RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 12171249 \ AO VERZ 26-10
Beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. S. Foullani,
tegen
de besloten vennootschap Nass B.V.,
mede handelend onder de naam NassFlex
te Purmerend,
verwerende partij,
hierna te noemen: Nass,
vertegenwoordigd door: [bestuurder] .
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om ontslagvergoedingen na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Volgens de werknemer is de opzegging niet rechtsgeldig. De werkgever voert als verweer dat sprake is van een correcte opzegging tijdens de proeftijd. De kantonrechter wijst het verzoek toe. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever opgezegd na afloop van de proeftijd en is de opzegging niet (rechts)geldig. De werknemer heeft daarom recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, op een transitievergoeding en op een billijke vergoeding.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om ontslagvergoedingen toe te kennen. Nass heeft geen verweerschrift ingediend.
Op 11 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
2. De feiten
[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1995, heeft in november 2025 bij Nass gesolliciteerd naar de functie van doktersassistente.
Op 24 november 2025 en 5 december 2025 heeft Nass aan [verzoekster] een e-mail gestuurd met een aanbod voor een arbeidsovereenkomst. Met een e-mail van 5 december 2025 heeft [verzoekster] laten weten dat ze akkoord is met het aanbod. Daarop heeft Nass op dezelfde datum gereageerd met de mededeling: “Leuk om te horen dat wij jou mogen verwelkomen in ons team”.
[verzoekster] heeft op 15 december 2025 feitelijk één dag gewerkt voor Nass.
Op 15 december 2025 heeft [verzoekster] een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontvangen. Daarin staat dat zij met ingang van 5 januari 2026 tot 1 augustus 2026 in dienst is bij Nass in de functie van doktersassistente voor 32 uur per week met een loon van € 2.375,00 bruto per maand (en € 2.820,00 bruto per maand bij een voltijds dienstverband van 38 uur per week). Uit de overeenkomst blijkt dat [verzoekster] voor het uitvoeren van haar werkzaamheden gedetacheerd wordt bij derden.
Op 17 december 2025 heeft [verzoekster] opnieuw één dag gewerkt als doktersassistente.
Op 25 december 2025 heeft [verzoekster] de schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend en per e-mail aan Nass gestuurd.
Nass heeft met een e-mail van 6 januari 2025 aan [verzoekster] gevraagd of zij nog geïnteresseerd is om bij Nass te starten. [verzoekster] heeft met een e-mail van dezelfde datum geantwoord dat zij de schriftelijke arbeidsovereenkomst al eerder had ondertekend en verstuurd aan Nass, en zij heeft die overeenkomst bij die e-mail opnieuw meegestuurd.
In een telefoongesprek van 8 januari 2026 heeft Nass aan [verzoekster] meegedeeld dat een eerdere opdracht is komen te vervallen en dat met spoed een nieuwe opdracht voor [verzoekster] zou worden gezocht.
Met e-mails van 15 januari, 21 januari en 27 januari 2026 heeft [verzoekster] aan Nass gevraagd om informatie en duidelijkheid over haar werkzaamheden en salaris.
Nass heeft in een e-mail van 4 februari 2026 het volgende aan [verzoekster] meegedeeld:
“Hierbij informeren wij je dat het aanbod tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met NassFlex per 5 januari 2026 wordt ingetrokken. Gezien deze omstandigheden is er geen sprake geweest van een definitieve start. Om deze reden hebben wij besloten de overeenkomst in te trekken. (…)
Op grond van artikel 6:127 BW komt een overeenkomst pas tot stand door aanbod en aanvaarding. Nu aan deze voorwaarden niet is voldaan en geen uitvoering heeft plaatsgevonden, is er geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen.
Voor zover er al sprake zou zijn geweest van een arbeidsovereenkomst, wordt deze hierbij per direct beëindigd binnen de proeftijd conform artikel 7:652 BW. (…)”
In een brief van 25 februari 2026 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aan Nass verzocht om uitbetaling van salaris en aanvullende looncomponenten. Dat heeft Nass niet gedaan.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om Nass te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Ook wordt verzocht om Nass te veroordelen tot betaling van loon, vakantie-uren en een vergoeding voor de toegezegde leaseauto. Aan haar verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is aangegaan en dat de eenzijdige intrekking daarvan door Nass niet mogelijk is. Verder stelt [verzoekster] dat de proeftijd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst ongeldig is en dat Nass pas na afloop van die proeftijd daarop een beroep heeft gedaan. Daarnaast stelt [verzoekster] dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst nog recht heeft op loon en vakantie-uren.
Nass heeft op de zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken en stelt dat die verzoeken moeten worden afgewezen. Nass voert aan – samengevat – dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst bestaat, omdat de opdracht met een klant niet is doorgegaan en het aanbod voor een arbeidsovereenkomst tijdig is ingetrokken. Volgens Nass is het verrichten van werkzaamheden door [verzoekster] op 15 en 17 december 2025 uitsluitend op proef geweest en niet op basis van een arbeidsovereenkomst. Daarnaast meent Nass dat zo nodig tijdig en terecht gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst in de proeftijd te beëindigen. Verder heeft [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ), bestuurder van Nass, op de zitting verklaard dat alles buiten haar om is gegaan.
4. De beoordeling
Waar gaat het om in deze zaak?
Het gaat in deze zaak om de vraag of Nass moet worden veroordeeld tot betaling van de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding, naast loon en vakantie-uren.
De kantonrechter oordeelt dat de verzoeken van [verzoekster] grotendeels moeten worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.
Geen verplaatsing van de zitting en geen nadere gelegenheid voor verweer
De zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026 om 9:30 uur. Vlak voor de zitting heeft [bestuurder] met een e-mail van 8:54 uur gemeld dat zij wegens ziekte niet aanwezig kon zijn. Telefonisch is vóór de zitting aan [bestuurder] namens de kantonrechter doorgegeven dat [bestuurder] vanaf huis via een videoverbinding aan de zitting kan deelnemen en dat zij een vervanger kan inschakelen. Vervolgens is [bestuurder] via een telefoonverbinding bij de zitting aanwezig geweest.
De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om de zitting te verplaatsen. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat [bestuurder] ondanks de door haar gestelde ziekte bij de zitting aanwezig is geweest, daar vragen heeft kunnen beantwoorden en verweer heeft gevoerd.
Verder weegt mee dat niet is gebleken dat het voor [bestuurder] onmogelijk was om zo nodig vervanging te regelen voor de zitting. Uit de stukken blijkt dat Nass medewerkers in dienst heeft die geacht moeten worden bekend te (kunnen) zijn met de zaak. Er is dus geen zwaarwegende grond voor verplaatsing van de zitting en zo’n verplaatsing zou ook tot een onredelijke vertraging in de zaak leiden.
Op de zitting heeft [bestuurder] , daarnaar gevraagd, gesteld dat Nass vóór de zitting een schriftelijk verweer heeft ingediend per e-mail. Echter, zoals de kantonrechter op de zitting al heeft meegedeeld, is bij de rechtbank niets bekend van enig schriftelijk verweer of een e-mail van Nass. Nass is met een brief van de rechtbank van 14 april 2026 en met een deurwaardersexploot van 20 mei 2026 gewezen op de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen en niet gebleken is dat Nass daarvan gebruik heeft gemaakt. Dat komt voor rekening en risico van Nass.
De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om Nass nog een nadere gelegenheid voor verweer te geven. Overigens heeft Nass op de zitting verweer kunnen voeren.
Er is een arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 december 2025
Vast staat dat Nass op 24 november 2025 en 5 december 2025 aan [verzoekster] een e-mail heeft gestuurd met een aanbod voor een arbeidsovereenkomst en dat [verzoekster] dit aanbod met een e-mail van 5 december 2025 heeft geaccepteerd. Daarop heeft Nass de hiervoor aangehaalde mededeling gedaan waarmee [verzoekster] wordt verwelkomd in het team van Nass.
Verder blijkt uit de stukken dat [verzoekster] vervolgens op 15 december 2025 voor Nass heeft gewerkt als doktersassistente bij een opdrachtgever, van 08:00 tot 12:00 uur. Ook op 17 december 2025 heeft [verzoekster] gewerkt, van 08:00 tot 17:00 uur.
Gelet op het voorgaande is tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen met ingang van 15 december 2025. [verzoekster] heeft het aanbod voor een arbeidsovereenkomst van Nass immers aanvaard op 5 december 2025 en heeft vervolgens feitelijk gewerkt op 15 december 2025 en 17 december 2025. Dat er op dat moment nog geen door beide partijen ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst was, doet er niet aan af dat de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Een arbeidsovereenkomst kan immers ook mondeling worden aangegaan en voortvloeien uit de feitelijke aanvang van werkzaamheden, zoals in dit geval.
Het verweer van Nass dat de werkzaamheden op 15 december 2025 en 17 december 2025 slechts op proef waren, treft geen doel. [verzoekster] heeft feitelijk anderhalve dag als doktersassistente gewerkt en dus arbeid tegen loon verricht. Daarmee is de arbeidsovereenkomst een gegeven. Dat die werkzaamheden slechts bij wijze van ‘proef’ waren en niet op basis van een arbeidsovereenkomst, blijkt nergens uit en is door Nass ook niet gemotiveerd of onderbouwd.
[bestuurder] heeft aangevoerd dat ‘alles buiten haar om is gegaan’. De kantonrechter neemt aan dat [bestuurder] daarmee bedoelt dat de arbeidsovereenkomst niet is aangegaan door iemand die daartoe bevoegd was namens Nass. Dat standpunt volgt de kantonrechter niet. De contacten en correspondentie tussen Nass en [verzoekster] hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een vacature van Nass, en via verschillende medewerkers en een e-mailadres van Nass. Gelet daarop mocht [verzoekster] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan door iemand die daartoe bevoegd was namens Nass.
Er is geen opzegging binnen de proeftijd
De stelling van Nass dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd binnen de proeftijd, volgt de kantonrechter niet.
Op zichzelf klopt het dat een werkgever zonder (schriftelijke) instemming van de werknemer de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig kan opzeggen gedurende de proeftijd.
