RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11575521 \ CV EXPL 25-1501
Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Anker Rechtshulp B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord tevens akte eiswijziging;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eiseres.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 22 april 2024 vervoeren van Amsterdam via Casablanca (Marokko) naar Dakhla (Marokko), met de vluchten AT851 en AT1420 (hierna: de vlucht).
De passagier heeft op de vlucht een stuk ruimbagage ingecheckt. Het gaat om een tas met kitespullen. Bij aankomst in Dakhla bleek dat de bagage vermist werd.
Toen de bagage ook niet met de volgende vlucht meekwam, heeft de passagier op de luchthaven een Property Irregularity Report (PIR) ingevuld.
De passagier heeft haar bagage nog altijd niet terug in haar bezit.
De passagier had een AirTag in de bagage zitten. De huidige locatie van de AirTag bevindt zich op het adres [adres] te Casablanca. Op dat adres is een onderneming met de naam “[bedrijf]” gevestigd.
3. Het geschil
De passagier vordert – na eiswijziging – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot: a. primair afgifte van de bagage;b. subsidiair tot betaling van € 4.340,14 aan schadevergoeding;c. subsidiair tot betaling van € 1.251,88 aan schadevergoeding;te vermeerderen met proceskosten en de nakosten (en de wettelijke rente daarover).
De passagier baseert haar vordering op artikel 22 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 mei 1999, Trb. 2001/91 (hierna: het Verdrag van Montreal). De vermiste bagage vertegenwoordigt een waarde van € 4.340,14.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De passagier heeft een beroep gedaan op het Verdrag van Montreal. De kantonrechter ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 33 van dit Verdrag. Daartoe overweegt hij dat bij een heen- en terugvlucht die in één boeking zijn aangekocht, sprake is van een rondreis waarbij de eindbestemming dezelfde is als de vertrekplaats.
De passagier heeft primair afgifte van haar bagage gevorderd. De kantonrechter overweegt dat, hoewel de locatie van de bagage via de AirTag kan worden vastgesteld, deze locatie zich niet op de luchthaven bevindt. Hieruit volgt dat niet kan worden aangenomen dat de bagage zich nog steeds in de feitelijke macht van de vervoerder bevindt. De passagier kan zich daarom niet met succes op revindicatie jegens de vervoerder beroepen.
De kantonrechter is van oordeel dat de passagier voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar bagage is kwijtgeraakt terwijl deze zich in de macht van de vervoerder bevond. Dat betekent dat de vervoerder in beginsel aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan heeft geleden. De aansprakelijkheid van de vervoerder is op grond van het Verdrag van Montreal beperkt tot het bedrag van 1000 bijzondere trekkingsrechten per passagier, behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de passagier bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief.
De passagier stelt dat haar kitespullen een waarde van € 4.340,14 vertegenwoordigen. Op het PIR-formulier is te zien hoe dit bedrag is opgebouwd, onderbouwd met betaalbewijzen. Gesteld noch gebleken is echter dat de passagier vóór afgifte bij de incheckbalie heeft aangegeven dat haar kitespullen een dergelijk hoge waarde vertegenwoordigen. Dat betekent dat kantonrechter niet méér kan toewijzen dan een bedrag gelijk aan 1000 bijzondere trekkingsrechten (€ 1.225,79). De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, en voor het overige worden afgewezen.
De vervoerder is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagier worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,04
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
598,04
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de vervoerder om 1000 bijzondere trekkingsrechten aan de passagier te betalen, hetgeen gelijk is aan een bedrag van € 1.225,79,
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 598,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
De griffier De kantonrechter