RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12155560 \ EJ VERZ 26-112 (SJ)
Beschikking van 2 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2]
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna samen te noemen: [verzoekers] en afzonderlijk [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] ,
gemachtigde: mr. P.L. Luyckx.
inzake
de nalatenschap van [erflater] (hierna: erflater),
geboren op [geboortedatum] 1968 te Velsen en overleden op 29 maart 2025 te Alkmaar, laatstelijk gewoond hebbende te Alkmaar.
1. De procedure
Namens [verzoekers] is een verzoekschrift ingediend, bij de griffie ontvangen op 24 maart 2026.
In een brief van 18 mei 2026 is het verzoekschrift namens [verzoekers] nader toegelicht.
Gelet op de aard van het verzoek is afgezien van een behandeling op een zitting.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Erflater is op 22 mei 1999 gehuwd met [naam] (hierna: [naam] ), de moeder van [verzoekers] , in gemeenschap van goederen. In 2022 is het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
In het echtscheidingsconvenant van 30 april 2022 staat dat aan erflater een chalet aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het chalet) wordt toebedeeld. Verder staat in het echtscheidingsconvenant dat erflater en [naam] gezamenlijk eigenaar zijn van de voormalig echtelijke woning aan de [adres 2] te Alkmaar.
Erflater en [naam] zijn na de echtscheiding nooit tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap overgegaan. Het aandeel van erflater hierin behoort tot zijn nalatenschap.
Erflater heeft zijn nalatenschap niet in een testament vastgelegd. [verzoekers] zijn de enig erfgenamen van erflater. Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
3. Het verzoek
[verzoekers] verzoeken de kantonrechter om een machtiging te geven om tot partiële verdeling van de nalatenschap over te gaan door het chalet aan [verzoeker sub 2] toe te delen.
Aan het verzoek hebben [verzoekers] ten grondslag gelegd dat zij de wens hebben om de voormalige echtelijke woning aan [naam] toe te delen, maar dat nog niet duidelijk of dit financieel haalbaar is. [verzoekers] en [naam] willen overgaan tot een partiële verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap door het chalet eerst toe te delen aan de nalatenschap en daarmee gedeeltelijk uitvoering te geven aan het echtscheidingsconvenant. Vervolgens willen [verzoekers] het chalet toedelen aan [verzoeker sub 2] . Aan het chalet zijn twee schulden verbonden en [verzoeker sub 2] zal deze schulden bij het overnemen van het chalet voor zijn rekening nemen. Het verschil tussen de waarde van het chalet (€ 135.000) en de openstaande schulden (€ 132.527,64) wensen [verzoekers] dan te verrekenen met de vordering die [verzoeker sub 2] heeft op nalatenschap wegens door hem voorgeschoten inkomstenbelasting(€ 13.473). [verzoekers] willen een machtiging voor de beoogde transacties op basis van de ontwerpakte die zij hebben overgelegd. Verder hebben [verzoekers] een onderhandse boedelbeschrijving ingediend.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 4:211 lid 2 BW vertegenwoordigt de vereffenaar bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. De erfgenamen zijn niet bevoegd zonder zijn medewerking of machtiging van de kantonrechter over de goederen van de nalatenschap of hun aandeel daarin te beschikken.
De kantonrechter stelt vast dat beide erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard en uit dien hoofde vereffenaar zijn. Verder staat vast dat beide erfgenamen/vereffenaars het met elkaar eens zijn dat het chalet aan [verzoeker sub 2] moet worden toebedeeld onder overname van de aan het chalet verbonden schulden en verrekening van het verschil tussen de waarde van het chalet en de schulden met een vordering die [verzoeker sub 2] heeft op de nalatenschap. [verzoekers] behoeven daarom geen machtiging van de kantonrechter. In dit kader overweegt de kantonrechter dat nergens uit blijkt dat artikel 4:211 lid 2 BW alleen voor de door de kantonrechter benoemde vereffenaar is geschreven.
Voor zover [verzoekers] menen dat zij met een beroep op artikel 3:68 BW een machtiging van de kantonrechter nodig hebben omdat hun belang als deelgenoten strijdig is met hun belang als vereffenaars, overweegt de kantonrechter dat [verzoekers] niet hebben gesteld dat er in dit geval sprake is van strijdige belangen.
De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoekers] daarom af. De kantonrechter betrekt bij haar oordeel dat uit de boedelbeschrijving blijkt dat er een bedrag van € 403.812,70 aan baten is en een bedrag van € 290.901.14 aan schulden.
Ter informatie van partijen overweegt de kantonrechter dat zij niet bevoegd is om een machtiging te verlenen voor de door [verzoekers] en [naam] voorgestane verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bovendien hebben [verzoekers] en [naam] is er geen geschil over de partiële verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.