RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11680789 \ CV EXPL 25-2925
Uitspraakdatum: 8 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca (Marokko)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem op 10 juli 2023 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Mohammed V Airport (Marokko) naar Yundum International Airport (Gambia), met de vluchtcombinatie AT851 en AT579.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vlucht AT851 (hierna: de vlucht) vertraagd heeft uitgevoerd en dat hij met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming. Daarnaast stelt de passagier dat de vervoerder hem daarom moet compenseren met een bedrag van € 600,00.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder stelt primair dat de passagier niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De kantonrechter overweegt als volgt. De passagier beroept zich op het rechtsgevolg van de door hem gestelde vertraging bij aankomst op de eindbestemming. Dit betekent dat hij ingevolge artikel 150 Rv daarvan de stelplicht en bewijslast draagt. Het Hof Amsterdam (3 november 2020 ECLI:NL:GHAMS:2020:2942) heeft daarbij overwogen dat de passagier voldoende concrete aanknopingspunten dient te verstrekken omtrent de gestelde vertraging, zodat de vervoerder daartegen kan verweren.
De passagier stelt dat de vlucht van Amsterdam naar Casablanca door de vervoerder vertraagd is uitgevoerd als gevolg waarvan hij de aansluitende vlucht naar Banjul heeft gemist. Hij is vervolgens omgeboekt en met een vertraging van meer dan 24 uur aangekomen op zijn eindbestemming, aldus de passagier. De vervoerder heeft de vordering inhoudelijk betwist. De passagier heeft daarom naar het oordeel van de kantonrechter aan zijn stelplicht voldaan.
De vervoerder heeft de gestelde vertragingsduur overigens onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook had hij al bij conclusie van antwoord inhoudelijk verweer kunnen voeren. Nu de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden heeft gedaan, zal de door de passagier gevorderde compensatie (en de daarover gevorderde wettelijke rente) worden toegewezen.
Resteert de vraag of de vervoerder rauwelijks is gedagvaard. De passagier heeft e-mails verzonden naar een e-mailadres van de vervoerder. De kantonrechter is echter van oordeel dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat deze e-mails zijn verzonden naar een ‘no-reply’ e-mailadres. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de passagier door zijn werkwijze en proceshouding, waarbij niet is gebleken dat hij op enkele wijze heeft getracht om eerst op een minnelijke wijze tot beëindiging van het geschil te komen, de vervoerder niet in de gelegenheid heeft gesteld om de zaak (eventueel) buiten rechte te kunnen afdoen. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen en de kantonrechter ziet daarom aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter