RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11832333 \ CV EXPL 25-5203
Uitspraakdatum: 8 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. J. Oudshoorn (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij en mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De passagiers stellen dat zij voorbarig zijn omgeboekt. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 april 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Frankfurt International Airport (Duitsland), naar Orlando International Airport (Verenigde Staten), met vlucht LH989 en LH4270.
De vervoerder heeft vlucht LH989 van Amsterdam naar Frankfurt (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. Hierdoor hebben de passagiers de aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Hiermee zijn zij met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- € 360,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten;
- en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder voert aan dat er sprake was van (een doorwerking van) een buitengewone omstandigheid, namelijk restricties van de luchtverkeersleiding. De passagiers betwisten dat sprake is van buitengewone omstandigheden omdat de oorzaak van de vertraging is dat de vervoerder hen voorbarig heeft omgeboekt. Het eerste vluchtsegment kwam met een vertraging 25 minuten aan op Frankfurt. De aansluitende vlucht had een vertrekvertraging van 33 minuten. De passagiers stellen dat zij de overstap daarom alsnog hadden kunnen halen. Doordat de vervoerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eventuele vertraging door een buffertijd in te plannen van minder dan 20 minuten is hij er te snel vanuit gegaan dat de passagiers de aansluiting niet zouden halen, aldus de passagiers.
De vervoerder heeft eerst bij dupliek aangevoerd dat de passagiers 47 minuten de tijd hadden om de aansluitende vlucht te halen en daarom voldoende tijd hadden om de aansluitende vlucht te kunnen halen. Volgens de vervoerder zijn de passagiers pas nadat de aansluitende vlucht was vertrokken omgeboekt naar een alternatieve vlucht.
De passagiers hebben reeds bij dagvaarding aangevoerd dat de vervoerder hen voortijdig heeft omgeboekt. Anders dan de vervoerder suggereert, heeft deze dit pas bij dupliek weersproken. Omdat de passagiers daarop niet meer hebben kunnen reageren, gaat de kantonrechter in zoverre aan het verweer van de vervoerder voorbij. De kantonrechter volgt de vervoerder ook overigens niet in zijn verweer. De minimale connectietijd van een luchthaven is de tijd die ten minste nodig is om de overstap te halen onder normale omstandigheden. Dat betekent niet dat de overstap te allen tijde haalbaar is binnen die tijdsduur. Vaststaat dat de vervoerder een buffertijd van 15 minuten heeft ingepland, terwijl volgens vaste rechtspraak een buffer van ten minste 20 minuten noodzakelijk wordt geacht. De vervoerder heeft niet weersproken dat dit tot gevolg heeft gehad dat de passagiers voortijdig waren omgeboekt terwijl zij de aansluitende vlucht bij het hanteren van een buffertijd van 20 minuten wel zouden hebben kunnen halen. Daarmee is vast komen te staan dat de vertraging niet het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.400,00 vanaf 26 april 2024, en over € 360,00 vanaf 10 juli 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;griffierecht € 257,00;salaris gemachtigde € 506,00;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 126,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter