RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11976009 \ CV EXPL 25-4496 (SJ)
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
LECC Exploitatie De Horn B.V.
te Tuitjenhorn,
eisende partij,
verwerende partij tegen de tegenvordering,
hierna te noemen: Lecc Exploitatie,
gemachtigde: mr. K. Straathof,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
eisende partij met een tegenvordering,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert eiseres, een exploitant van een bungalowpark, van gedaagde, een eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark, betaling van de parkbijdrage en de afvalkostenbijdrage. In eerdere procedures tussen partijen is onherroepelijk geoordeeld dat gedaagde gehouden is tot betaling van een parkbijdrage aan eiseres. Gedaagde heeft, anders dan hij kennelijk meent, geen nieuwe grondslag aangevoerd. De kantonrechter oordeelt dat de verplichting tot betaling van de parkbijdrage onverkort voor gedaagde geldt. Hetzelfde geldt voor de afvalkostenbijdrage. Gedaagde wordt in de werkelijke proceskosten veroordeeld omdat er sprake is van misbruik van procesrecht. De tegenvordering van gedaagde wordt afgewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026;- de conclusie van antwoord in de tegenvordering tevens akte vermeerdering van eis in de vordering met producties19 tot en met 24;
- de aanvulling op de conclusie van antwoord in de vordering met productie 14;
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van partijen.
2. De feiten
Bungalowpark De Horn (hierna: het bungalowpark) is een in Dirkshorn gelegen bungalowpark met circa 250 houten en circa 90 stenen huisjes.
Op enig moment heeft De Horn B.V. het bungalowpark gekocht. De Horn B.V. heeft in 2003 de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen van het bungalowpark (hierna: de algemene delen van het bungalowpark) verkocht en geleverd aan de VvE De Horn (hierna: de VvE). De Horn B.V. verkocht daarnaast houten huisjes met ondergrond aan particulieren.
Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan de heer [naam] (hierna: [naam] ). De in die algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam] diezelfde dag geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva van het bungalowpark (behoudens registergoederen en daaraan verbonden leningen) zijn diezelfde dag door [naam] geleverd aan Lecc Exploitatie.
Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij aan Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven.
[gedaagde] is sinds 2003 eigenaar van een kadastraal perceel [nummer 1] ) met daarop een houten huisje. Sinds 2015 is hij ook eigenaar van een perceel grond ( [nummer 2] ) waarop nu een loods/garage staat. Op grond van de in de leveringsaktes opgenomen kettingbedingen moet [gedaagde] jaarlijks een bedrag van € 450,00 exclusief omzetbelasting aan parkbijdrage te betalen. Vanaf 2008 wordt de parkbijdrage jaarlijks geïndexeerd, overeenkomstig de in de aktes opgenomen regeling.
Bij afzonderlijke facturen van 2 januari 2023 heeft Lecc Exploitatie aan [gedaagde] de parkbijdrage van € 730,90 en de bijdrage voor de afvalstoffenkosten van € 60,48 in rekening gebracht voor nummer [nummer 1] en [nummer 2] voor 2023.
Bij afzonderlijke facturen van 2 januari 2024 heeft Lecc Exploitatie aan [gedaagde] de parkbijdrage van € 774,75 en de bijdrage voor de afvalstoffenkosten van € 60,48 in rekening gebracht voor nummer [nummer 1] en [nummer 2] voor 2024.
Bij afzonderlijke facturen van 2 januari 2025 heeft Lecc Exploitatie aan [gedaagde] de parkbijdrage van € 832,08 en de bijdrage voor de afvalstoffenkosten van € 60,48 in rekening gebracht voor nummer [nummer 1] en [nummer 2] voor 2025.
Bij afzonderlijke facturen van 2 januari 2026 heeft Lecc Exploitatie aan [gedaagde] de parkbijdrage van € 871,19 en de bijdrage voor de afvalstoffenkosten van € 60,48 in rekening gebracht voor nummer [nummer 1] en [nummer 2] voor 2026.
[gedaagde] heeft, ondanks dat hij daartoe diverse keren is aangemaand, de facturen niet (volledig) betaald.
Partijen zijn in het verleden verwikkeld geweest in meerdere procedures met betrekking tot de verschuldigdheid van de parkbijdrage en het kettingbeding.
