ECLI:NL:RBNHO:2026:9201

ECLI:NL:RBNHO:2026:9201

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 11448204
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De passagier heeft het gebrek in de stelplicht mbt de instapweigering hersteld. Zij heeft echter niet betwist dat zij de gevorderde compensatie inmiddels heeft ontvangen, zodat zij geen belang meer heeft bij haar vordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11448204 \ CV EXPL 24-8696

Uitspraakdatum: 25 februari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats]

eiseres

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Delta Air Lines Inc.

gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 1 oktober 2023 vervoeren van Amsterdam naar Boston (Verenigde Staten), met vlucht DL259 (hierna: de vlucht).

De passagier is niet met de vlucht meegevlogen. Zij is omgeboekt naar vlucht DL9223, waarmee zij meer dan drie uur later in Boston is aangekomen.

De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3. Het geschil

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; - € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.

De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de instapweigering moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4. De beoordeling

De kantonrechter stelt am btshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Het meest verstrekkende verweer van de vervoerder is dat de passagier niet aan haar stelplicht heeft voldaan, omdat zij onvoldoende concrete feiten over de instapweigering heeft gesteld. De passagier heeft bij conclusie van repliek toegelicht dat zij samen met twee medereizigers was ingecheckt voor de vlucht naar Boston. Volgens de passagier werd hen bij aankomst bij de gate verteld dat de vlucht overboekt was, en dat slechts twee van de drie passagiers met de vlucht mee zouden kunnen. De passagier is vervolgens achtergebleven in Amsterdam en door de vervoerder omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht. De kantonrechter is van oordeel dat de passagier met deze toelichting het gebrek in haar stelplicht heeft hersteld. Verder geldt dat de vervoerder de door de passagier geschetste gang van zaken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat de instapweigering als vaststaand zal worden aangenomen.

De passagier heeft niet betwist dat zij de gevorderde compensatie inmiddels heeft ontvangen. Dat heeft tot gevolg dat zij geen belang meer bij haar vordering tot betaling van de hoofdsom, zodat deze wordt afgewezen. Wel heeft de passagier nog recht op betaling van de wettelijke rente. Deze wordt toegewezen vanaf 1 oktober 2023 (de vervoerder is vanaf dat moment van rechtswege in verzuim) tot de datum waarop de compensatie uiteindelijk is betaald.

Partijen verschillen van mening over de datum waarop de compensatie is voldaan. De vervoerder heeft als productie 1 bij antwoord een schermafdruk overgelegd die een bewijs van betaling door KLM zou moeten voorstellen. Uit dit stuk blijkt echter niet op welke datum en/of op welke wijze de betaling heeft plaatsgevonden. De vervoerder heeft eerst bij dupliek toegelicht dat de compensatie direct op de luchthaven is uitgekeerd in de vorm van een (tegen cash inwisselbare) voucher. Hij heeft niet toegelicht waarom hij dit standpunt eerst in dupliek heeft ingenomen en gesteld noch gebleken is dat hij dit niet al bij conclusie van antwoord had kunnen doen. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder daarmee in strijd heeft gehandeld met de in artikel 128 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde vereiste concentratie van verweer, zodat deze stelling als tardief zal worden gepasseerd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de compensatie eerst op 23 december 2024 via bankoverschrijving aan de passagier is betaald. De wettelijke rente wordt dan ook toegewezen tot 23 december 2024.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.

Aangezien de vervoerder de gevorderde compensatie eerst na dagvaarding heeft betaald, is hij ook de proceskosten verschuldigd. De proceskosten van de passagier worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

135,97

- griffierecht

€

218,00

- salaris gemachtigde

€

86,00

(2 punten × € 43,00)

- nakosten

€

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

461,47

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 1 oktober 2023 tot 23 december 2024;

veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 461,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Schipper

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand