RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11887003 \ CV EXPL 25-6259
Uitspraakdatum: 24 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. C.E. Dupain (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Icelandair EHF
gevestigd te Reykjavik (IJsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een geannuleerde vlucht. Het betoog van de vervoerder dat hij aan zijn informatieplicht heeft voldaan slaagt. De vordering wordt afgewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 5 februari 2025 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Keflavik International Airport (IJsland), met vlucht FI501 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de annulering van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
Volgens de vervoerder is vlucht FI501 geannuleerd door buitengewone omstandigheden, namelijk slechte weersomstandigheden (storm met zware windstoten). De passagiers hebben dit niet betwist, zodat dit vast is komen te staan.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen of te beperken. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt op een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van 23 uur en 55 minuten zijn aangekomen op de eindbestemming. Dit was de snelste mogelijkheid om de passagiers naar de eindbestemming te vervoerder.
De passagiers betwisten dit. Zij stellen dat de vervoerder zich niet gehouden heeft aan de informatieplicht. Indien een vlucht wordt geannuleerd dient de vervoerder hen te informeren over hun rechten. In dit geval heeft de vervoerder hen geen ticketrestitutie aangeboden. Nu de vervoerder deze keus niet heeft aangeboden konden de passagiers alleen wachten op het alternatief van de vervoerder en niet zelf alternatieve vervoersmiddelen overwegen. De vervoerder heeft dus niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het nalaten hiervan leidt, volgens artikel 15 lid 2 van de Verordening, ertoe dat de passagiers recht hebben op aanvullende compensatie. Nu er geen standaard bedragen voor deze compensatie zijn, vragen de passagiers om aansluiting te zoeken bij de vastgestelde compensatiebedragen in de Verordening.
De vervoerder brengt hier het volgende tegen in. Nadat de vlucht werd geannuleerd is de vervoerder meteen aan de slag gegaan om een alternatieve vlucht bij eerste gelegenheid te vinden. De vervoerder heeft twee e-mailberichten aan de passagiers gestuurd. Eén e-mail voorafgaand aan de annulering en één e-mail om de passagiers te informeren dat de vlucht is geannuleerd. In beide e-mailberichten heeft de vervoerder de passagiers geïnformeerd over hun rechten, inclusief een directe link naar de Icelandair passagiersrechten pagina. Hiermee heeft de vervoerder de passagiers de keuze geboden tussen een alternatieve vlucht of ticketrestitutie. De passagiers hebben er echter voor gekozen om gebruik te maken van de aan hen geboden alternatieve vlucht.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vervoerder heeft met de overgelegde e-mailberichten voldoende aangetoond dat hij de passagiers op de hoogte heeft gesteld van hun rechten en de mogelijkheid tot omboeking of ticketrestitutie. In dit geval hebben de passagiers gekozen voor een omboeking, waardoor zij met een vertraging van minder dan 24 uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de vervoerder zich niet heeft gehouden aan de informatieplicht. Het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering wordt daarom afgewezen.
De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 288,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 72,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter