Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4451
(gemachtigde: dr. A. Rozendal),
en
Procesverloop
Belanghebbende heeft, via haar notaris, op 12 december 2022 aangifte overdrachtsbelasting gedaan ter zake van de verkrijging van certificaten van aandelen in de [stichting] (hierna: [stichting] ). Belanghebbende heeft in deze aangifte een beroep gedaan op artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR). Met dagtekening 11 november 2024 heeft verweerder een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ten bedrage van € 134.000 opgelegd en bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 15.772 in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bij brief, door verweerder ontvangen op 4 december 2024, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 120.600. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2026 te Haarlem. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen in de zaaknummers HAA 25/4448 ( [naam 1] ), 25/4449 ( [naam 2] ) en 25/4450 [naam 3] ).
Ter zitting is verschenen belanghebbendes vader [naam 4] , bijgestaan door de gemachtigde en [naam 5] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. [naam 6] , mr. [naam 7] en mr. [naam 8] .
Overwegingen
Feiten
1. De heer [naam 4] (hierna ook: vader) bezit tot 31 december 2019 alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] BV). [bedrijf 1] BV bezit tot 31 december 2019 30% van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] BV). De resterende 70% van de aandelen in [bedrijf 2] BV wordt gehouden door de heer [naam 9] (hierna: G). Op grond van artikel 4, lid 1, letter a, van de WBR worden de aandelen in [bedrijf 1] BV aangemerkt als fictieve onroerende zaken.
2. Op 30 december 2019 is [stichting] opgericht en heeft zij alle aandelen in [bedrijf 1] BV verkregen. Op 30 december 2019 is een akte schenking en levering van aandelen in [bedrijf 1] BV verleden. Hierbij is 10% van de aandelen geschonken aan de vier kinderen van [naam 1] , te weten [naam 1] (hierna: kind 1), [naam 2] (hierna: kind 2), [naam 3] (hierna: kind 3) en belanghebbende (hierna: kind 4) waarbij belanghebbende 2,5% van deze aandelen heeft verkregen. Vader houdt op dat moment 90% van de aandelen in [bedrijf 1] BV.
3. Het belang van [bedrijf 1] BV in [bedrijf 2] BV wordt in het najaar van 2022 verhoogd van 30% naar 34%. Dit resulteert in de volgende uitgangssituatie in 2022, voorafgaand aan de overdracht van 90% van de certificaten van aandelen in [stichting] :
HIER STAAT EEN SCHEMA.
4. Op 12 december 2022 is een akte schenking en levering van certificaten van aandelen verleden, waarbij vader aan zijn vier kinderen 90% van de certificaten van aandelen in [bedrijf 1] BV schenkt. Ter zake van de overdrachtsbelasting doen partijen een beroep op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de WBR. De situatie per 12 december 2022 is als volgt:
HIER STAAT EEN SCHEMA.
Geschil
5. In geschil is of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR (hierna: de bedrijfsopvolgingsvrijstelling) van toepassing is op de schenking van de certificaten.
6. Belanghebbende stelt dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is omdat aan de vereisten van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR is voldaan. Ten aanzien van verweerders stelling dat [bedrijf 1] BV geen materiële onderneming drijft betoogt belanghebbende dat verweerder, in dit geval de inspecteur inkomensheffing, een duidelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde bevestiging heeft gegeven dat [bedrijf 1] BV een onderneming drijft. Hierop mocht belanghebbende vertrouwen en hier heeft zij haar proceshouding en beroepsgronden op afgestemd. Belanghebbende betoogt voorts dat verweerders standpunt dat [bedrijf 1] BV geen materiële onderneming zou drijven, buiten beschouwing moet blijven wegens strijd met het vertrouwensbeginsel en de goede procesorde. Daarnaast doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel op basis van hetgeen is opgenomen in KG:206:2024:2 (Kennisgroepstandpunten en (nieuw) beleid).
