RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11546924 \ CV EXPL 25-1050
Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Aviclaimrolgemachtigde: mr. A.Y. Lai
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij & mr. N. van der Graaf
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 25 januari 2023 vervoeren van Amsterdam via Frankfurt (Duitsland) naar Holguin (Cuba), met de vluchten LH1003 en DE2206.
Vlucht LH1003 van Amsterdam naar Frankfurt (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd.
De vervoerder heeft de passagier omgeboekt naar de vluchtcombinatie LH1034 en AF820 vanaf Frankfurt via Parijs (Frankrijk) naar Havana (Cuba). De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; - € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de nakosten.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De passagier heeft zich op het standpunt gesteld dat de vervoerder haar onnodig en prematuur heeft omgeboekt. Volgens de passagier had zij de aansluitende vlucht (DE2206), ondanks de vertraagde aankomst in Frankfurt, nog kunnen halen. Zij was op dat moment echter al omgeboekt door de vervoerder. De langdurige vertraging op de eindbestemming is dan ook te wijten aan de voortijdige omboeking, aldus de passagier.
De vervoerder heeft hiertegen aangevoerd dat vlucht DE2206 weliswaar met 52 minuten vertraging is opgestegen, maar dat het toestel al eerder (om 10:09 uur lokale tijd) de gate had verlaten. De passagier is om 09:29 lokale tijd te Frankfurt geland, en had daardoor feitelijk gezien slechts 40 minuten om de aansluitende vlucht te halen. Van een voorbarige omboeking is volgens de vervoerder dan ook geen sprake.
Tussen partijen is niet in geschil dat de minimale connectietijd te Frankfurt 45 minuten bedraagt. De kantonrechter volgt de passagier in haar stelling dat zij op basis van de voorgaande gegevens feitelijk gezien in staat zou moeten zijn geweest om de aansluitende vlucht te halen. Het antwoord op de vraag of de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, kan daarom in het midden blijven. Niet is komen vast te staan dat de uiteindelijke langdurige vertraging van de passagier op de eindbestemming het gevolg was van deze (eventuele) buitengewone omstandigheden. De vordering tot compensatie (en daarover gevorderde wettelijke rente) zal worden toegewezen.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagier worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
226,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
730,47
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 690,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 25 januari 2023 en over € 90,00 vanaf 22 januari 2025 tot de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 730,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter