RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11215141 \ CV EXPL 24-5136
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],beiden wonende te [plaats],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (Aviclaim)rolgemachtigde: mr. A.Y. Lai
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Qatar Airways Group (Q.C.S.C.)
gevestigd te Doha (Qatar)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J. Croon
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord tevens vordering in incident;- het antwoord in incident;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagiers hebben met CheapTickets een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder de passagiers en hun twee minderjarige kinderen op 1 en 2 augustus 2022 vervoeren van Amsterdam via Doha (Qatar) naar Kuala Lumpur (Maleisië), met de vluchten MH9766 en MH9055.
De passagiers zijn op 22 juli 2022 door CheapTickets geïnformeerd over een schemawijziging, inhoudende dat de passagiers op 16 augustus 2022 zouden vertrekken.
De passagiers hebben de voorgestelde wijziging niet geaccepteerd en hebben zelf een alternatieve vlucht geboekt.
Op 7 augustus 2022 hebben de passagiers restitutie van de vliegtickets aangevraagd. De ticketrestitutie is op 22 september 2022 terugbetaald door CheapTickets aan de passagiers.
De passagiers hebben compensatie en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van € 7.007,21, vermeerderd met rente en kosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat feitelijk sprake is van een (geanticipeerde) instapweigering en dat de vervoerder hen daarom moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier. Daarnaast waren de passagiers vanwege het gebrek aan (redelijk) door de vervoerder georganiseerd vervoer genoodzaakt om extra kosten te maken voor een vervangende vlucht (€ 4.607,21). De vervoerder dient deze kosten te vergoeden.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
in het incident
De vervoerder heeft bij incident gevorderd dat de passagiers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard met betrekking tot de vordering van hun minderjarige kinderen. Volgens de vervoerder zijn de vorderingen van de minderjarige kinderen niet rechtsgeldig overgedragen aan de passagiers.
De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtsgeldige cessie dient onder verwijzing naar artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan twee constitutieve vereisten te voldoen: een akte van cessie en een mededeling daarvan aan de debiteur. Hierbij geldt dat de te overdragen vordering overeenkomstig artikel 3:84 lid 2 BW in voldoende mate door de akte moet worden bepaald. Volgens vaste rechtspraak is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat (Hoge Raad 16 juni 1995, NJ 1996/508, Ontvanger/ Rabo). Uit de overgelegde aktes van cessie blijkt het volgende. In de akte(s) van cessie wordt het claimnummer vermeld (dat wordt gebruikt in de correspondentie met de vervoerder) en de naam van de passagier. Verder staat in de akte van cessie het volgende opgenomen: “II. Verklaart het volgende te zijn overeengekomen. Cedent(en) draagt/ dragen, in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger(s) van hun minderjarige kind(eren), hierbij in eigendom over, op zichzelf. Cessionaris(sen), die bij deze eigendom aanvaarden, de vordering(en) van hun minderjarige kin(eren) op cessus/ de luchtvaartmaatschappij”. Bij de aktes van cessie zijn tevens kopieën van de paspoorten van de passagiers en hun minderjarige kinderen gevoegd. Vervolgens wordt bij de mededeling van de akte van cessie aan de vervoerder, onder meer, het claimnummer en de naam van het minderjarige kind vermeld. Alles bij elkaar genomen is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is gebleken dat de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vermeende vorderingen hebben overgedragen aan hun ouders. De vordering in het incident slaagt om die reden niet.
De vervoerder krijgt ongelijk, en moet daarom de proceskosten in het incident betalen. De proceskosten van de passagiers in het incident worden begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde.
in de hoofdzaak
Vaststaat dat de passagiers op 22 juli 2022 van hun reisagent hebben vernomen dat de vlucht voor hen niet door zou gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de vlucht niet is geannuleerd, maar gewoon is uitgevoerd. Volgens de vervoerder heeft de reisagent van de passagiers zélf alle initiële boekingen van de passagiers op 27 mei 2022 geannuleerd (XS). Ter onderbouwing hiervan verwijst de vervoerder naar de PNR-records en de communicatie met de klantenserviceafdeling. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de passagiers (door de ontbinding aan de zijde van CheapTickets) sinds 27 mei 2022 niet meer over een bevestigde boeking meer voor vlucht MH9766 op 1 augustus 2022 beschikten. Het ontbreken van een geldig vliegticket levert een geldige reden voor de aangezegde instapweigering op. De conclusie is dan ook dat de vordering tot compensatie wordt afgewezen.
De passagiers hebben schadevergoeding verzocht in die zin dat zij de kosten van de door hen zelf geboekte alternatieve vlucht vergoed willen zien. Nu echter geen sprake is van een annulering en/of instapweigering door de vervoerder, maar juist van een annulering door een vertegenwoordiger van de passagiers zélf, bestaat voor toewijzing van deze vordering geen rechtsgrond. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom eveneens afgewezen.
De passagiers krijgen ongelijk, en moeten daarom de proceskosten in de hoofdzaak (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vervoerder worden in de hoofdzaak begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
360,00
5. De beslissing
De kantonrechter:
in het incident:
wijst de incidentele vordering van de vervoerder af;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten in het incident van € 144,00;
in de hoofdzaak:
wijst de vordering van de passagiers af;
veroordeelt de passagiers in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de passagiers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter