RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11532556 \ CV EXPL 25-793
Uitspraakdatum: 4 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Germany GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
hierna te noemen: Airhelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de besloten vennootschap
Corendon Dutch Airlines B.V.
gevestigd te Badhoevedorp
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: [gemachtigde]
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] (hierna: de passagiers) hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 7 juni 2024 vervoeren van Heraklion (Griekenland) naar Amsterdam, met vlucht CD512 (hierna: de vlucht).
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben hun eventuele vorderingsrecht aan Airhelp overgedragen.
Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
Airhelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; - de buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Airhelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vlucht gepland stond om uitgevoerd te worden met de PH-CDR. Deze Boeing 737 MAX is op 25 april 2024 (nieuw) door Boeing aan de vervoerder geleverd. Tijdens de uitvoering van een vlucht van Palma de Mallorca naar Amsterdam op 4 juni 2024 ontvingen de piloten van het toestel een “Master Caution” waarschuwing. De hydraulische druk in “Systeem A” was veel te laag. Vlak na het opstijgen van (de eerstvolgende) vlucht CND511 (Amsterdam naar Heraklion) op 7 juni 2024 verscheen de waarschuwing opnieuw. De vlucht is afgebroken en het toestel is teruggekeerd naar Schiphol. Dit heeft ertoe geleid dat de direct opvolgende vlucht (de vlucht in kwestie, CND512) niet (tijdig) kon worden uitgevoerd. Volgens de vervoerder moet het gebrek aan de koppeling worden aangemerkt als een verborgen fabricagefout, waardoor dit technisch mankement een buitengewone omstandigheid oplevert.
De kantonrechter overweegt dat een technisch mankement of een indicatie daarvan, in beginsel moet worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van een vervoerder en daarom geen buitengewone omstandigheid oplevert. Dit geldt alleen onder meer niet in gevallen waarin de fabrikant van de toestellen waaruit de vloot van de betrokken luchtvaartmaatschappij is samengesteld, of een bevoegde autoriteit, zou bekendmaken dat deze toestellen – die reeds in dienst zijn – een verborgen fabricagefout vertonen een verborgen fabricagefout vertonen die gevolgen heeft voor de vliegveiligheid. Weliswaar heeft Boeing bevestigd dat er drukverlies kan ontstaan als gevolg van een verkeerd geïnstalleerde “quick-disconnect koppeling”, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een verborgen fabricagefout. Een dergelijk mankement kan worden aangemerkt als een onverwachte gebeurtenis, maar blijft wezenlijk verbonden met het zeer complexe systeem voor de werking van het toestel, dat door de vervoerder onder, met name meteorologisch, vaak moeilijke en zelfs extreme omstandigheden wordt gebruikt. Derhalve moet worden aangenomen dat die onverwachte gebeurtenis inherent is aan de normale uitoefening van het bedrijf van de vervoerder, omdat die vervoerder gewoonlijk met dit soort onverwachte technische problemen wordt geconfronteerd. Bovendien is gesteld noch gebleken dat meerdere toestellen last hebben gehad van hetzelfde technisch mankement. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vertraging van de vlucht niet te wijten is aan een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter komt derhalve niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te beperken. De door Airhelp gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen. De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
Airhelp heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. Airhelp heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Airhelp worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
844,47
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan Airhelp van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 juni 2024 tot de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 844,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter