RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11521083 \ CV EXPL 25-645
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2], beiden wonende te [plaats],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (Aviclaim)rolgemachtigde: mr. A.Y. Lai
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eisers.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 juni 2024 vervoeren van Triëst (Italië) via Frankfurt (Duitsland) naar Amsterdam.
Vlucht LH975 van Triëst naar Frankfurt (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht naar Amsterdam (LH998) gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij ruim 16 uur later in Amsterdam zijn aangekomen.
De passagiers hebben compensatie en schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 820,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; - € 123,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast moet hij hen de kosten van de hotelovernachting in Frankfurt (€ 320,00) vergoeden.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging van de vlucht (grotendeels) is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De passagiers hebben dit niet betwist, maar hebben zich op het standpunt gesteld dat zij onnodig zijn omgeboekt door de vervoerder. De aansluitende vlucht (LH998) is met 40 minuten vertraging uit Frankfurt vertrokken. Volgens de passagiers hadden zij vlucht LH998, ondanks de vertraagde aankomst in Frankfurt, nog kunnen halen. Zij waren toen echter al omgeboekt door de vervoerder. De langdurige vertraging op de eindbestemming is dan ook te wijten aan de voortijdige omboeking, aldus de passagiers.
De vervoerder heeft hiertegen aangevoerd dat vlucht LH998 weliswaar met 40 minuten vertraging is opgestegen, maar dat het toestel al eerder de gate had verlaten. De passagiers hadden daardoor feitelijk gezien slechts 42 minuten om de aansluitende vlucht te halen. Van een voorbarige omboeking is volgens de vervoerder dan ook geen sprake.
Tussen partijen is niet in geschil dat de minimale connectietijd te Frankfurt 45 minuten bedraagt. De kantonrechter volgt de passagiers in hun stelling dat zij op basis van de voorgaande gegevens feitelijk gezien in staat zouden moeten geweest om de aansluitende vlucht te halen. De conclusie is dan ook dat niet vast is komen te staan dat de uiteindelijke langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg was van de buitengewone omstandigheid op de vlucht in kwestie. De vordering tot compensatie (en daarover gevorderde wettelijke rente) zal daarom worden toegewezen.
De vervoerder heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde financiële schadevergoeding (kosten hotelovernachting), zodat dit deel van de vordering eveneens zal worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 26 juli 2024, zijnde de verzuimdatum genoemd in de brief van 5 juli 2024.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
226,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
730,47
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 943,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 500,00 vanaf 26 juni 2024, over € 320,00 vanaf 26 juli 2024 en over € 123,00 vanaf 6 januari 2025 tot de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 730,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter