RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11783274 \ CV EXPL 25-4456
Uitspraakdatum: 24 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Korean Airlines Co Ltd
gevestigd te Seoul (Zuid-Korea)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD advocaten)
De zaak in het kort
De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder heeft aangevoerd dat de Verordening (EG) nr. 261/2004 niet van toepassing is. Het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering wordt afgewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 30 augustus 2023 vervoeren van Osaka Kansai Airport (Japan), via Incheon International Airport, Seoul (Zuid-Korea), naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtnummers KE722 en KE925.
De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagier heeft daarom (onder andere) compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 4.420,92, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de kosten ex artikel 6:96 BW, voor een bedrag van € 686,00, dan wel een bedrag zoals door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De grondslag van de vordering van de passagier is, zoals gezegd, de Verordening. Artikel 3 van de Verordening bepaalt de werkingssfeer van de Verordening. In artikel 3 lid 1 sub b staat dat de Verordening in beginsel van toepassing is op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven, zoals in deze zaak Japan, naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, zoals in deze zaak Amsterdam-Schiphol Airport. Voorwaarde bij een dergelijke vlucht is blijkens artikel 3 lid 1 sub b echter wel dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is. De vervoerder is geen communautaire luchtvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 2 sub c van de Verordening. De vervoerder is immers gevestigd in Zuid-Korea en dus niet in een lidstaat.
De conclusie is dat de Verordening niet van toepassing is op de vlucht. De vervoerder is echter bereidt om de kosten voor de vervangende vlucht te vergoeden, met een bedrag van € 370,82. De overige vorderingen van de passagier zal worden afgewezen. Omdat de Verordening niet van toepassing is, komt de kantonrechter verder ook niet toe aan de andere stellingen en verweren van partijen, en laat die dus onbesproken.
De passagier zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 370,82;
wijst de overige vorderingen af;
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 576,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagier tot betaling van € 144,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter