RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Beslissing over klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
zaak-/rekestnr.: C/15/379129 / FA RK 26-3307
beschikking van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026,
op het ingediende verzoekschrift van :
[verzoekster] , hierna te noemen: verzoekster (in haar hoedanigheid van mentor van betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] , [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
thans verblijvende in een voorziening van Parnassia, [afdeling] ,
te [adres] ,
hierna: betrokkene,
advocaat mr. F.R. Menso, gevestigd te Alkmaar.
ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoekster ingediend bij de klachtencommissie van Parnassia Groep regiokamer Noord-Holland (hierna: de klachtencommissie) op 10 maart 2026.
Als belanghebbende(n) wordt/worden aangemerkt:
- betrokkene
- verzoekster;
- Parnassia Groep, de zorgaanbieder.
1. Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 16 juni 2026.
Bij beschikking van 25 juli 2025 heeft de rechtbank ten behoeve van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 25 juli 2026. Op basis daarvan is door zorgaanbieder Parnassia verplichte zorg verleend.
Verzoekster heeft middels een klaagschrift van 10 maart 2026 bij de klachtencommissie een klacht ingediend en een verzoek om schorsing tegen het besluit tot uitplaatsing van [betrokkene] , betrokkene, uit zijn huidige accommodatie, welk besluit door Parnassia Groep bij brief van 18 februari 2026 formeel is medegedeeld en waarvan de uitvoering in gang is gezet. In het klaagschrift is - kort en zakelijk weergegeven- naar voren gebracht dat betrokkene 85 jaar oud is en al ruim 35 jaar onafgebroken in de huidige accommodatie verblijft. Op betrokkene is een zorgmachtiging van kracht, waarin onder meer “opnemen in een accommodatie” en ‘het toedienen van verplichte medicatie’ als toegestane zorgvormen zijn opgenomen. In oktober/november 2024 is cliënt binnen de instelling het slachtoffer geworden van een ernstige iatrogene lithiumintoxicatie, waarvoor de instelling aansprakelijkheid heeft erkend. Na deze calamiteit is cliënt noodgedwongen verplaatst van zijn oorspronkelijke afdeling – die na deze gebeurtenis werd gesloten – naar een andere afdeling, met de uitdrukkelijke mededeling dat dit een tijdelijke oplossing betrof en dat hij binnen de opnamekliniek passend zou blijven gehuisvest en met zorgvuldigheid zou worden behandeld. Inmiddels blijkt dat dit niet het geval is en dat hem verblijf binnen deze kliniek wordt ontzegd, zonder dat een individueel en inzichtelijk gemotiveerde belangenafweging kenbaar is gemaakt. Van belang is voorts dat de rechtbank in haar beschikking van juli 2025, waarbij de zorgmachtiging werd verlengd, naar aanleiding van de hiervoor genoemde calamiteit expliciet heeft overwogen dat de instelling bij de verdere behandeling van cliënt oplettendheid en zorgvuldigheid dient te betrachten. Een en ander vereist dat een ingrijpende wijziging van de zorgsetting, zoals het voorgenomen besluit tot een uitplaatsing, wordt gebaseerd op een zeer deugdelijke motivering en een zwaarwegende, concreet onderbouwde noodzaak. Beide ontbreken. De instelling heeft expliciet meegedeeld dat het indienen van een klacht de uitvoering van het besluit niet opschort. Daarnaast stelt de zorgverantwoordelijke zich dermate resoluut op dat er geen reële ruimte bestaat voor overleg over alternatieve oplossingen. Gelet op het onomkeerbare karakter van een feitelijke overplaatsing, en de grote haast die lijkt te worden gemaakt met de uitvoering van het besluit, verzoekt verzoekster de commissie tot schorsing van het besluit.
De klachtencommissie heeft in de beslissing van 22 april 2026 (ondertekend op 6
mei 2026) op basis van de stukken en het verhandelde te zitting de klacht van klager
ongegrond verklaard.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026 in een voorziening van Parnassia, [adres] .
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:- [verzoekster] , de mentor van betrokkene;
- mr. F.R. Menso, de advocaat van betrokkene;
[psychiater] , psychiater;
[jurist] , jurist van Parnassia Groep.
De rechtbank heeft betrokkene voorafgaand aan de zitting gesproken en betrokkene gaf pertinent aan niet op de zitting aanwezig te willen zijn en het woord over te laten aan zijn dochter, tevens mentor. De rechtbank heeft daarop, met instemming van de dochter/mentor en haar advocaat, besloten om de mondelinge behandeling in afwezigheid van betrokkene, te laten plaats vinden.
2. Standpunten van partijen
Verzoek
Verzoekster stelt zich in haar verzoekschrift op het standpunt dat de klachtencommissie niet overeenkomstig artikel 10:5 en 10:6 Wvggz heeft gehandeld en heeft miskend dat de klacht materieel zag op een besluit dat rechtstreeks ingreep in de uitvoering van de zorgmachtiging en de verblijfssituatie van betrokkene. Uit het dossier blijkt dat Parnassia Groep verzoekster formeel heeft geïnformeerd over het besluit rondom de opname. Daarbij is meegedeeld dat de uitplaatsing in gang wordt gezet, dat betrokkene wordt aangemeld en op wachtlijsten wordt geplaatst en dat de uitplaatsing zal plaatsvinden zodra een geschikte plek beschikbaar is. Dat past niet bij de latere stelling dat er op dat moment alleen nog sprake was van een vrijblijvende inventarisatie.
De conclusie van de klachtencommissie dat geen besluit tot overplaatsing zou zijn genomen, is daarom moeilijk te rijmen met de eigen mededelingen van Parnassia Groep. Door de klacht op die manier te kwalificeren en door te verwijzen naar de Wkkgz, heeft de klachtencommissie betrokkene de rechtsbescherming ontnomen die hij op grond van hoofdstuk 10 van de Wvggz juist had moeten krijgen. Verzoekster verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de oorspronkelijke klacht van 10 maart 2026 gegrond te verklaren o.g.v. art 10:7 Wvggz;
de onder verwijzing naar het op 18 februari 2026 aangekondigde en in gang
gezette uitplaatsingstraject, voorgenomen of feitelijke overplaatsing, althans de
verdere uitvoering daarvan, te schorsen hangende de beslissing op de klacht;
subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat inhoudelijke toetsing onder
de Wvggz niet (meer) mogelijk is, vast te stellen dat effectieve rechtsbescherming van betrokkene feitelijk is uitgehold door de wijze waarop het uitplaatsingstraject is vormgegeven;
meer subsidiair, een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te
kennen wegens schending van de formele zorgvuldigheidseisen.
Op de zitting is door en namens verzoekster aangevuld dat de brief van 18 februari 2026 moet worden beschouwd als een toetsbare beslissing in de zin van de Wvggz. Het gaat om een besluit over de opname- en verblijfssituatie van betrokkene met een lopende zorgmachtiging, in de zin van artikel 8:16 Wvggz. Omdat het besluit rechtstreeks ingrijpt in de verblijfssituatie en de continuïteit van zorg van betrokkene, ligt een beoordeling binnen het kader van artikel 10:3 Wvggz en artikel 10:7 Wvggz meer voor de hand dan een behandeling als Wkkgz-kwestie. Het primaire verzoek blijft dat de rechtbank de klacht binnen het Wvggz-kader beoordeelt, de verdere uitvoering van het uitplaatsingstraject schorst en het beroep gegrond verklaart. Wat betreft het verzoek tot schorsing blijkt dat Parnassia tot op heden geen pas op de plaats heeft gemaakt. Dat betekent dat, zodra een plaats beschikbaar komt, betrokkene direct kan worden overgeplaatst en de situatie onomkeerbaar is. Om die reden is het belangrijk dat de verdere uitvoering van het uitplaatsingstraject wordt geschorst. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek om schadevergoeding wordt verwezen naar ECLI:NL:RBROT:2025:10400, waarin volgens verzoekster is bevestigd dat processueel nadeel door schending van zorgvuldigheidseisen onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking kan komen.