In de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen staat een proeftijd van een maand en een aanvang van het dienstverband per 5 januari 2026. Betwijfeld kan worden of daarmee een geldige proeftijd is overeengekomen. Immers, hiervoor is geoordeeld dat al met ingang van 15 december 2025 mondeling een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, zonder dat toen al sprake was van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Daarvan uitgaande is bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst geen geldige proeftijd overeengekomen, omdat een proeftijd op grond van de wet alleen geldig is als deze schriftelijk is overeengekomen. Als geen geldige proeftijd is overeengekomen, kan uiteraard ook geen sprake zijn van een geldige opzegging in proeftijd.
Maar ook als wordt aangenomen dat wel een geldige proeftijd is overeengekomen, is geen sprake van een opzegging gedurende de proeftijd. In geval van een proeftijd is die namelijk gaan gelden vanaf de aanvang van het dienstverband per 15 december 2025 en dus geëindigd na een maand, te weten op 15 januari 2026. Een andere uitleg van het proeftijdbeding zou erop neerkomen dat de proeftijd in strijd met de wet en de bedoeling daarvan eenvoudig zou kunnen worden verlengd na aanvang van het dienstverband. Dat betekent dat de opzegging door Nass op 4 februari 2026 heeft plaatsgevonden na afloop van de proeftijd.
De opzegging is ongeldig
De opzegging door Nass met de e-mail van 4 februari 2026 is dus ongeldig, omdat geen sprake is van een opzegging in de proeftijd en [verzoekster] niet met die opzegging heeft ingestemd.
Voor zover Nass heeft aangevoerd dat zij de arbeidsovereenkomst heeft ingetrokken, overweegt de kantonrechter dat een dergelijke eenzijdige intrekking ook als een ongeldige opzegging moet worden aangemerkt.
Er is recht op een billijke vergoeding
Het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen ter hoogte van één maandsalaris, te weten een bedrag van € 2.565,00 bruto (een maandsalaris van € 2.375,00 bruto vermeerderd met vakantietoeslag). Daarbij is in aanmerking genomen dat op de zitting is gebleken dat [verzoekster] per 1 maart 2026 ander werk heeft gevonden met een vergelijkbaar salaris als bij Nass, dat de inkomensschade al wordt gecompenseerd door de hierna te bespreken vergoeding wegens onregelmatige opzegging en dat [verzoekster] kort in dienst is geweest, en slechts twee dagen heeft gewerkt. Met de genoemde billijke vergoeding wordt [verzoekster] voldoende gecompenseerd voor de ongeldige opzegging.
Nass zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.565,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Er is recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 4.763,05 bruto, zoals door [verzoekster] genoemd. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 februari 2026.
Er is recht op een transitievergoeding
Het verzoek om Nass te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen, omdat [verzoekster] recht heeft op die vergoeding. Nass wordt veroordeeld tot betaling van € 208,09 bruto, zoals door [verzoekster] berekend. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 maart 2026.
Er is recht op een loon over de maanden december 2025, januari en februari 2026
De vordering ten aanzien van een bedrag van € 2.786,72 bruto aan loon over de maanden december 2025, januari en februari 2026 wordt toegewezen, omdat deze vordering niet is betwist. De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf 4 februari 2026. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 25%.
Er is recht op een vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen
De vordering ten aanzien van een bedrag van € 564,25 bruto als vergoeding voor 30.5 vakantie-uren wordt toegewezen, omdat niet is weersproken dat [verzoekster] daarop aanspraak heeft. De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf 4 februari 2026. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 25%.
De vergoeding voor de leaseauto wordt afgewezen
De vordering om Nass te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de leaseauto wordt afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk is dat [verzoekster] in dit kader schade heeft geleden en wat de omvang daarvan is. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is geen recht op een leaseauto neergelegd en in de e-mailcorrespondentie tussen partijen is alleen de mogelijkheid daartoe vermeld. Onduidelijk is op welk moment een leaseauto zou (moeten) worden verstrekt, wat voor auto, wat de voorwaarden zouden zijn en welke eigen bijdrage zou gaan gelden. [verzoekster] heeft ook niet gesteld dat zij als gevolg van het achterwege blijven van een leaseauto schade heeft geleden, bijvoorbeeld doordat zij zelf een auto heeft moeten aanschaffen of de kosten daarvan heeft moeten dragen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.193,47 (inclusief btw), omdat voldoende is gebleken van incassowerkzaamheden die een vergoeding daarvoor rechtvaardigen en het bedrag in overeenstemming is met de gebruikelijke tarieven.
De proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van Nass, omdat Nass overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt Nass om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 2.565,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt Nass om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.763,05 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt Nass om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 208,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt Nass om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 2.786,72 bruto aan loon over de maanden december 2025, januari en februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt Nass om aan [verzoekster] een bedrag te betalen van € 564,25 bruto als vergoeding voor 30.5 vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25% en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt Nass om aan [verzoekster] een bedrag te betalen van € 1.193,47 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt Nass in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Nass niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
wijst het verzoek voor het overige af;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.