[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. R.E. Zalm),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. B. de Paus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de hoogte van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Eiseres heeft het Uwv verzocht haar dagloon te herzien en daarmee terug te komen op de beslissing van 12 juli 2024 waarbij haar een WIA-uitkering is toegekend.
Met het besluit van 9 oktober 2024 heeft het Uwv aan eiseres laten weten dat het dagloon niet wordt herzien. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 1 april 2025 (bestreden besluit I) is het Uwv bij zijn besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Op 21 mei 2026 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II). Het dagloon van eiseres is gewijzigd naar € 219,72 voor de maanden december 2021, februari 2022, maart 2022 en april 2022. Voor het overige blijft het Uwv bij het besluit van 1 april 2025. Eiseres heeft hierop gereageerd en haar beroep gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft enkel de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat het Uwv in beroep met bestreden besluit II bestreden besluit I heeft gewijzigd. Gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep van eiseres dan ook mede gericht tegen bestreden besluit II. Omdat gesteld noch gebleken is dat eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I moet het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank begrijpt de reactie van eiseres op bestreden besluit II aldus, dat zij zich kan vinden in de wijziging van het dagloon voor de maanden december 2021, februari 2022, maart 2022 en april 2022 maar dat zij blijft bij het eerder ingenomen standpunt dat - om verschillende redenen – (ook) in de maanden september tot en met november 2021, januari 2022, februari 2022 en mei 2022 geen sprake was van een representatief inkomen. Hierdoor en omdat het Uwv het Dagloonbesluit strikt toepast wordt eiseres naar haar zeggen onevenredig benadeeld. De referteperiode had dan ook verlegd moeten worden dan wel beperkt tot de maanden dat er wel sprake was van een representatief inkomen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv het dagloon van eiseres heeft berekend in overeenstemming met artikel 13 van de Wet WIA en de artikelen 13 en 16 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Door eiseres wordt ook niet bestreden dat de door het Uwv gehanteerde referteperiode van 1 september 2021 tot en met 31 augustus 2022 overeenkomt met de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen.
Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of het Uwv van deze bepalingen af had moeten wijken, omdat de toepassing daarvan leidt tot een voor eiseres onevenredige uitkomst.
De rechtbank stelt vast dat het Uwv toepassing heeft gegeven aan artikel 16 van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat bestreden besluit II berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven.
Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven.
Dat in het geval van eiseres sprake is van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Uit voornoemde wettelijke bepalingen volgt dat het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Dit betekent dat periodes waarin geen of minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode in negatieve zin invloed hebben op de hoogte van het dagloon. Dit kan, anders dan eiseres stelt, niet als kennelijk onredelijk of onevenredig worden aangemerkt. Uit de toelichting op het Dagloonbesluit volgt verder dat de wetgever de mogelijkheid tot het maken van uitzonderingen op de te hanteren referteperiode heeft beperkt tot de in het Dagloonbesluit genoemde uitzonderingen. Hiervoor is bewust gekozen omdat het uitgangspunt van het Dagloonbesluit is dat het dagloon op een eenvoudige wijze moet kunnen worden berekend aan de hand van de gegevens uit de polisadministratie. Daarvan is geen sprake als het Uwv telkens moet bezien of er aanleiding bestaat uit te gaan van een andere referteperiode. Dat eiseres de onregelmatigheidstoeslag in de maanden september 2021 en oktober 2021 (wegens ziekte in de periode daarvoor) niet of in mindere mate heeft ontvangen, maakt niet dat in haar geval moet worden afgeweken van het historisch dagloon. De rechtbank erkent dat de berekening van het dagloon ongelukkig kan uitvallen, zoals door eiseres naar voren is gebracht, maar ziet daarin geen reden om anders te oordelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het dagloon dat, overeenkomstig voornoemde wettelijke bepalingen, door het Uwv is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat het WIA-dagloon van eiseres ongewijzigd blijft.
In het nemen van een gewijzigd besluit op bezwaar door het Uwv ziet de rechtbank aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Postma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.