RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11842250 \ CV EXPL 25-5356
Uitspraakdatum: 15 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats 1]
3. [eiser 3], wonende te [plaats 2]
4. [eiser 4], wonende te [plaats 3]
5. [eiser 5], wonende te [plaats 4]
6. [eiser 6], wonende te [plaats 2]
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
beiden wonende te [plaats 5]
9. [eiser 9],
10. [eiser 10],
beiden wonende te [plaats 6]
11. [eiser 11], wonende te [plaats 7]
11. [eiser 12], wonende te [plaats 8]
11. [eiser 13], wonende te [plaats 1]
11. [eiser 14], wonende te [plaats 9]
11. [eiser 15], wonende te [plaats 10]
11. [eiser 16], wonende te [plaats 11]
11. [eiser 17], wonende te [plaats 12]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de buitenlandse vennootschap
easyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK legal)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk restricties door de luchtverkeersleiding en het nachtregime van luchthaven Amsterdam-Schiphol Airport. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 29 mei 2023 vervoeren van Stansted Airport, Londen (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EJU7846 (hierna: de vlucht).
De vlucht is geannuleerd.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 4.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2026, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 665,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
In geschil is of de dagvaarding ontvankelijk is. De vervoerder heeft aangevoerd dat de passagiers niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden, omdat zij volgens de stempel na twee jaar de dagvaarding hebben ingediend, namelijk op 18 augustus 2025. De passagiers betwisten dit en stellen dat zij de dagvaarding op 13 mei 2025 hebben betekent, wat ook blijkt uit de aanhef van de dagvaarding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Een verzoek dat is gebaseerd op een overeenkomst van luchtvervoer moet worden ingediend binnen twee jaren na de dag waarop de vlucht op de eindbestemming had moeten aankomen. De vlucht had op 29 mei 2023 in Amsterdam moeten aankomen. De (verval)termijn van twee jaren begon dus te lopen op 30 mei 2023. Dit betekent dat het verzoek uiterlijk op 30 mei 2025 had moeten worden ingediend. De dagvaarding is uitgebracht op 13 mei 2025. Dit betekent dat de vordering voor de vervaldatum is ingediend. De passagiers zijn daarom ontvankelijk in hun vordering.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder heeft subsidiair aangevoerd dat de vlucht in kwestie onderdeel uitmaakte van de rotatievlucht Praag-Amsterdam-Londen-Amsterdam-Birmingham-Amsterdam-Londen-Amsterdam (vluchtnummers EJU7846-EJU7926-EJU7839-EJU7840-EJU7844-EJU7844-EJU7845-EJU7846). Deze rotatie werd door hetzelfde toestel (met registratiekenmerk OE-LVG) uitgevoerd. De vluchten in deze rotatie kregen allemaal slotrestricties opgelegd van de luchtverkeersleiding, waardoor zij vertraagd zijn uitgevoerd. De vervoerder heeft als productie de slotberichten overgelegd. Deze vertragingen werkten door op de vlucht voorafgaande de vlucht in kwestie. Als gevolg daarvan kon de rotatie Amsterdam-Kopenhagen-Amsterdam niet uitgevoerd worden. Het nachtregime van luchthaven Schiphol zou anders overtreden worden. Het nachtregime gaat namelijk in om 21:00 uur UTC. Daarom werden beide vluchten geannuleerd. In dit geval is er sprake geweest van een besluit van de luchtverkeersleiding, waardoor de vluchten in deze rotatie vertraagd werden en de vlucht in kwestie vervolgens geannuleerd moest worden. Er is daarom sprake van een buitengewone omstandigheid, aldus de vervoerder.
De passagiers betwisten dit. De vervoerder heeft ten eerst niet voldaan aan de stel- en motiveringsplicht. De vervoerder heeft niet gesteld of onderbouwd hoe laat hij klaar stond voor vertrek en welke vertrektijd hij had doorgegeven aan de luchtverkeersleiding. Daarom kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van een restrictie van de luchtverkeersleiding op de voorgaande vluchten. Er is geen sprake van een rechtstreeks causaal verband, omdat er 11 uur tijd zat tussen de eerste vlucht en de vlucht in kwestie. Daarnaast is Amsterdam een thuisbasis van de vervoerder, dus had hij de vertraging dan wel annulering kunnen vermijden. De vervoerder heeft ook niet voldaan aan de stelplicht- en motiveringsplicht met betrekking tot de uiteindelijke verwachtte aankomsttijd en waarom het nachtregime overtreden zou worden als de vlucht toch was uitgevoerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vlucht, indien vertraagd uitgevoerd, voor het ingaan van het nachtregime op Schiphol zou aankomen. Er was dan geen sprake geweest van een overtreding of van een langdurige vertraging, waardoor de passagiers geen aanspraak konden maken op compensatie. Overigens heeft Schiphol geen harde avondklok. De vervoerder had een nachtslot kunnen aanvragen. Andere vluchten konden wel landen tijdens het nachtregime. Uit de beleidsregels blijkt ook dat een vertraging veroorzaakt door een restrictie van de luchtverkeersleiding een geldige reden is om in het nachtregime een vlucht uit te voeren. Uit het verweer van de vervoerder blijkt ook niet dat toestemming is onthouden. De annulering was daarom dan ook een operationele keuze van de vervoerder. Er is geen sprake van een buitengewone omstandigheid.
De kantonrechter oordeelt dat het verweer van de vervoerder niet slaagt. Weliswaar heeft de vervoerder aangetoond dat vluchten in deze rotatie slotrestricties opgelegd kregen. Echter heeft hij onvoldoende aangetoond dat de vlucht in kwestie na het ingaan van het nachtregime op luchthaven Schiphol zou aankomen. Indien de vlucht in kwestie wel na het ingaan van het nachtregime op Schiphol zou aankomen, heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd dat het niet mogelijk was om deze vlucht alsnog uit te voeren, bijvoorbeeld door een nachtslot aan te vragen. Dit volgt ook na de betwisting van passagiers dat het nachtregime op de luchthaven niet zo streng is en dat de vervoerder niet heeft aangetoond dat hij geen nachtslot heeft aangevraagd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagiers had dit wel op zijn weg gelegen. Bij deze stand van zaken kan daarom niet worden geoordeeld dat de vervoerder geen invloed had op de annulering. Dit betekent dat de annulering niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De kantonrechter komt derhalve niet toe aan de bespreking van de overige verweren en alle redelijke maatregelen. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen met het bedrag € 665,50 (inclusief BTW).
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 4.915,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.250,00 vanaf 29 mei 2023, en over € 665,50 vanaf 13 mei 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 1.076,17;griffierecht € 257,00;salaris gemachtigde € 576,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 144,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter