Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1821
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 84,60 (bestaande uit € 81,10 naheffingskosten en € 3,50 parkeerbelasting).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2026 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam]
Overwegingen
Feiten
1. Op 2 februari 2026 om 17.03 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van belanghebbende met kenteken [#] (hierna: de auto) stond geparkeerd op een parkeerplaats aan de Zeemansstraat in Zaandam. Ter plaatse was op genoemde datum en genoemd tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. De parkeercontroleur heeft geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht was betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
Geschil 2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat hij op het moment dat de scanauto voorbij reed nog in de auto zat en bezig was om de parkeerapp te activeren. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
4. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hij stelt dat belanghebbende nooit is aangemeld in het Nationaal Parkeer Register en wel op de parkeerplek heeft gestaan, en daarom ook parkeerbelasting verschuldigd was. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
5. De gemeente Zaanstad heeft in zijn Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelasting Zaanstad 2025 (hierna: de Verordening) de volgende definitie van ‘parkeren’ weergegeven:
“het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.”
6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij maximaal twee minuten geparkeerd stond op de parkeerplaats. De rechtbank is van oordeel dat ook het gedurende twee minuten stilstaan van een voertuig onder het begrip ‘parkeren’, zoals hiervoor gedefinieerd, valt. Belanghebbende stelt dat hij bezig is geweest met het activeren van een parkeerapp en dat hij toen de scanauto zag langskomen. Het lukte hem niet om de parkeerapp te activeren en daarom is hij vrij kort daarna weer weggereden zonder parkeerbelasting te voldoen.
Verweerder heeft onweersproken gesteld dat belanghebbendes auto die dag verder nooit is aangemeld in het Nationaal Parkeer Register, zodat niet in geschil is dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft voldaan. Uit de jurisprudentie volgt dat belanghebbende een redelijke termijn (ongeveer 5 minuten) toekomt om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Ook nadat belanghebbende de scanauto had zien wegrijden, had hij nog parkeerbelasting kunnen (en moeten) voldoen. Belanghebbende heeft dit niet gedaan en is weggereden zonder parkeerbelasting te voldoen. De rechtbank kan in dit geval niet anders concluderen dan dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
7. Gelet op het voorgaande wordt het beroep ongegrond verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).