RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4354
(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigden: F. Bargach en S. van Dijck).
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de bijstandsuitkering per 24 juni 2025. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt dat zij zich genoodzaakt voelde om de bijstandsuitkering te beëindigen, omdat zij vanwege de privacy van haar familie en vrienden niet wenste mee te werken aan een domicilie-onderzoek. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het beroep slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college, op verzoek van eiseres, de bijstandsuitkering met ingang van 24 juni 2025 beëindigd.
Bij besluit van 1 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. E. Cakmak als waarnemend gemachtigde en de gemachtigden van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Eiseres is een alleenstaande ouder. Sinds 2017 is zij woonachtig in [plaats 1] . Zij ontving tot en met 31 januari 2025 studiefinanciering. Op 24 februari 2025 heeft zij een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Uit het onderzoek dat naar aanleiding van de aanvraag is uitgevoerd kwam naar voren dat eiseres veel in [plaats 2] verblijft, haar kinderen daar naar school gaan en zij haar huisarts daar heeft. Hoewel er enige twijfel was of het hoofdverblijf van eiseres zich in Haarlemmermeer bevond, is aan eiseres bij besluit van 17 april 2025 een bijstandsuitkering toegekend.
Vervolgens is een nader onderzoek gestart, waarbij aan eiseres is verzocht om bankafschriften, een overzicht van haar OV-rijsgeschiedenis en foto’s van haar waterstandmeter te overleggen. In de ongedateerde brief, gedingstuk 241, heeft eiseres vermeld dat “(…) De gemeente Haarlemmermeer is vanaf het begin op de hoogte van het feit dat ik bezig ben met een verhuizing naar [plaats 2] , maar dit is niet van de ene op de andere dag geregeld.”. Op basis van deze gegevens heeft het college aanleiding gezien om een domicilie-onderzoek te starten. Bij brief van 24 juni 2025 is aan eiseres de verplichting opgelegd om dagelijks door te geven op welke locatie zij de nacht gaat doorbrengen. Diezelfde dag heeft eiseres per e-mail laten weten dat “Via deze weg laat ik u weten dat ik per direct mijn bijstandsuitkering wil stopzetten.(…) dat er nu zelfs van mij verwacht wordt dat ik privégegevens van familieleden en vrienden met u ga delen.”. Naar aanleiding hiervan heeft het college het primaire besluit genomen.
Eiseres heeft op 3 juli 2025 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 2 september 2025 afgewezen. Tegen dit besluit is door eiseres bezwaar gemaakt. Die aanvraag ligt hier niet voor.
Tegen het primaire besluit heeft eiseres op 3 juli 2025 bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften (de Adviescommissie) op 19 augustus 2025 een advies uitgebracht. De Adviescommissie is van oordeel dat de gemeente terecht twijfelde aan de woonsituatie van eiseres. Haar pingedrag buiten de gemeente Haarlemmermeer, dat haar kinderen in [plaats 2] naar school gaan, haar reishistorie, het lage waterverbruik en haar verklaringen gaven genoeg aanleiding om nader onderzoek te doen naar haar hoofdverblijf. Daarbij geldt dat het domicilie-onderzoek naar het hoofdverblijf volgens de Adviescommissie in dit geval voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Adviescommissie heeft echter niet kunnen constateren of is voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit het dossier komt niet duidelijk naar voren of aan eiseres is verteld wat zij wel en niet moet doen bij het doorgeven van haar locatie. Dat eiseres in de veronderstelling verkeerde dat zij gegevens van de hoofdbewoners van de verblijfplaatsen buiten de gemeente Haarlemmermeer moest doorgegeven, kan de Adviescommissie zich goed voorstellen. Het kan eiseres dan ook niet worden verweten dat zij niet aan het onderzoek heeft meegewerkt. Volgens de Adviescommissie is er nog steeds wel twijfel over de woonsituatie van eiseres en daarom adviseert zij om – na het geven van de juiste voorlichting – eiseres in de gelegenheid te stellen om alsnog mee te werken aan het onderzoek.
Naar aanleiding van het advies van de Adviescommissie heeft op 25 augustus 2025 een gesprek plaatsgevonden met eiseres. In dit gesprek is de werkwijze van het domicilie-onderzoek uitgelegd, welke informatie benodigd is en is nogmaals de medewerkings- en inlichtingenplicht besproken. Eiseres heeft in dit gesprek verklaard niet te willen meewerken aan het dagelijks per sms of whatsappbericht doorgeven van de locatie waar zij die nacht verblijft. Naar aanleiding van dit gesprek heeft het college het bestreden besluit genomen.
Standpunt eiseres
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bijstandsuitkering ten onrechte is beëindigd. Hierbij acht zij van belang dat zij zich, onder druk, genoodzaakt voelde om de bijstandsuitkering te laten beëindigen. Ten aanzien van het door het college opgelegde domicilie-onderzoek heeft eiseres opgemerkt “(…) Dat voelt voor mij alsof mijn privacy volledig wordt geschonden, en alsof ik geen vrijheden meer heb”. Gelet hierop wenst eiseres niet mee te werken aan het domicilie-onderzoek. Eiseres is van mening dat zij onvoldoende is geïnformeerd over het domicilie-onderzoek en daarbij onvoldoende duidelijk was wat van haar werd verwacht. Daarnaast geldt dat zij feitelijk ook niet kon meewerken aan het domicilie-onderzoek, omdat zij altijd tussen 07:00-10:00 uur de kinderen naar school brengt (in [plaats 2] ) en naar stage gaat. Hierdoor is eiseres op de controlemomenten niet aanwezig in de woning en kan haar aanwezigheid dus niet worden gecontroleerd. Bovendien wijst eiseres erop dat zij alle overige informatie omtrent haar hoofdverblijf heeft overgelegd en zij sinds 11 december 2025 (in het kader van de nieuwe aanvraag) meewerkt aan het domicilie-onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de onderhavige beroepsprocedure ziet op de beëindiging van de bijstandsuitkering door eiseres. Deze procedure heeft geen betrekking op de nadien door eiseres aangevraagde bijstandsuitkering noch het, eerder, in dat kader toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet hierop zal de rechtbank niet ingaan op de door eiseres ingediende beroepsgronden welke zijn gericht tegen de geweigerde latere aanvraag.
Vaststaat dat het college bij brief van 24 juni 2025 aan eiseres heeft medegedeeld dat aanleiding is gezien om een domicilie-onderzoek in gang te zetten. In deze brief staat onder meer vermeld “(…) U schrijft iedere dag op het registratieformulier dat u van ons heeft gekregen waar u de nacht bent tussen 23:00 en 07:00 uur. (…) U geeft die informatie iedere avond 20:00 uur via Whatsapp of via sms door (…).”. Diezelfde dag heeft eiseres per e-mail laten weten niet mee te willen werken aan het onderzoek en heeft zij verzocht om beëindiging van de bijstandsuitkering. Zij heeft in haar e-mail onder meer vermeld “(…) Dat er nu zelfs van mij verwacht wordt dat ik privégegevens van familieleden en vrienden met u ga delen. Deze mensen hebben niets met mijn uitkeringssituatie te maken. Dat voelt alsof mijn privacy volledig wordt geschonden, en alsof ik geen vrijheid meer heb.”. Vervolgens heeft op 25 augustus 2025 een gesprek met eiseres plaatsgevonden, waarin (nogmaals) aan eiseres is uitgelegd wat van haar wordt verwacht bij het domicilie-onderzoek. Eiseres heeft in dit gesprek opnieuw verklaard niet te willen meewerken aan een dergelijk onderzoek.
Niet in geschil is dat eiseres zelf heeft verzocht om de beëindiging van de bijstandsuitkering. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college daarbij enige druk op eiseres heeft uitgeoefend. Het is niet ongebruikelijk, indien voldoende twijfel bestaat over de locatie waar een aanvrager zich bevindt, om een domicilie-onderzoek te verrichten. Dat moge als onaangenaam ervaren worden, maar is niet aan te merken als druk noch als een noodzaak om dan een uitkering zelf te beëindigen. Voor zover eiseres stelt dat zij niet heeft begrepen wat precies van haar werd verwacht, heeft te gelden dat zowel op basis van de gegeven toelichting in de brief van 24 juni 2025, hetgeen op de hoorzitting in bezwaar is besproken en het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025 aan eiseres meermaals informatie is verstrekt over het domicilie-onderzoek en wat van haar werd verwacht. Als het voor haar nog steeds onduidelijk was, had het op haar weg gelegen om daar nadere vragen over te stellen. De reactie van eiseres was echter telkens dat zij niet wilde meewerken aan het onderzoek. Dat eiseres op dat moment niet in staat was een bewuste keuze te maken, is de rechtbank niet gebleken. Eiseres kan dan ook aan haar beslissing worden gehouden. Zij heeft, ondanks meerdere malen uitleg, bewust de keuze gemaakt om niet mee te werken aan het onderzoek en heeft zelf verzocht om de bijstandsuitkering te beëindigen.
De rechtbank is met de Adviescommissie van oordeel dat de beslissing om een domicilie-onderzoek te verrichten in dit geval ook voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Eiseres verbleef naar eigen zeggen met grote regelmaat in [plaats 2] en aan de hand van de opgevraagde gegevens kon niet voldoende worden vastgesteld wat feitelijk de hoofdverblijfplaats van eiseres was. In dat geval is een domicilie-onderzoek gepast. Anders dan eiseres stelt heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende informatie over het domicilie-onderzoek verstrekt en toegelicht hoe zich dit verhoudt tot de privacy van eiseres en dat van haar familieleden en vrienden. Het feit dat eiseres hier anders over denkt en daarom geen medewerking verleende aan het onderzoek, maakt dit niet anders. Op grond van artikel 17, tweede lid en artikel 53a van de PW heeft het college het recht om onderzoek te verrichten en eiseres dient daaraan mee te werken.
De stelling van eiseres dat zij niet kon meewerken aan het domicilie-onderzoek, omdat zij ten tijde van de controlemomenten niet thuis is, ontslaat haar niet van het kunnen versturen van een sms-bericht waar zij die avond verblijft. Het is aan het college om een controle uit te voeren en zo nodig het tijdstip daarvan aan te passen. Het is niet aan eiseres om te bepalen hoe het onderzoek verloopt. Dat eiseres lichamelijke klachten heeft en hierdoor niet in staat was om te laten weten waar zij de nacht verbleef, is op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt nog overwogen dat eiseres in een later stadium kennelijk wel haar medewerking heeft verleend.
Het voorgaande brengt mee dat eiseres kon worden gehouden aan haar verzoek tot beëindiging van de uitkering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het college de bijstandsuitkering terecht heeft beëindigd. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.