RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3969
(gemachtigde: mr. J. Nijssen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, het college
(gemachtigden: mr. T. Melissen en D.Q. Schelling).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over de hoogte van het aan haar toegekende persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Eiseres is het niet eens met de tariefkeuze van het college en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college op juiste gronden het informele tarief heeft toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op juiste gronden een pgb tegen het informele tarief heeft toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft met het besluit van 9 december 2024 (primair besluit) de hoogte van het pgb dat eiseres ontvangt, gewijzigd door het zogeheten informele tarief toe te passen over de periode 21 augustus 2024 tot en met 30 november 2024.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primair besluit.
Met het bestreden besluit van 29 juli 2025 is het college bij het primair besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft aanvullende gronden van beroep ingediend.
Met de brief van 21 mei 2026 heeft het college op de aanvullende gronden van beroep gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is beperkt in haar zelfredzaamheid als gevolg van lichamelijke problematiek en ontvangt sinds 6 december 2022 een pgb voor begeleiding op grond van de Wmo. Vanaf 24 januari 2023 ontving eiseres deze begeleiding via [thuiszorgorganisatie] (de thuiszorgorganisatie) waarbij het pgb-tarief was gebaseerd op het professionele tarief. Op 19 augustus 2024 is het college geïnformeerd over de aanvraag van het faillissement van de thuiszorgorganisatie. Eiseres heeft vervolgens vanaf 21 augustus 2024 zorg ontvangen van [pgb-aanbieder] (pgb-aanbieder). Het college heeft op 29 augustus 2024 aan eiseres laten weten hiermee akkoord te gaan (doch) tegen het informele tarief. In november 2024 heeft eiseres het college verzocht dit met een beschikking te bevestigen. Dit verzoek heeft geleid tot het primair besluit.
Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft het college, onder verwijzing naar het advies van 14 juli 2025 van de Commissie bezwaarschriften, het bestreden besluit genomen waarbij is vastgesteld dat de pgb-aanbieder niet voldoet aan de vereisten uit de Verordening Wmo 2015 en Jeugdhulp gemeente Castricum 2023 (Verordening) voor toepassing van het professionele tarief voor ZZP’ers. De pgb-aanbieder heeft namelijk volgens het college geen aan zorg gerelateerde inschrijving in de Kamer van Koophandel, geen AGB-code voor begeleiding of dagbesteding en het ontbreekt ook aan een vermelding in het landelijke zorgverlenersregister. Verder is geen sprake van een kwaliteitskeurmerk of systematische kwaliteitsbewaking en is niet gebleken dat de pgb-aanbieder beschikt over relevante zorgdiploma’s of een beroepsregistratie. Daarnaast stelt het college dat de pgb-aanbieder tot het sociaal netwerk van eiseres behoort en ook om die reden is uitgesloten van het professionele tarief.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van individuele begeleiding op grond van de Wmo. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk pgb-tarief het college hiervoor moet toekennen. Bij de beoordeling daarvan zal de rechtbank zich beperken tot het aan eiseres verstrekte pgb over de periode 21 augustus 2024 tot en met 30 november 2024. Wat partijen naar voren hebben gebracht over (verlenging van) de pgb-indicatie ná 30 november 2024 ziet op andere, op zichzelf staande besluiten die in deze procedure niet voorliggen. Om die reden behoeft dit in deze uitspraak geen bespreking.
Samengevat stelt eiseres dat het college ten onrechte de kwaliteitseisen heeft toegepast en daarbij het wettelijk criterium (artikel 2.3.6. Wmo) voor verstrekking van een pgb uit het oog is verloren. Eiseres wijst erop dat de pgb-aanbieder reeds via de thuiszorgorganisatie, voorafgaand aan de aanvraag van het faillissement, betrokken was bij eiseres en al anderhalf jaar naar ieders tevredenheid de benodigde zorg verleende. Omdat de aard en noodzaak van de geleverde zorg nadien niet is veranderd, zou zij in aanmerking moeten komen voor het tarief voor professionele pgb-aanbieders.
Niet in geschil is dat de pgb-aanbieder niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor professionele pgb-aanbieders genoemd in artikel 16 van de Verordening. Dat zij eerder via [thuiszorgorganisatie] betrokken is geweest bij de zorg voor eiseres is niet bepalend voor de vraag of vanaf 21 augustus 2024 voor haar werkzaamheden als ZZP’er het professioneel tarief toegepast moet worden; er is immers sprake van een nieuwe situatie per die datum.
Eiseres betwist dat de pgb-aanbieder tot haar sociale netwerk behoort. De rechtbank volgt dit betoog niet en is van oordeel dat het college zich met juistheid op het standpunt stelt dat de pgb-aanbieder tot het sociaal netwerk van eiseres behoort. Zij was bij het college bekend als vriendin en gemachtigde van eiseres en heeft zich in die hoedanigheden beziggehouden met het namens eiseres bij de gemeente opvragen van stukken en het aanvragen, voortzetten en indiceren van Wmo-voorzieningen. Dat zij als begeleider ook een zakelijke relatie had met eiseres werd het college overigens pas duidelijk na het faillissement van [thuiszorgorganisatie] . De combinatie van zorgverlening en vertegenwoordiging bevestigt volgens het college dat de pgb-aanbieder tot het sociaal netwerk van eiseres behoort. Daarmee gaat het contact tussen eiseres en de pgb-aanbieder verder dan maatschappelijke ondersteuning die enkel beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend.
Dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule van artikel 67 van de Verordening, zoals door eiseres gesteld, volgt de rechtbank niet. Afwijken van de Verordening kan op grond van deze bepaling alleen als de toepassing van de Verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. De rechtbank is met het college van oordeel dat hiervan geen sprake is geweest. Het gaat hier immers enkel om een wijziging van het tarief voor de verleende zorg. Dat als gevolg van deze wijziging de continuïteit of de kwaliteit van de zorg in gevaar is geweest is niet gebleken. Het college wijst er in het verweerschrift in dat verband terecht op dat de inzet van de pgb-aanbieder nog tot juli 2025 heeft doorgelopen en dat eiseres daarna weer andere aanbieders heeft gevonden voor de benodigde zorg.
Eiseres heeft er nog op gewezen dat de primaire beschikking pas 9 december 2024 is genomen. Zij stelt dat zij er toen geen rekening mee hoefde te houden dat vanaf 21 augustus 2024 uiteindelijk toch het informele tarief zou worden toegekend omdat zij vanaf die datum meermaals heeft verzocht om voortzetting van de zorg tegen hetzelfde uurtarief als voorheen en er vanuit de gemeente werd gesuggereerd dat er wel sympathie was voor dat verzoek. Deze beroepsgrond faalt. Weliswaar verdient de late formalisering van het besluit om vanaf 21 augustus 2024 slechts het informele tarief toe te kennen niet de schoonheidsprijs, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij gegronde redenen had om er op te vertrouwen dat het college alsnog van standpunt zou veranderen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college op juiste gronden het informele tarief heeft toegepast. Eiseres krijgt dus geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Postma, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.