3. Het geschil
Lecc Exploitatie vordert – na wijziging van eis – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van (het resterende bedrag aan) parkbijdrage en de afvalkostenbijdrage voor de jaren 2023 tot en met 2025 ten bedrage van € 2.658,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025 en tot betaling van de parkbijdrage en afvalkostenbijdrage voor het jaar 2026 ten bedrage van € 1.863,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2026. Daarnaast vordert Lecc Exploitatie dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan Lecc Exploitatie van de jaarlijkse parkbijdrage voor nummer [nummer 1] en [nummer 2] van € 450,00 exclusief btw conform de leveringsakte en de daarin opgenomen wijze van indexeren vanaf 1 januari 2008 en te betalen uiterlijk op 1 februari van ieder jaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari van ieder jaar.
Verder vordert Lecc Exploitatie dat [gedaagde] in de reële proceskosten wordt veroordeeld, die tot dit moment € 4.333,76 + PM bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de nakosten. Lecc Exploitatie wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Verder heeft [gedaagde] in de tegenvordering zeventien eisen ingediend, die - samengevat – ertoe strekken dat [gedaagde] geen parkbijdrage is verschuldigd, omdat daarvoor geen grondslag zou bestaan. Kortheidshalve wordt bij de beoordeling van de tegenvordering verwezen naar de nummering die [gedaagde] heeft aangehouden in zijn conclusie van antwoord.
Lecc Exploitatie voert verweer tegen de tegenvordering.
Op de standpunten van partijen zal hierna – voor zover noodzakelijk voor de behoordeling van de zaak – nader worden ingegaan.
4. De beoordeling
de vordering
de parkbijdrage
De kantonrechter overweegt dat in eerdere procedures bij (de kantonrechter van) deze rechtbank en bij het gerechtshof Amsterdam tussen partijen de bevoegdheid van Lecc Exploitatie om de parkbijdrage te innen aan de orde is geweest. Daarbij was het onherroepelijke arrest van 25 oktober 2016 van het gerechtshof het uitgangspunt. In dit arrest heeft het gerechtshof geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie en bepaald dat de eigenaren – onder wie [gedaagde] – gehouden zijn tot betaling aan
geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen.
In onderhavige procedure voert [gedaagde] als verweer aan dat de cessie tussen VvE naar [naam] niet rechtsgeldig is omdat er geen cessieakte aanwezig is. De rechten uit het kettingbeding daarom niet zijn overgedragen aan [naam] . Volgens [gedaagde] is deze schakelbreuk een nieuwe grondslag die niet eerder door de rechter is beoordeeld zodat het gezag van gewijsde van het arrest van 25 oktober 2016 niet aan een beoordeling van dit verweer in de weg staat. Lecc Exploitatie stelt dat in de procedure bij het gerechtshof alle stukken van de transactieketen in het geding zijn gebracht en dat het gerechtshof in het arrest van 2016 dan ook de gehele cessieketen heeft beoordeeld. Volgens Lecc Exploitatie staat het gezag van gewijsde van het arrest van 25 oktober 2016 juist in de weg staat aan de beoordeling van het verweer van [gedaagde] .
De kantonrechter overweegt dat uit rechtsoverweging 3.3.1. in samenhang met rechtsoverwegingen 3.3.4. en 3.3.5. van het arrest van 25 oktober 2016 blijkt dat het debat tussen partijen zag op de levering door De Horn BV naar de VvE en op de levering door [naam] aan Lecc Exploitatie. [gedaagde] heeft het in onderhavige zaak over de levering van de VvE naar [naam] . Uit het arrest van 25 oktober 2016 kan niet worden afgeleid dat dit expliciet onderdeel van het debat en de beoordeling is geweest. In zoverre kan het beroep van Lecc Exploitatie op het gezag van gewijsde van het arrest van 25 oktober 2016 ten aanzien van dit punt niet slagen.
Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd kan echter niet als een nieuwe grondslag worden aangemerkt. De kantonrechter heeft in het vonnis van 24 februari 2016 in een geschil tussen partijen over de vordering van de parkbijdrage voor 2011 tot en met 2015 namelijk in rechtsoverweging 5.4. geoordeeld: ‘Voorts geldt dat in die akte is bepaald dat alle rechten en verplichtingen jegens De Horn B.V. en jegens de eigenaren van de woningen op het park zijn gecedeerd aan de VvE. Met deze cessie zijn alle rechten en verplichtingen van De Horn B.V. jegens [gedaagde] overgedragen aan de VvE. Dat dit volgens Lecc ook het recht op parkbijdrage betrof, heeft [gedaagde] niet heeft betwist. Deze rechten en verplichtingen heeft de VvE verkocht aan [naam] , getuige de akte van levering van 27 januari 2012. Blijkens deze akte zijn immers alle rechten met betrekking tot de activa die op de datum van levering deel uitmaken van de door de VvE gedreven onderneming aan [naam] verkocht. Vervolgens heeft [naam] deze rechten doorverkocht aan Lecc Vastgoed B.V.. Op deze wijze zijn de rechten (en verplichtingen) van De Horn B.V. jegens [gedaagde] , voortvloeiend uit het kettingbeding in de akte van levering van 12 december 2003 steeds rechtsgeldig van kracht gebleven en op correcte wijze overgedragen aan de opeenvolgende kopers. (onderstreping KR) Dit betekent dat voor [gedaagde] de verplichting tot betaling van de parkbijdrage onverkort geldt.’ Anders dan [gedaagde] kennelijk meent, is de cessie tussen de VvE en [naam] wel eerder door de rechter beoordeeld.
Het gerechtshof heeft het vonnis van 24 februari 2016 bekrachtigd in arrest van 16 januari 2018. In rechtsoverweging 3.6 van dit arrest staat: ‘…de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat [gedaagde] is gebonden aan het kettingbeding en derhalve is gehouden tot betaling van de geïndexeerde parkbijdrage aan Lecc.’ Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld, zodat het arrest in kracht van gewijsde is. Aan de hiervoor aangehaalde overwegingen en oordelen komt dus gezag van gewijsde toe. Het verweer van [gedaagde] faalt om deze reden.
Ook overigens gaat het verweer van [gedaagde] dat het kettingbeding is doorbroken omdat er geen cessieakte is, niet op. Zoals het gerechtshof al in rechtsoverweging 3.3.3 van het onherroepelijke arrest van 25 oktober 2016 heeft overwogen rust de verplichting om het kettingbeding op te leggen aan de verkrijger op de huisjeseigenaren en niet op de eigenaar van de algemene delen als partij ten behoeve van wie het beding strekt. Afgezien daarvan is er wel een akte van cessie. Dat is de akte van levering van 27 januari 2012. Uit deze akte van levering blijkt dat alle rechten en verplichtingen van de VvE zijn overgedragen aan [naam] . Niet is gesteld of gebleken dat dit niet het recht op parkbijdrage betreft. Evenmin is gesteld of gebleken dat de overgedragen vordering in de akte van levering niet voldoende bepaald is of dat een mededeling van cessie ontbreekt.
de afvalkostenbijdrage
In het onherroepelijke arrest van 25 oktober 2016 heeft het gerechtshof voor recht verklaard dat de eigenaren, onder wie [gedaagde] , gehouden zijn bij te dragen in de kosten van afvalverwerking. De argumenten die [gedaagde] in onderhavig geschil heeft aangevoerd waarom hij meent dat hij niet gehouden is om de afvalkostenbijdrage te betalen stuiten af op het gezag van gewijsde.
de toekomstige parkbijdrage
De door Lecc Exploitatie gevorderde toekomstige parkbijdrage wijst de kantonrechter af omdat deze nog niet opeisbaar is. De argumenten die Lecc Exploitatie in dit kader aanvoert, hoewel niet onbegrijpelijk, kunnen niet leiden tot een ander oordeel.
de conclusie
De conclusie is dat voor [gedaagde] de verplichting tot betaling van de parkbijdrage en de afvalkostenbijdrage onverkort geldt. Dit deel van de vordering van Lecc Exploitatie zal daarom worden toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de (resterende) parkbijdrage en de afvalkostenbijdrage voor 2023 tot en met 2026 ten bedrage van in totaal € 4.114,88.
de rente en de buitengerechtelijke kosten
Vast staat dat [gedaagde] dit bedrag niet heeft betaald, zodat de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag eveneens zal worden toegewezen, als navolgt.
Lecc Exploitatie vordert € 337,73 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Lecc Exploitatie heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 337,73 worden toegewezen.
de proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Lecc Exploitatie heeft verzocht om [gedaagde] te veroordelen in de werkelijke proceskosten omdat [gedaagde] volgens haar misbruik van procesrecht maakt.
De kantonrechter overweegt dat er onder andere sprake is van misbruik van procesrecht als een verweer – gelet op de evidente ongegrondheid daarvan – in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat is hier het geval. Naar het oordeel van de kantonrechter had [gedaagde] op voorhand moeten begrijpen dat zijn herhaalde stellingen over (kort gezegd) het kettingbeding, de rechtsgeldigheid van de cessie en de afvalkostenbijdrage geen kans van slagen hadden omdat daarop al onherroepelijk is beslist. Door die stellingen in onderhavige procedure opnieuw in te nemen, heeft [gedaagde] onnodig en tegen beter weten in geprocedeerd. Daardoor heeft hij Lecc Exploitatie nodeloos op (extra) kosten gejaagd. Daarom is in dit geval een afwijking van het uitgangspunt dat het salaris volgens het toepasselijke liquidatietarief wordt berekend, gerechtvaardigd.
De kantonrechter acht het in dit geval passend om het door Lecc Exploitatie gevorderde bedrag aan proceskosten van € 4.333,76 toe te wijzen, te vermeerderen met de nakosten van € 144,00 plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De post ‘PM’ wijst de kantonrechter af omdat deze verder niet is toegelicht.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van Lecc Exploitatie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
de tegenvordering
ten aanzien van de tegenvordering onder 1 tot en met 5 en 10
Dit deel van de tegenvordering gaat over de rechtsgeldigheid van cessie en het doorbreken van kettingbeding. Gelet op wat hiervoor in de vordering van Lecc Exploitatie is overwogen, is dit deel van de tegenvordering van [gedaagde] niet toewijsbaar.
ten aanzien van de tegenvordering onder 6 en 7
[gedaagde] stelt, zo begrijpt de kantonrechter, dat hij geen afvalkostenbijdrage is verschuldigd omdat Lecc Exploitatie deze ook niet heeft meegenomen bij haar vordering van de toekomstige parkbijdrage. Dit deel van de tegenvordering wijst de kantonrechter af onder verwijzing naar hetgeen in de vordering over de afvalkostenbijdrage is overwogen.
ten aanzien van de tegenvordering onder 8
[gedaagde] wil dat de parkbijdrage wordt gehalveerd en dat de aanslag vuilniskosten van de gemeente daarop volledig moet worden verminderd omdat Lecc Vastgoed de helft van het areaal heeft verkocht aan Blanco Ontwikkeling II B.V. op 31 december 2024. Op de zitting heeft Lecc Exploitatie onweersproken gesteld dat de parkbijdrage betrekking heeft op het onderhoud van de algemene delen en dat de algemene delen nog steeds volledig in hun geheel zijn te gebruiken door de huisjeseigenaren. De kantonrechter is daarom met Lecc Exploitatie van oordeel dat er geen reden is om de parkbijdrage te halveren. Bovendien heeft [gedaagde] niet gesteld op welke rechtsgrond dit deel van zijn vordering is gebaseerd. Ook heeft hij niet toegelicht wat de aanslag vuilniskosten van de gemeente te maken heeft met de verkoop van het areaal. Hierbij weegt mee dat Lecc Exploitatie onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] op zijn eigen initiatief een afvalstoffenheffing aan de gemeente betaalt. Dit deel van de tegenvordering wijst de kantonrechter dan ook af.
ten aanzien van de tegenvordering onder 9
[gedaagde] vordert dat Lecc Exploitatie aan hem schriftelijk meedeelt dat Lecc Vastgoed 4,2 HA grond heeft verkocht. Dit deel van de tegenvordering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een daartoe gestelde rechtsgrond en een rechtens te respecteren belang. Uit het beoog van [gedaagde] blijkt immers dat hij al op de hoogte is van de verkoop.
ten aanzien van de tegenvordering onder 11 en 13
[gedaagde] doet een beroep op de akte houdende bedingen van 25 augustus 2017. Dat heeft [gedaagde] ook gedaan in de procedure tussen partijen die heeft geleid tot het vonnis van 5 januari 2022. In dat vonnis van 5 januari 2022 heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.33. geoordeeld dat de bepaling die [gedaagde] bedoelt – en die [gedaagde] in onderhavige zaak ook bedoelt – zijn eigen visie betreft, dat die visie niet strookt met het kettingbeding dat in deze zaak van toepassing is en dat de kantonrechter het met Lecc Exploitatie eens is dat wat [gedaagde] op dat punt vindt volstrekt irrelevant is. Het vonnis van 5 januari 2022 is bekrachtigd bij arrest van 19 december 2023 en dat arrest is in kracht van gewijsde. Dit deel van de tegenvordering stuit hierop af.
ten aanzien van de tegenvordering onder 12
[gedaagde] vordert dat de vordering van Lecc Exploitatie om hem – [gedaagde] – in de (werkelijke) proceskosten te veroordelen moet worden afgewezen. Daargelaten dat dit punt veel meer als een verweer is te beschouwen, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] ten aanzien van de vordering van Lecc Exploitatie in het ongelijk is gesteld en in de proceskosten is veroordeeld. [gedaagde] is hoe dan ook proceskosten verschuldigd. Gelet hierop en op wat hiervoor onder 4.13 en 4.14. is overwogen ten aanzien van misbruik van procesrecht en de werkelijke proceskosten, wordt dit deel van de tegenvordering van [gedaagde] afgewezen.
