RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11693219 \ CV EXPL 25-1732 (rvk)
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [naam 1] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [naam 2]
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W.K. Cheng.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2025,
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van de gemachtigde van [gedaagde] .
2. De feiten
[eiser] is een onderneming die verlichting maakt en levert aan bedrijven en consumenten.
[gedaagde] is een onderneming op het gebied van elektronische bouwinstallaties.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 3 juni 2021 een overeenkomst gesloten voor de levering van verlichting (lampen, armaturen en installatiemateriaal etc.) voor een zorgvilla in Amsterdam. Er is een schriftelijke offerte opgemaakt op 3 juni 2021 tot een totaal bedrag van € 22.509,39 inclusief btw.
[eiser] heeft op 10 juni 2021 in een e-mail aan [gedaagde] laten weten dat de prijs voor de offerte is aangepast naar € 18.500,- inclusief btw “Met nog een marge er voor jouw in”.
3. Het geschil
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 16.518,37. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de op 3 juni 2021 gesloten overeenkomst gehouden is drie facturen (met nummers 1637, 1311 en 1638) voor geleverde verlichting voor in totaal € 11.408,45 te voldoen. Omdat [gedaagde] ook na betalingsverzoeken en aanmaningen niet overging tot betaling, heeft [eiser] haar incassogemachtigde ingeschakeld en maakt zij aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 889,08. Gelet op het betalingsverzuim maakt [eiser] ook aanspraak op de wettelijke handelsrente van € 4.220,84 gerekend tot 30 april 2025.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en voert het volgende aan. Partijen zijn een vaste prijs van € 18.500,- overeengekomen, waarin een margecommissie is ingebouwd van 3% voor [gedaagde] . Na aanpassing van de offerte door deels niet geleverde en een extra levering van verlichting is [gedaagde] een prijs verschuldigd van € 15.440,64 inclusief btw. Daarop moet nog de marge van 3% (€ 463,22) in mindering worden gebracht, zodat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 14.977,42 inclusief btw moet betalen. [gedaagde] heeft daarvoor drie facturen (1182, 1637 en 1722) van in totaal € 15.386,30 inclusief btw ontvangen. Daarnaast zijn twee extra bestellingen gedaan waarvoor [gedaagde] twee facturen (1551 en 1886) heeft ontvangen van in totaal € 3.394,15. [gedaagde] heeft in totaal € 18.396,22 aan [eiser] betaald en dus € 24,65 te veel betaald. De facturen waarop [eiser] haar vordering baseert zijn ofwel al betaald (factuur 1637), ofwel zien op retour gezonden demo armaturen die hadden moeten worden gecrediteerd (factuur 1311), ofwel betreffen posten die niet zijn geleverd (factuur 1638).
[gedaagde] betwist verder de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden uit 2025. De offerte is van 3 juni 2021. [gedaagde] voert ook verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente.
4. De beoordeling
Beoordeeld moet worden of [gedaagde] drie facturen voor in totaal € 11.408,45 moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel nog een bedrag aan [eiser] moet betalen, maar niet het hele bedrag. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
[eiser] schrijft in de dagvaarding dat zij in verband met de offerte en voor de geleverde diensten en producten facturen heeft uitgebracht en dat zij daarvan betaling vordert. [eiser] verwijst naar drie facturen overgelegd als productie 3. Het gaat om de volgende facturen:
- factuur 1637 aanbetaling 30% behorend bij opdracht 2021830 € 5.384,23
- factuur 1311 monster bestelling € 343,37
- factuur 1638 Commissie: zorgvilla Amsterdam € 5.680,85
Totaal: € 11.408,45
De kantonrechter constateert op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken dat de schriftelijke offerte na 3 juni 2021 nog op een aantal punten is gewijzigd en dat er door [eiser] naast de hiervoor vermelde facturen nog diverse andere facturen zijn gestuurd in verband met de offerte en dat er ook diverse bedragen door [gedaagde] zijn betaald. Omdat [eiser] de gevorderde hoofdsom in het licht van de betwisting bij conclusie van antwoord door [gedaagde] niet (cijfermatig) heeft gespecificeerd, is voor een deel onduidelijk welke betalingen van [gedaagde] door [eiser] in aanmerking zijn genomen en heeft [eiser] haar vordering in zoverre onvoldoende onderbouwd. Om welke bedragen het gaat volgt hierna. Voor zover van belang geldt overigens dat [eiser] ter zitting heeft erkend dat haar Algemene voorwaarden voor het jaar 2025 niet van toepassing zijn, zodat van de toepasselijke wettelijke bepalingen uit zal worden gegaan bij de beoordeling.
[gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord gesteld dat factuur 1637 ‘niet open staat’ en op de zitting heeft [gedaagde] daaraan toegevoegd dat deze factuur is voldaan door betaling van een bedrag van € 5.000 (van welke betaling een betalingsbewijs is gevoegd bij de conclusie van antwoord). [eiser] heeft op de zitting erkend dat [gedaagde] na telefonisch overleg een bedrag van € 5.000 heeft betaald in verband met de offerte, maar heeft daarbij gesteld dat deze € 5.000 al in mindering is gebracht op de vordering. [gedaagde] heeft dat betwist. De drie facturen waarop de vordering is gebaseerd worden in zijn geheel gevorderd, zodat de kantonrechter niet inziet dat het bedrag van € 5.000 daarop in mindering is gebracht. [eiser] heeft de vordering zoals hiervoor geoordeeld in zoverre onvoldoende onderbouwd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van [gedaagde] dat er op factuur 1637 een bedrag van € 5.000 in mindering dient te komen. Verder heeft [eiser] erkend dat er, zoals [gedaagde] aanvoert, nog een bedrag aan commissie van € 463,22 in mindering gebracht moet worden op de vordering.
[gedaagde] voert verder aan dat is overeengekomen dat in overleg wijzigingen op de offerte zijn doorgevoerd in verband met twee vervallen posten (€ 1.707,55 en € 3.371,06 inclusief btw) en een extra levering lampen voor € 2.019,25 inclusief btw (per saldo een minbedrag van € 3.059,36). [eiser] neemt het standpunt in dat deze wijzigingen inderdaad in november 2022 zijn besproken en dat zij door middel van een creditfactuur met nummer 1897 zijn verwerkt. [gedaagde] heeft de creditering betwist. Omdat de kantonrechter constateert dat deze creditfactuur zich niet bij de stukken bevindt en [eiser] zoals hiervoor geoordeeld de gevorderde hoofdsom niet heeft gespecificeerd, is de vordering in zoverre onvoldoende onderbouwd. De hoofdsom zal daarom ook nog verminderd dienen te worden met de vermindering van de offerte met € 3.059,36.
Volgens [gedaagde] moet er ook een bedrag van € 343,37 (factuur 1311) in mindering gebracht worden, omdat dit bedrag ziet op bestelde verlichting en armaturen die [gedaagde] heeft geretourneerd. [eiser] heeft de ontvangst van geretourneerde materialen betwist. Nu de stelplicht en zo nodig de bewijslast op dit punt bij [gedaagde] ligt en [gedaagde] in reactie op de betwisting door [eiser] de retourzending niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, slaagt dit verweer van [gedaagde] niet.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat zij twee bestellingen heeft gedaan buiten de offerte om, waarvoor factuur 1551 van € 3.076,79 en factuur 1886 van € 317,36 zijn verzonden die [gedaagde] ook heeft betaald. Dit verweer is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de beoordeling in deze zaak omdat [eiser] de betaling van deze facturen niet vordert.
Ook beroept [gedaagde] zich er op dat zij de factuur 1182 van € 8.973,32 heeft betaald en dat deze niet is verwerkt. [eiser] heeft de betaling erkend en daarover gezegd dat dit een aanbetaling op de offerte betreft die wel degelijk is verwerkt en dat betaling van de factuur 1182 niet wordt gevorderd in deze procedure. De verklaring van [eiser] sluit aan bij de door [gedaagde] overgelegde factuur met nummer 1182 en [gedaagde] heeft de verklaring van [eiser] verder niet gemotiveerd betwist, zodat het uitgangspunt is dat er in zoverre geen sprake is van een dubbeltelling.
[gedaagde] stelt ook dat factuur 1744 – ten onrechte – deel uitmaakt van de vordering. [eiser] betwist dat, het gaat volgens haar om een aparte order voor het project die geen verband houdt met de offerte of met de facturen waarvan nu betaling wordt gevorderd. Gelet op die stelling heeft [gedaagde] onvoldoende uitgelegd waarom die factuur verband houdt met de overeenkomst dan wel de facturen waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. De eventuele betaling kan dus niet in mindering strekken op de vordering.
tussenconclusie
Op basis van het voorgaande is [gedaagde] nog een bedrag van € 2.885,87 (= € 11.408,45 - € 5.000 - € 463,22 - € 3.059,36) verschuldigd. Dit bedrag zal worden toegewezen.
rente
[eiser] vordert tevens wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen (14 dagen). Die vordering is toewijsbaar, maar uiteraard alleen over de hiervoor toegewezen bedragen. Het verweer van [gedaagde] dat er geen verzuim is ingetreden omdat er geen 14-dagenbrief is verzonden, volgt de kantonrechter niet. Ook hoeft de verschuldigdheid van de rente niet vooraf te worden aangekondigd of opgenomen te worden in aanmaningen. [gedaagde] is te laat met betalen en moet daarom de wettelijke handelsrente betalen over de openstaande facturen vanaf de vervaldatum.
buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Omdat partijen in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen is, anders dan [gedaagde] suggereert, het verzenden van een 14-dagenbrief niet nodig en is de verzending van een enkele brief voldoende. De kantonrechter constateert dat in het dossier meerdere aanmaningen zitten en daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] buitengerechtelijke inspanningen heeft geleverd om tot incasso van haar vordering te komen. De daardoor veroorzaakte kosten komen tot een bedrag van € 413,59 voor vergoeding in aanmerking, gelet op het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en de hoogte van de toe te wijzen hoofdsom.
proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.885,87, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectieve vervaldata van de facturen tot de dag van betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 413,59,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.