklaringen zoals door de leden is afgelegd, correct is. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen. Bij deze stand van zaken behoeven de overige standpunten van partijen geen bespreking.

[eiseres] moet de proceskosten betalen

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten worden tot op heden begroot op:

- griffierecht

6.861,00

- salaris advocaat

3.858,00

(2 punten × € 1.929,00)

- nakosten

178,00

+ (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

10.897,00

De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten en de nakosten wordt afgewezen, omdat de proceskosten niet onder de reikwijdte van artikel 6:119a BW vallen. Wel wordt de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toegewezen, zoals nader in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 10.897,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door mr. M.M. de Keizer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N. Boots

Griffier

  • mr. M.M. de Keizer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?