Verweer
Namens de zorgaanbieder hebben de jurist van Parnassia Groep en de psychiater zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de brief van 18 februari 2026 geen besluit is in de zin van artikel 8:16 Wvggz. Er is namelijk nog geen beslissing genomen door de geneesheer-directeur en wordt nog gezocht naar een passende woonvorm voor betrokkene. De brief moet daarom worden gezien als een voornemen tot overplaatsing. Daarnaast is nog geen sprake van een bereidverklaring van een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 8:16, derde lid, Wvggz. De klacht is daarom te vroeg ingediend. Om die reden is de Wvggz niet van toepassing en valt de klacht onder de reikwijdte van de Wkkgz. Parnassia Groep verzoekt de rechtbank daarom primair zich onbevoegd te verklaren. Daarnaast stelt Parnassia Groep zich op het standpunt dat het indienen van een klacht geen schorsende werking van het besluit heeft.
3. Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Om bij de rechtbank een beslissing te kunnen krijgen op een klacht, moet de wet daarvoor een grondslag bieden. De Wvggz geeft die grondslag in artikel 10:7 Wvggz. Artikel 10:7 lid 1 Wvggz bepaalt dat nadat de klachtencommissie een beslissing heeft genomen of indien de klachtencommissie niet tijdig een beslissing heeft genomen, betrokkene, de vertegenwoordiger, de zorgaanbieder of een nabestaande van betrokkene, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift kan indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Dat de rechtbank niet bevoegd zou zijn tot kennisneming van de klacht, zoals door Parnassia is betoogd, volgt de rechtbank niet. Voordat de klachtencommissie de klacht op grond van de Wkkz heeft beoordeeld en afgewezen, heeft het eerst geoordeeld dat de klacht niet onder artikel 10:3 Wvggz viel en daarmee impliciet geoordeeld dat, voor zover de klacht hierop was gebaseerd, de klacht niet ontvankelijk was.
De rechtbank stelt verder vast dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek, aangezien haar verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.
Met betrekking tot de klacht van verzoekster overweegt de rechtbank het volgende. De Wvggz geeft in artikel 10:3 een limitatieve opsomming van beslissingen waartegen een klacht kan worden ingediend. De klacht van verzoekster over de brief van 18 februari 2026 heeft echter geen betrekking op een beslissing die valt onder deze limitatieve opsomming. De rechtbank stelt vast dat de brief van de zorgaanbieder van 18 februari 2026 een vooraankondiging is die is ondertekend door de manager zorg gerontopsychiatrie. Het gaat niet om een overplaatsingsbesluit dat door de geneesheer-directeur is genomen. Daarnaast geen sprake van een bereidverklaring van een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 8:16, derde lid, Wvggz. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een besluit van de geneesheer-directeur in de zin van artikel 8:16 Wvggz. De klacht valt onder de reikwijdte van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Klachten die vallen onder Wkkgz worden weliswaar beoordeeld door de klachtencommissie, maar voor een dergelijke klacht kan vervolgens geen verzoek worden ingediend bij de rechtbank. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de opvatting van verzoekster dat zij niet alleen juridisch, maar ook daadwerkelijk in staat moet zijn een toekomstige beslissing tot overplaatsing te doen schorsen, voordat daaraan uitvoering wordt gegeven, onjuist is. De wettelijke regeling van het klachtrecht binnen de Wvggz biedt geen grondslag voor die opvatting, die er op neer zou komen dat een klacht kan worden ingediend en behandeld door de klachtencommissie, voordat een beslissing is genomen.
Nu de rechtbank verzoekster niet ontvankelijk zal verklaren in haar klacht, behoeven haar subsidiaire en meer subsidiair gedane verzoeken geen bespreking.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;
wijst af het verzoek tot schadevergoeding
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven en op schrift gesteld door mr. M.T. Goossens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M. van der Linden als griffier op 15 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.