ten aanzien van de tegenvordering onder 14 en 15
[gedaagde] vordert om Lecc Exploitatie te verbieden om de term algemene delen te gebruiken omdat het – kort gezegd – private openbare gronden betreffen en om Lecc Exploitatie te verbieden om te melden dat zij een bungalowpark bezit of een park beheert. [gedaagde] heeft echter nagelaten te stellen wat de grondslag van dit deel van de tegenvordering is. Reeds hierom wordt dit deel van de tegenvordering afgewezen.
Daarbij is hierover al meermaals geoordeeld. De kantonrechter wijst op rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak van 21 juni 2017 van de rechtbank Noord-Holland. Hier is overwogen dat: ‘Telkens is vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om een bungalowpark met algemene delen waarvan de eigenaren gebruik maken en niet om een wijk met bungalowhuizen, zoals [gedaagde] beweert. In deze procedure is niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt, zodat de rechtbank er ook in deze procedure van uit gaat dat Lecc eigenaar en beheerder van een bungalowpark is.’ Het gerechtshof heeft dit vonnis bekrachtigd in zijn arrest van 5 februari 2019.
Verder wijst de kantonrechter op rechtsoverweging 3.2. van het arrest van 19 december 2023 waarin het gerechtshof heeft geoordeeld: ‘De latere kwalificaties van diverse overheden in ander verband, waarop [gedaagde] in zijn toelichting op zijn grief wijst, brengen geen verandering in de feitelijke gedaante van het bungalowpark en de kwalificatie daarvan in verband met de overeenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft ook overigens tegenover de gemotiveerde betwisting door Lecc dat het bungalowpark van karakter zou zijn veranderd onvoldoende specifiek gesteld waarom niet langer sprake zou zijn van een bungalowpark als bedoeld in de tussen hen geldende overeenkomst. De grief faalt.’
Bovengenoemde uitspraken zijn alle in kracht van gewijsde. Bovenstaande oordelen impliceren een inhoudelijke beoordeling. Gelet hierop kan het aan deze oordelen toekomende gezag van gewijsde niet worden doorbroken. Overigens ontgaat de kantonrechter wat het belang is van [gedaagde] ; [gedaagde] vindt dat het gaat om ‘private openbare gronden’, hetgeen op hetzelfde neerkomt als algemene delen.
ten aanzien van de tegenvordering onder 16
[gedaagde] vordert dat Lecc Exploitatie wordt verboden om te eisen dat hij – [gedaagde] – in de toekomst niet meer mag procederen over zaken tussen partijen over de parkbijdrage en dat misbruik van procesrecht niet meer zal worden opgevoerd. Dit is eerder als een verweer dan als een vordering te beschouwen. Wat hier ook van zij, uit hetgeen onder 4.8. en 4.13. is overwogen, volgt dat dit deel van de tegenvordering van [gedaagde] niet toewijsbaar is.
ten aanzien van de tegenvordering onder 17
Dit deel richt zich tot de gemachtigde van Lecc Exploitatie. De gemachtigde is geen partij in dit geschil. [gedaagde] is daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast is dit deel van de tegenvordering te onbepaald.
de proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Vanwege de samenhang met de vordering zullen de proceskosten in de tegenvordering worden begroot op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter
de vordering
veroordeelt [gedaagde] om aan Lecc Exploitatie te betalen een bedrag van € 2.320,58 aan parkbijdrage/afvalkostenbijdrage over 2023 tot en met 2025 inclusief de vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.251,54, vanaf 30 april 2025;
veroordeelt [gedaagde] om aan Lecc Exploitatie te betalen een bedrag van € 1.863,34 aan parkbijdrage/afvalkostenbijdrage over 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 maart 2026;
veroordeelt [gedaagde] om aan Lecc Exploitatie te betalen een bedrag van € 337,73 aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt [gedaagde] om aan Lecc Exploitatie te betalen een bedrag van € 4.333,76 aan proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 144,00 aan nakosten en met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Lecc Exploitatie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
de tegenvordering
wijst de vordering onder 1 tot en 16 af;
verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in zijn vordering onder 17;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Lecc Exploitatie worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens, kantonrechter, in samenwerking met mr. S.C. Jacobs, griffier/juridisch adviseur, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
de griffier de kantonrechter