Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/1427 en HAA 26/1428
en
Procesverloop
HAA 26/1428
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd tot een bedrag van € 663,51, bestaande uit € 347,83 voor afvalstoffenheffing en € 315,68 voor rioolheffing.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 januari 2026 het bezwaar van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard.
HAA 26/1427
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2025 een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd tot een bedrag van € 678,10, bestaande uit € 355,48 voor afvalstoffenheffing en € 322,62 voor rioolheffing.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 januari 2026 het bezwaar van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard.
Beide zaken
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. Tot de gedingsstukken behoort een huurcontract, waarin het volgende staat weergegeven:
“HUURCONTRACT
Verhuurder: [belanghebbende]
Huurder: X
Adres: [adres] [gemeente]
Deze kamer is gelegen op de 2e verdieping aan de voorzijde van de woning.
Oppervlakte van de kamer: 10.6 m2.
(…)
Lid 3: Verhuurder verleent:
Medegebruik keuken
Medegebruik badkamer met aangrenzende slaapkamer
Medegebruik toilet
Medegebruik gemeenschappelijke ruimten
Medegebruik gemeenschappelijk balkon
Verhuurder is zelf de huurder van de woning
(…)”
2. Verweerder heeft de aanslagen gemeentelijke belastingen 2024 en 2025 met betrekking tot de [adres] te [gemeente] (hierna: het object) aan belanghebbende opgelegd (hierna: de aanslagen).
Geschil 3. In geschil is of verweerder de aanslagen terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.
4. Belanghebbende stelt dat de aanslagen onterecht aan hem zijn opgelegd, nu hij geen eigenaar of gebruiker is van het object. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om de aanslagen te vernietigen en verzoekt om een proceskostenvergoeding.
5. Verweerder stelt dat hij de aanslagen terecht heeft opgelegd aan belanghebbende en verwijst naar de desbetreffende Verordeningen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
6. Binnen de gemeente Zaanstad worden voor het jaar 2024 de afvalstoffenheffing en de rioolheffing geheven krachtens de Verordening op de heffing en invordering van Afvalstoffenheffing Zaanstad (hierna: de Verordening afvalstoffenheffing) en de Verordening op de heffing en invordering van Rioolheffing Zaanstad 2024 (hierna: de Verordening Rioolheffing). De verordeningen afvalstoffenheffing en rioolheffing voor 2025 zijn door de gemeente vastgesteld met gelijkluidende bepalingen.
7. In de Verordening afvalstoffenheffing is het volgende bepaald:
“Artikel 3 Belastingplicht
1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt:
a. degene die naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel;
b. ingeval een gedeelte van een perceel in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;
c. ingeval het perceel ter beschikking is gesteld voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel ter beschikking heeft gesteld;
d. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden wordt aangemerkt als gebruikmaken door het door in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden.”
Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening afvalstoffenheffing wordt degene die een gedeelte van een perceel in gebruik heeft gegeven (in dit geval belanghebbende) aangemerkt als gebruiker in de zin van deze bepaling. De gebruiker is degene die belastingplichtig is op basis van het bovenstaande artikel.
8. In de Verordening rioolheffing is een gelijkluidende bepaling opgenomen. Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Verordening rioolheffing wordt in situaties waarin een gedeelte van een perceel aan een ander in gebruik is gegeven, de persoon die dat gedeelte in gebruik heeft gegeven (in dit geval belanghebbende) als gebruiker aangemerkt. Ook voor de rioolheffing is de gebruiker degene die belastingplichtig is.
9. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende op grond van bovenstaande bepalingen aangemerkt wordt als gebruiker, waardoor de aanslagen terecht aan hem zijn opgelegd. Uit hetgeen in het huurcontract zoals onder 1 is weergegeven blijkt dat belanghebbende de verhuurder is van het object, nu hij deze in gebruik geeft. Dit heeft belanghebbende ter zitting ook bevestigd. Ter zitting heeft belanghebbende zich beroepen op een bepaling uit een verordening van de gemeente Weert, welke bepaling hij heeft geraadpleegd via de website overheid.nl. De rechtbank overweegt hierover dat iedere gemeente haar eigen verordeningen en regels vaststelt. Het beroep van belanghebbende op bepalingen uit een verordening van de gemeente Weert kan daarom niet leiden tot een ander oordeel van de rechtbank.
10. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond.
Proceskosten
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).