Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [belanghebbende] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5803
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan [bedrijf] B.V. een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 81,90 (bestaande uit € 78,80 naheffingskosten en € 3,10 parkeerbelasting).
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar gericht aan [bedrijf] B.V. de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen, vergezeld door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. De auto van het merk [merknaam] , met kenteken [#] (hierna: de auto), is eigendom van [bedrijf] B.V. (een leasemaatschappij). Belanghebbende leaset de auto en is de gebruiker van de auto. Op 18 oktober 2025, omstreeks 15:06 uur, constateert een parkeercontroleur van de gemeente Zaanstad dat de auto stilstaat in een parkeervak op de parkeerplaats op de Behouden Haven in Zaandam . Bij controle stelt de parkeercontroleur vast dat geen aangifte van parkeerbelasting voor het parkeren van de auto was gedaan. De parkeercontroleur heeft vervolgens een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Geschil
2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij voert aan dat hij op 18 oktober 2025 slechts kortstondig heeft stilgestaan om zijn echtgenote te laten uitstappen. Daarnaast was hij bezig zijn auto te keren. Vanwege de beperkte breedte van de locatie was het volgens hem niet mogelijk dit te doen zonder daarbij gebruik te maken van een parkeervak. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
4. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Volgens verweerder kan geen sprake zijn van een bijzondere verrichting, zoals het keren van een auto. Bij een dergelijke verrichting wordt een voertuig immers niet achteruit een parkeervak ingereden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
5. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (arrest van 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6508) blijkt dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk heeft geparkeerd, ook deze laatste recht heeft een bezwaarschrift in te dienen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende feitelijk heeft geparkeerd, heeft verweerder het door belanghebbende ingediende bezwaar terecht ontvankelijk verklaard en is belanghebbende ook in beroep ontvankelijk.
6. De gemeente Zaanstad heeft in zijn Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelasting Zaanstad 2025 (hierna: de Verordening) de volgende definitie van parkeren weergegeven:
“het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.”
7. Belanghebbende heeft gesteld dat hij bezig was zijn auto te keren. Volgens hem was een directe draaibeweging ter plaatse niet mogelijk, omdat hij zich met zijn auto bevond op een smal, doodlopend gedeelte van het parkeerterrein. Verweerder heeft deze stelling betwist. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk bezig was met het keren van zijn auto. Volgens belanghebbende zal op de foto’s die door de scanauto zijn gemaakt zichtbaar zijn dat hij bezig was met een keermanoeuvre en dat de auto zich in een manoeuvrepositie bevond. De rechtbank stelt vast dat op de foto’s zichtbaar is dat de auto recht achteruit in het parkeervak staat geparkeerd, daarbij redelijk ver naar achteren is doorgereden en dat de wielen volledig recht staan. Naar het oordeel van de rechtbank wijzen deze omstandigheden niet op een keermanoeuvre, zoals belanghebbende heeft betoogd. Uit de beschikbare gegevens kan de rechtbank niet afleiden dat belanghebbende op dat moment bezig was met het keren van zijn auto. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van parkeren.
8. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Proceskosten
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).