Mocht de vraag of sprake is van een materiële onderneming op het niveau van [bedrijf 1] BV aan de orde komen, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling sprake is van het drijven van een onderneming op het niveau van [bedrijf 1] BV. Daarnaast betoogt belanghebbende dat, nu de certificaten van aandelen de economische eigendom van die aandelen vertegenwoordigen, gelet op de doorkijkarresten, de verkrijging van de economische eigendom van aandelen in [bedrijf 1] BV ook onder het begrip ‘verkrijging’ in bedrijfsopvolgingsvrijstelling valt. Ook valt de verkrijging van de certificaten van aandelen door belanghebbende volgens haar onder een verkrijging van goederen behorend tot en dienstbaar aan een onderneming. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar.
7. Verweerder betoogt primair dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet van toepassing is omdat [bedrijf 1] BV geen onderneming drijft. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, indien wel sprake zou zijn van een onderneming, deze niet in zijn geheel persoonlijk wordt voortgezet door de vier kinderen waardoor de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet van toepassing is. Meer subsidiair betoogt verweerder dat bij verkrijging van certificaten van aandelen de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet van toepassing is omdat de zeggenschap van de onderneming niet overgaat op de verkrijger. Hiermee kan de overdracht volgens verweerder niet worden aangemerkt als een fasegewijze voortzetting van de onderneming.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
8. Op grond van artikel 2 van de WBR wordt onder de naam ‘overdrachtsbelasting’ een belasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen.
9. Artikel 4 van de WBR geeft een fictie op basis waarvan ook als onroerende zaken worden aangemerkt aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken (hierna: een OZR).
10. Artikel 15 van de WBR (tekst 2022) stelt in het eerste lid, onderdeel b, vrij van belasting de verkrijging door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet.
Drijft BV een materiële onderneming?
11. Partijen houdt allereerst verdeeld of BV een materiële onderneming drijft. De rechtbank stelt voorop dat voor de bedrijfsopvolgingsvrijstelling hetzelfde toetsingskader voor een materiële onderneming geldt als voor de inkomstenbelasting. Zie in dit verband 1.1 van het Besluit ondernemingsfaciliteiten (besluit van 17 oktober 2024, nr. 2024-10969, Stcrt. 2025, nr. 34456 alsook het op het moment van overdracht geldende besluit van 25 mei 2018, nr. 2018-50125 , Stcrt. 2018, nr. 30213) .
12. In de wetsgeschiedenis bij artikel 4.17a, van de Wet IB 2001 is het volgende bepaald over de vraag wanneer sprake is van een onderneming (zie p. 43 van Kamerstukken II 2009–2010, 32 129, nr. 3):
“De vraag of sprake is van een onderneming moet worden beantwoord aan de hand van de regels die daarvoor gelden in de winstsfeer voor de inkomstenbelasting. Hiermee wordt rechtsvormneutraliteit bereikt. Er is een onderneming aanwezig indien er sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economische verkeer met het oogmerk om winst te behalen. Omtrent deze rechtsregel bestaat reeds de nodige jurisprudentie. Of er sprake is van een onderneming is verder een feitelijke kwestie, zodat de vraag of daarvan sprake is steeds zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Nadat is vastgesteld dat in de vennootschap, eventueel na toerekening, een onderneming wordt gedreven, moet worden bepaald met welk vermogen de vennootschap deze onderneming drijft. Ook hiervoor gelden de regels die worden toegepast in de winstsfeer, behoudens de regels die gelden voor het keuzevermogen, omdat een bv naar haar aard die keuze niet maakt. In dit verband wordt dan ook zowel verplicht ondernemingsvermogen als keuzevermogen aangemerkt als ondernemingsvermogen. Beleggingsvermogen daarentegen behoort niet tot het ondernemingsvermogen, omdat dit duurzaam overtollige middelen omvat. Op basis van de regels van de vermogensetikettering behoren deze middelen tot het verplichte privé-vermogen. De in de waarde van de aandelen tot uitdrukking komende duurzaam overtollige middelen zullen dan ook voor de doorschuifregeling niet kwalificeren als ondernemingsvermogen.”
13. De rechtbank stelt vast dat de onderneming gedreven wordt door [bedrijf 2] BV. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Op grond van artikel 4.17c, derde lid, in combinatie met artikel 4.17a, vijfde lid van de Wet IB 2001 en artikel 35c, vijfde lid van de Successiewet 1956 worden eerst alle bezittingen, schulden en activiteiten van [bedrijf 2] BV toegerekend aan [bedrijf 1] BV. Vervolgens dient te worden gekeken of [bedrijf 1] BV een materiële onderneming drijft (activiteitentoets) en daarna worden alle vermogensbestanddelen op grond van het leerstuk van de vermogensetikettering geëtiketteerd. Dit brengt mee dat [bedrijf 1] BV naar het oordeel van de rechtbank een materiële onderneming drijft met de vermogensbestanddelen die [bedrijf 1] BV zelf bezit en de vermogensbestanddelen van [bedrijf 1] BV die aan haar zijn toegerekend. Er is bij [bedrijf 1] BV sprake van een duurzame organisatie van arbeid (34% in exploitatie via dochtermaatschappij) en kapitaal (vastgoed dat wordt geëxploiteerd) waarmee [bedrijf 1] BV deelneemt aan het economisch verkeer.
14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [bedrijf 1] BV geen onderneming drijft omdat op het niveau van deze vennootschap – kort gezegd – geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. De rechtbank overweegt met inachtneming van wat in de punten 12 en 13 is opgenomen dat bij de toets of [bedrijf 1] BV een onderneming drijft (mede) de toerekening van [bedrijf 2] BV aan [bedrijf 1] BV in acht dient te worden genomen. Voor deze toets kan – anders dan verweerder betoogt – niet uitsluitend gekeken worden naar de activiteiten van [bedrijf 1] BV. Deze grief faalt dan ook.
15. Verweerder betoogt daarnaast dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet van toepassing kan zijn als wordt doorgekeken naar [bedrijf 2] BV omdat [bedrijf 1] BV slechts 34% bezit in [bedrijf 2] BV en hiermee geen sprake kan zijn van voortzetten van een onderneming. De gehele onderneming van een OZR moet immers worden voortgezet, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt omdat nergens uit de wet of uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling blijkt dat de gehele onderneming dan wel een gedeelte van een onderliggende vennootschap dient te worden voortgezet. Verweerders standpunt dat bij het wegdenken van [bedrijf 1] BV geen personenvennootschap zichtbaar wordt, maar [bedrijf 2] BV, waardoor op het niveau van [bedrijf 1] BV geen sprake is van een onderneming kan hiermee ook niet slagen. De vooronderstelling waarop dit standpunt berust is immers onjuist, waardoor het al dan niet wegdenken tot en met [bedrijf 2] BV dan wel de onderneming niet ter zake doet. Deze grieven slagen dan ook niet.
Voortzettingsvoorwaarden
16. Verweerder betoogt daarnaast dat belanghebbende de onderneming niet (gedeeltelijk) heeft voortgezet en dat deze in zijn geheel niet is voortgezet door de vier kinderen. Hiertoe stelt verweerder zich op het standpunt dat belanghebbende en [bedrijf 1] BV niet de zeggenschap over [bedrijf 2] BV hebben gekregen, temeer daar belanghebbende geen bestuurder van [bedrijf 2] BV, noch bestuurder van [bedrijf 1] BV is. De rechtbank oordeelt dat nergens uit de wet of uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling blijkt van een voorwaarde van volledige zeggenschap over de onderneming na de verkrijging. Evenmin blijkt dit ten aanzien van verweerders standpunt dat belanghebbende bestuurder dient te zijn van de overgedragen vennootschap of de vennootschap met een onderneming, dan wel dat belanghebbende een bepaald (indirect) belang dient te houden in de overgedragen vennootschap (zie ook punt 15). Ter onderbouwing van de door verweerder aangehaalde voorwaarde dat [bedrijf 1] BV de volledige zeggenschap zou moeten hebben in [bedrijf 2] BV om de bedrijfsopvolgingsvrijstelling te kunnen toepassen haalt verweerder de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:6787) aan waarin deze voorwaarde is opgenomen. Nadat echter tegen deze hofuitspraak cassatieberoep was ingesteld is de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 niet ingegaan op dit vereiste. Bovendien is door het Gerechtshof Amsterdam inmiddels anders geoordeeld over deze voorwaarde (zie Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1492).
17. Ook verweerders stelling dat (het bestaan van) een duidelijk (schriftelijk) overnameplan niet aannemelijk is gemaakt en geen sprake is van een overdracht in fasen, kan hem niet baten. Uit de wettekst of wetsgeschiedenis volgt immers niet dat sprake moet zijn van een overdracht in fasen of dat een overnameplan vereist is. De rechtbank volgt hierbij verweerders interpretatie van doel en strekking van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet. Dat volgens de wetgever “een […] overdracht van een gehele onderneming […] (in de gespreide) fasen [kan] plaatsvinden” en dat sprake moet zijn van een “zekere planmatigheid” (Toelichting Tweede Nota van Wijzigingen, kamerstukken 27.030, nr. 7, p. 4) betekent immers nog niet dat een overdracht in fasen dan wel een overnameplan is vereist. Deze grief faalt derhalve.
18. Nu sprake is van een onderneming komt de rechtbank niet toe aan behandeling van het vertrouwensbeginsel.
Verkrijging van certificaten van aandelen
19. De stelling van verweerder dat niet de volledige zeggenschap is overgegaan omdat – kort gezegd – certificaten van aandelen in [bedrijf 1] BV worden overgedragen waarbij de verkrijgers van de certificaten geen stemrecht verkrijgen, kan hem niet baten. Degene die zonder zeggenschap medegerechtigd is tot een onderneming, kan namelijk ondernemer zijn in de zin van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. Toen de voorloper van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling in 1969 in de Registratiewet 1917 werd geïntroduceerd, werd een dergelijke eis nergens aan het ondernemerschap gesteld (vgl. artikel 6 van de Wet IB 1964), terwijl elke indicatie ontbreekt dat de wetgever met artikel 3.4 van de Wet IB tevens heeft beoogd de reikwijdte van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling aan te passen. In de rede ligt vervolgens dat op de verkrijging door een kind van een dergelijke medegerechtigdheid de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing moet kunnen zijn. In gevallen waarin het een verkrijging van aandelen in een OZR betreft, zoals in dezen, geldt bovendien dat de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dat certificaten van aandelen zijn te vereenzelvigen met de aandelen indien het economische belang bij de aandelen bij de certificaathouder berust (HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5558, r.o. 3.4.3). Dat specifieke oordeel betreft weliswaar de vrijstelling voor interne reorganisaties, maar de Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat vereenzelviging van certificaten met de aandelen in dergelijke omstandigheden ook is aanvaard in het kader van diverse andere fiscale regelingen. De strekking van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling noopt niet tot een afwijkende benadering. Het vereiste van voortzetting van de onderneming door de verkrijger brengt in dat geval mee dat de verkrijger van de certificaten het volledige economische belang bij, indirect, de onderneming moet behouden en dat die onderneming na de verkrijging niet deels of geheel mag worden gestaakt (vgl. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1492).
20. Verweerders standpunt dat de [stichting] niet behoort tot de kring van verkrijgers en dat daarom niet is voldaan aan de vereisten van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR, kan de rechtbank niet volgen. Bij de schenking heeft de [stichting] niets verkregen; de aandelen in [bedrijf 1] BV bezat de [stichting] immers al.
Slotsom
21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
22. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
23. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in beginsel vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
24. In de gelijktijdig met deze zaak behandelde zaken van de andere drie kinderen hebben de belanghebbenden eveneens recht op vergoeding van proceskosten op grond van het Bpb. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd en wordt slechts éénmaal een proceskostenvergoeding toegekend. Samenhangende zaken zijn door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439). In dit geval is sprake van samenhangende zaken nu in alle vier de zaken dezelfde geschilpunten naar voren zijn gebracht. De zaken zijn gelijktijdig behandeld tijdens de bezwaar- en beroepsfase. Om deze reden zal de rechtbank de proceskostenvergoeding voor een kwart toekennen per zaak. Daarnaast wordt volgens het Bpb bij samenhangende zaken vanaf vier of meer een wegingsfactor van 1,5 gehanteerd. Aldus bedraagt de vergoeding van de proceskosten in deze vier zaken: 1,5 x € 1.868 = € 2.802. Gelet hierop bedraagt de proceskostenvergoeding in deze zaak 0,25 x € 2.802 = € 700,50.
25. De rechtbank draagt verweerder op het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting tot een bedrag van € 0;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 700,50; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, voorzitter, en mr. M.C. van As en mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).